zaterdag 9 april 2011 / Vrij Nederland /

Nieuws & achtergrond

Hartendiefje gaat naar school

Jonge ouders bevinden zich in een ondoorzichtig woud wanneer ze een basisschool moeten kiezen. Drie deskundigen wijzen de weg.

Zeuren. Huilen. Spartelen. Onder geen beding wil ze het schoolplein verlaten. ‘Het is hier zo leuk! Ik wil hier blijven!’ Ze is nog geen drie en een half jaar oud, en nu al moet er een beslissing worden genomen die de rest van haar leven kan beïnvloeden: naar welke basisschool gaat ze? Marente weet het zeker: deze school, waar we zojuist een rondleiding hebben gekregen, moet het worden. ‘Mag ik naar deze school? Ik vind deze zo leu-eu-euk!’

Haar ouders zijn een stuk minder zeker. Wat is een goede school? Schoolgidsen lezen als prachtige reclamefolders waarin zelden een zin staat waarmee je het niet eens zou kunnen zijn. Websites zijn summier, inspectierapporten oppervlakkig. Hoe maak je de juiste keuze? Of maakt het allemaal niet zo veel uit?

VN maakte een rondgang langs drie deskundigen die meer weten dan de talloze checklists die op internet circuleren. Bert van Oers is bijzonder hoogleraar cultuurhistorische onderwijspedagogiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam en houdt zich al meer dan 35 jaar bezig met de vraag wat goed onderwijs is. Guuske Ledoux is wetenschappelijk directeur van het Kohnstamm Instituut en doet onderzoek naar kwaliteit van basisscholen en de motieven van ouders bij het kiezen van een school. Paulien Rietveld kent de dagelijkse praktijk van basisscholen door en door dankzij haar lange staat van dienst bij ABC Onderwijsadviseurs dat scholen, leerlingen en ouders bijstaat. 


Maak een weloverwogen keuze…
‘De juiste schoolkeuze begint met je afvragen wat je belangrijk vindt’, zegt hoogleraar Bert van Oers. ‘Wil je ‘ouderwets degelijk’ onderwijs waar leren lezen, schrijven en rekenen het belangrijkste is? Of wil je dat er ook veel aandacht is voor sociale, culturele en creatieve ontwikkeling? Moet de school dichtbij huis liggen of kies je voor een specifieke onderwijsmethode? Veel ouders maken deze keuzes niet voordat ze naar scholen gaan kijken, en dan wordt het keuzeproces onoverzichtelijk. Ga eerst eens goed met elkaar praten voor je een school binnenstapt, zeg ik altijd tegen jonge ouders.’ Het belangrijkste is dat de school bij de ouders en het kind past, zegt Van Oers. ‘Ouders moeten enthousiast zijn over de school. Een kind merkt het als zijn ouders de school maar zo-zo vinden en zich voortdurend ergeren aan wat in hun ogen tekortkomingen zijn. Dat is niet stimulerend.’

Ook wie weinig keuze heeft – dankzij lotingen, grootstedelijk postcodebeleid of gebrek aan scholen in een dorp woont – doet er verstandig aan zich toch goed te oriënteren, zegt onderwijsadviseur Paulien Rietveld. ‘Enkele uitzonderingen daargelaten, valt er altijd wat te kiezen als je bereid bent verder te kijken. Ga ook eens langs bij een school die minder voor de hand ligt, dat kan heel verassend zijn. Misschien kom je toch weer uit op de school die je het eerst op het oog had, maar dan voel je je gesterkt in je keuze.’

Wees ook eerlijk tegenover jezelf. Uit onderzoek van Guuske Ledoux van het Kohnstamm Instituut blijkt dat ouders zeggen hoogdravende criteria te hanteren, maar dat hun keuze uiteindelijk door meer aardse zaken wordt bepaald. ‘Ouders noemen de kwaliteit van een school het belangrijkst, maar als je systematisch doorvraagt, blijkt dat ze vooral willen dat hun kind niet te veel afwijkt van andere kinderen op school. Ze kiezen een school voor ‘Ons Soort Mensen’. Daarna is de afstand tot het huis belangrijk, de sfeer, het profiel – Christelijk, Dalton, Montessori, et cetera – en pas dan komt kwaliteit.’

