vrijdag 1 oktober 2004 / Internationale Samenwerking /

Nieuws & achtergrond

Een subsidie voor globalisering?

Ophef in de Tweede Kamer: verdwijnen Nederlandse banen naar lagelonenlanden dankzij overheidssubsidies? Steen des aanstoots was de zogeheten TAOM-regeling, een afkorting die staat voor Technische Assistentie Opkomende Markten. De subsidie steunt Nederlandse bedrijven die willen investeren in arme landen die economisch gezien steeds beter presteren (‘opkomende markten’), zoals China, Thailand of Turkije.

Klinkt nobel, banen creëren in arme landen, maar gaat dat niet ten koste van Nederlandse arbeidsplaatsen? Want als een Nederlands bedrijf subsidie krijgt om een investering in bijvoorbeeld een fabriek in China tot een succes te maken, verliezen die Nederlandse werknemers hun baan aan de veel goedkopere Chinese arbeiders? En dat terwijl de Nederlandse economie maar moeizaam uit het dal kruipt en de Chinese economie nu al een grote concurrent is. Is de overheid helemaal gek geworden?

Jaap Wientjes (48) vindt van niet, hij noemt de subsidie zelfs “verstandig beleid”. Wientjes is hoofd van de afdeling Investment Promotion van FMO (Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden) en verantwoordelijk voor de uitvoering van de TAOM-regeling.

Waarom is dit een goede subsidie?
“Deze subsidie financiert de overdracht van kennis en kunde naar landen die economisch aan de weg timmeren. Dat is uit zowel economisch als humaan oogpunt een goede zaak. Zowel de Nederlandse economie als die van het ontwikkelingsland profiteren: Nederlandse bedrijven kunnen goedkoper en efficiënter produceren en het veel armere land kan economisch groeien door meer en betere werkgelegenheid. Dat laatste beschouw ik als een morele plicht: je bent verplicht om kennis en kunde te delen, zeker als je het zoveel beter hebt dan anderen.”

Kunt u een concreet voorbeeld geven?
“Neem een Nederlandse meubelfabriek die de productie van zijn stoelen verplaatst naar een Turkse fabriek. Wij geven subsidie voor bijvoorbeeld managementtrainingen. De Turken leren op die manier beter en efficiënter stoelen te maken en het Nederlandse bedrijf kan goedkopere stoelen verkopen.”

En dat gaat niet ten koste van Nederlandse banen?
“Nee, integendeel. Omdat het Nederlandse bedrijf goedkoper producten kan verkopen, kan het beter concurreren. Ook heeft het bedrijf nu beter toegang tot de markt waar het produceert, bijvoorbeeld Turkije. Het Nederlandse bedrijf zal dus meer winst maken en dat betekent economische groei en dus banenpotentieel. Daarnaast creëer je een nieuwe handelspartner, want als arme landen meer te besteden hebben, kun je beter met ze handeldrijven en dat is goed voor de hele Nederlandse economie. Vergeet niet: Nederland is altijd een handelsnatie geweest, want daar ligt onze kracht.”

Eigenlijk is dit een subsidie ter bevordering van de globalisering.
“Globalisering is niet te stoppen, en je kunt beter mee dan tegen de stroom inzwemmen. Waarom zou je alleen Nederlands grondgebied als investeringsterrein zien? Kijk naar het verleden. Enkele decennia geleden vertrokken de laatste textielfabrieken uit Twente. Dat betekende banenverlies, maar als die Twentse bedrijven hun fabrieken niet naar andere landen hadden verplaatst, waren ze nu allemaal failliet geweest en waren er nog meer banen verloren gegaan. Nu is er zelfs nieuwe economische activiteit voor in de plaats gekomen.”

Hebben Nederlandse bedrijven deze subsidie echt nodig? Als ze niet op eigen kracht in het buitenland kunnen of willen investeren, is het misschien economisch niet rendabel. Waarom zou de Nederlandse overheid economisch onrendabele beslissingen subsidiëren?
“Dat zou inderdaad onverstandig zijn en dat gebeurt ook niet. Deze subsidie is niet bedoeld om bedrijven die eigenlijk niet willen over de streep te trekken. Het is slechts een duwtje in de rug voor bedrijven die wel willen, maar voor wie de drempel te hoog is – het leeuwendeel van het risico wordt gewoon door de bedrijven gedragen.”

Andersglobalisten zullen zeggen dat u het Nederlandse bedrijven helpt om strenge Nederlandse regelgeving op het gebied van milieu en werkomstandigheden te omzeilen.
“Onzin. Iedereen die gebruik maakt van de subsidie moet verklaren en laten zien dat hij of zij zich zal houden aan onze code voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dat betekent onder andere dat je goed zorgt voor het milieu en voor je werknemers. Soms zijn die regels zelfs strenger dan lokale wetgeving. Het is dus precies andersom: deze subsidie zorgt ervoor dat zowel arbeiders als milieu in arme landen er op vooruitgaan.”