donderdag 8 oktober 2015 / vn.nl / Foto: (cc) Martijn Nijenhuis

Columns & opinie

Hoe het toch nog wat kan worden met dat Energieakkoord

Het kabinet gaat de doelen uit het Energieakkoord niet halen. Wat te doen? Een paar schoten voor open doel.

Het is een prachtig polderproduct: het Energieakkoord voor duurzame groei. Meer dan veertig maatschappelijke organisaties – van Greenpeace tot werkgeversorganisatie VNO-NCW – kwamen in 2013 tot een nationaal plan voor ‘verduurzaming van onze samenleving en economie.’ Geen vrijblijvende vergezichten, maar harde afspraken met klinkende getallen, zoals:

  • een besparing van het energieverbruik met gemiddeld 1,5 procent per jaar;
  • een toename van het aandeel hernieuwbare energieopwekking naar 14 procent in 2020 en 16 procent in 2023;
  • ten minste 15.000 voltijdbanen extra.


Het Energieakkoord loopt echter vast, blijkt uit cijfers van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en enkele andere rekenmeesters waarop de NOS de hand wist te leggen. Met de huidige voortgang komt het aandeel duurzame energie in 2020 niet uit op 14 procent, maar op 11,9 procent.

Wat te doen? De energiebesparing in industrie, transport en huishoudens is nauwelijks meer dan de helft van de afgesproken besparingen die in 2020 moet worden gehaald. De blaam treft zowel grootindustrie als gezinnen – dus ook u gaat komende herfstvakantie eindelijk eens de zolder isoleren, volgens Milieu Centraal een van de grootste ‘klimaatklappers’ die u kunt maken.

De blaam treft zowel grootindustrie als gezinnen – dus ook u gaat komende herfstvakantie eindelijk eens de zolder isoleren

Het kabinet moet ook de zeilen bijzetten. De stagnering wordt vooral veroorzaakt door vertraging in de bouw van windmolens en warmtenetten dankzij ‘lange en ingewikkelde procedures’ – een kwaal die de overheid kan verminderen en regeringspartij VVD toch een doorn in het oog zou moeten zijn.

De overheid heeft niet overal een hand in. Windturbines op land worden geplaagd bijvoorbeeld door aanhoudende nimby-gevoelens van mondige burgers. Niet verwonderlijk: in het vlakke Nederland is er altijd wel een achtertuin die verpest wordt door de loom draaiende wieken van de 21e eeuwse variant van onze nationale trots (is overigens nooit anders geweest; ook in de Gouden Eeuw, toen ons land meer dan tienduizend windmolens kende, tot op de stadsmuren van Amsterdam aan toe, werd geprotesteerd tegen hun komst).

Maar toch, Duitsland wist met wijs beleid veel te bereiken. Dankzij de Energiewende heeft Duitsland de meeste windcapaciteit per vierkante kilometer in Europa, terwijl het er minder hard waait dan in Nederland. De helft van het geïnstalleerd windvermogen op het Duitse land is in handen van burgers, verenigd in lokale coöperaties of bovenregionale burgerinitiatieven. In Nederland is dit 4 procent. Duitsers ‘sloten zich aaneen om samen windturbines te bouwen, geholpen door een aantrekkelijk en stabiel wettelijk verankerd ondersteuningsregime,’ schrijft het PBL in een vorig jaar verschenen policy brief. Met andere woorden: betrek burgers daadwerkelijk bij de bouw van windmolens, en niet alleen in vrijblijvende inspraakrondes (PBL: ‘Veel participatie- processen zijn in feite een farce, waarbij plannen al lang beklonken zijn’) en ze betalen zelfs mee aan windmolens. Leve de participatiesamenleving, nietwaar Rutte!

Dit door electorale tegenspoed geplaagde kabinet mist een schot voor open doel. Toon meer inzet bij de uitvoering van het Energieakkoord en scoor driemaal bij de volgende verkiezingen: minder regels, meer schone energie en meer banen.

Dit stuk staat ook op vn.nl.