‘Ook opmerkelijk’, zegt Rietveld, ‘is dat veel ouders een school kiezen die past bij het karakter van hun oudste kind, terwijl ze bij het tweede kind daar nauwelijks meer  op letten. Die volgt gewoon het oudere broertje of zusje. Ouders zijn zich daar zelden bewust van.’ 

 

…maar overschat het belang van je keuze niet
Een geruststelling voor ouders die geplaagd worden door twijfels: de schoolkeuze is niet zo belangrijk voor de toekomst van je kind als je waarschijnlijk denkt. Ledoux: ‘Als er één onomstreden wet in de onderwijskunde is, dan is dat deze: niets correleert hoger met de leerprestaties van een kind dan de opleiding van de ouders. Uit veel onderzoek naar effectiviteit van scholen weten we bijvoorbeeld dat de leerprestaties van een kind voor slechts 20 procent zijn te verklaren door de school, waarvan de helft weer verklaard wordt door de kwaliteit van de leerkracht, een factor waar je als ouder weinig invloed op hebt. De andere 80 procent wordt bepaald door de achtergrond van het kind, zoals de opvoeding en het opleidingsniveau van de ouders.’

Goed nieuws voor ouders in keuzenood dus. Onderwijsadviseur Paulien Rietveld ziet steeds meer ouders worstelen met de schoolkeuze. ‘Ze hebben het er echt moeilijk mee, alsof ze geen vertrouwen in hun eigen inzicht en gevoel hebben. De moderne mens wordt continue voor keuzes gesteld – van ziektekostenverzekeringen tot scholen voor hun kinderen – en ze moeten ook verantwoordelijkheid dragen voor die keuzes. Vroeger kozen ouders gewoon de buurtschool of de school die overeenkwam met hun geloof. Als de sfeer op school niet helmaal optimaal was, moest een kind maar leren daarmee om te gaan. Nu zien ouders hun kind als een project. Alles moet perfect, en dus ook de schoolkeuze. Leerprestaties worden heel belangrijk gevonden.’

 

Negeer cito-scores en inspectierapporten
Wat is een goede of slechte school? Inspectierapporten zouden uitsluitsel moeten geven. Ledoux: ‘Inspectierapporten schetsen een algemeen beeld van de kwaliteit van een school. Lees ze, maar vaar er niet blind op. Soms zijn de rapporten vier jaar oud, en in die tijd kan er veel veranderen op een school. Bovendien zijn er tussen scholen in Nederland weinig kwaliteitsverschillen. De meeste scholen zijn gewoon goed, en dus lijken de inspectierapporten op elkaar.’

Ook cito-scores geven geen uitsluitsel, zegt Van Oers. ‘Ik heb theoretische bezwaren tegen de cito-toets omdat de context van de toets te veel verschilt met wat een kind in de klas leert of hoe het de betreffende kennis en vaardigheden in de toekomst moet gebruiken. Een cito-toets meet voor een groot deel hoe goed een kind een toets kan maken, en te weinig wat een kind aan bruikbare, relevante vaardigheden en kennis heeft geleerd. Sommige scholen en ouders trainen hun kind zelfs op het maken van cito-toetsen, waardoor het vergelijken van scholen onmogelijk wordt.’

Ledoux signaleert nog een ander probleem: de cito-scores die openbaar zijn, zeggen weinig. ‘Een goede school weet de beste leerprestaties uit een kind te halen, waarbij ik voor het gemak belangrijke zaken als sociale omgangsnormen even buiten beschouwing laat. Maar hoe weet je of een school het beste uit je kind haalt? De cito-eindtoets geeft het antwoord niet, want die meet alleen de eindstand. Een goede school heeft een grote toegevoegde waarde, wat wil zeggen dat het kind veel heeft geleerd. Daarvoor moet je het verschil weten tussen het niveau van een kind bij binnenkomst en het niveau wanneer het naar het voortgezet onderwijs gaat. Dit verschil is te berekenen met de toetsen uit het leerlingvolgsysteem dat veel scholen hanteren, maar zo’n berekening is voor de meeste scholen nog niet gedaan. Ouders hebben alleen toegang tot de ongecorrigeerde scores van de cito-eindtoets, en die zeggen niet zoveel over de kwaliteit van een school.’

Sterker: cito-scores kunnen zelfs misleidend zijn. De hoge cito-eindscores van een chique school in Amsterdam-Zuid zegt waarschijnlijk meer over de goede afkomst van de kinderen dan over de toegevoegde waarde van die school. Volgens sommigen zijn elitaire scholen zelfs wat lui omdat ze weinig hoeven te doen om goede scores te behalen. Als je vermoedt dat je kind niet op z’n sloffen het Barleus Gymnasium zal doorlopen, kan het verstandig zijn om het naar een basisschool met lagere cito-scores te sturen. Het zal meer uitgedaagd worden, omdat de school daar intensiever mee bezig is.

Onderwijsminister Marja van Bijsterveldt wil overigens dat cito-toetsen bij binnenkomst van een leerling en bij vertrek worden afgenomen, zodat de toegevoegde waarde van een school bepaald kan worden. Tot die tijd hebben ouders weinig aan cito-scores om een schoolkeuze te maken.

 

Wees niet bang voor een gemengde school
Een twistpunt voor menig (blanke) ouders: zal hun prinsje of prinsesje tot volle wasdom komen op een gemengde school? Deze ouders vrezen dat de andere kinderen laagopgeleide ouders hebben waardoor het niveau lager ligt en hun eigen kinderen minder uitgedaagd worden. Of dat de allochtone kinderen grover in de omgang zijn en hun eigen kind zullen pesten omdat het anders is.

Er is geen reden om bang te zijn voor een gemengde school, zegt Ledoux. ‘We hebben hier jaren onderzoek naar gedaan, en uit onze data is niet af te leiden dat een gemengde basisschool tot slechtere leerprestaties leidt. En, even belangrijk, ook geen effect heeft op het welbevinden van een kind op school.’ Als er meetbare verschillen zijn, zouden die waarschijnlijk eerder nadelig zijn voor kinderen van laagopgeleide ouders. ‘Over het algemeen geldt dat hoogopgeleide ouders zich minder druk hoeven te maken over de kwaliteit van de school. Kinderen van hoogopgeleide ouders komen er toch wel, die krijgen van thuis genoeg bagage mee. Voor zwakkere kinderen is de schoolkeuze belangrijker wat betreft leerprestaties.’

Een blanke, elitaire school voelt voor veel hoogopgeleide ouders veilig: de kinderen lijken op die van hen en hun ouders dragen net als zij gehoornde brillen en bloementjesjurken. Maar er zijn heel goede redenen voor blanke ouders om hun kind naar een gemengde school te laten gaan, zegt Paulien Rietveld: ‘Of je het leuk vindt of niet, je kinderen komen te leven in een gemengde samenleving. Op een gemengde school leren ze omgaan met kinderen uit verschillende culturen en sociale achtergronden, en daar kunnen je kinderen – maar ook de samenleving als geheel – veel profijt van hebben. Mijn inmiddels volwassen zoons maken gemakkelijker contact en voelen zich sneller thuis bij mensen met een andere achtergrond dan vrienden die op een elitaire, witte school en dito clubjes hebben gezeten. Ik denk dat dat mede komt omdat ze in Amsterdam-West zijn opgegroeid en naar een gemengde school zijn gegaan. Bovendien is echt onzin om te denken dat het onderwijsniveau op een gemengde school per definitie lager ligt. Er zijn goede en slechte gemengde scholen, en de meeste zijn gewoon goed. Wel is het belangrijk om na te gaan of de leerkrachten op gemengde scholen goed kunnen omgaan met de verschillende onderwijsniveaus die ontstaan door de sociale ongelijkheid. Dat is best lastig.’


Verdiep je in schooltypes
Wordt het een ‘vernieuwingsschool’, zoals Montessori, Dalton, Jenaplan, Freinet of Vrije School? Of toch gewoon een meer klassikale christelijke of openbare school? Er zijn tal van opvoedkundige redenen om te kiezen voor vernieuwingsscholen, maar horen schoolprestaties daar ook bij?

Vorig jaar publiceerde vaktijdschrift Didaktief onderzoeksresultaten die erop wijzen dat leerlingen in sommige soorten vernieuwingsscholen (ook wel ‘profielscholen’ genoemd) wat achterblijven bij hun leeftijdgenoten in het reguliere basisonderwijs. Ledoux was betrokken bij dit onderzoek, maar ze nuanceert het bericht. ‘De resultaten waren en zijn nog niet rijp. De gevonden verschillen zijn moeilijk interpreteerbaar en we hebben nog geen gegevens over mogelijke oorzaken. We zijn momenteel bezig met vervolgonderzoek, en tot die tijd heb ik nog geen definitief antwoord op de vraag of vernieuwingsscholen tot betere of slechtere leerprestaties leiden.’

Uit de wetenschappelijke literatuur en eigen onderzoek maakt Van Oers evengoed op dat er ‘kleine maar significante verschillen’ zijn te meten tussen leerlingen die regulier, klassikaal onderwijs hebben genoten en kinderen die op vrijere, meer kind-georiënteerde scholen hebben gezeten zoals Montessori- en Daltonscholen. Tot die laatste groep rekent Van Oers ook ‘Ontwikkelingsgericht Onderwijs’ (OGO), een onderwijsvorm die mede door Van Oers ontwikkeld is. OGO-onderwijs wordt in Nederland op circa 700 van de 7.000 basisscholen gegeven. Van Oers: ‘Kort samengevat kun je zeggen dat kinderen op vernieuwingsscholen wat creatiever zijn. Hun denken is wat vrijer en zelfstandiger. Ik merk dat ook aan mijn studenten op de universiteit: ze kunnen soms iets minder goed spellen, maar ze zijn wat creatiever in het vinden van oplossingen.’ Of dat komt door de scholen, is de vraag.

Er is bijvoorbeeld geen onderzoek waaruit blijkt dat Montessori-onderwijs meer succesvolle kunstenaars dan eminente bankdirecteuren oplevert. ‘Het is ook niet mogelijk om dat te bepalen’, zegt Van Oers. ‘Er is sprake van voorselectie: bepaalde ouders kiezen voor zulke scholen, en wat de Franse socioloog Pierre Bourdieu ‘culturele bagage’ noemde, heeft meer invloed op de carrière van een kind dan schooltype.’ De verschillen zullen waarschijnlijk kleiner worden, want scholen worden meer hybride. ‘Echt klassikaal onderwijs wordt er in Nederland nauwelijks meer gegeven. Technieken uit Montessori en Dalton, zoals weektaken, of de kringgesprekken van Jenaplan, vind je ook terug op reguliere scholen. Andersom zijn de vernieuwingsscholen doorgaans minder strikt in de regel dan vroeger.’

Ouders mogen gecharmeerd zijn van een bepaald type onderwijs (niet zelden omdat ze het zelf ook hebben genoten), maar is elk kind geschikt voor Montessori-, Dalton- of Jenaplan-onderwijs, waar een grote nadruk op de zelfstandigheid wordt gelegd? Nee, zegt Rietveld. ‘Niet elk kind gedijt er even goed. Er zijn ouders die hun eerste kind zien opbloeien op een Montessorischool terwijl hun tweede kind toch echt beter af is met meer klassikaal onderwijs. Een van mijn zoons heeft een prima tijd gehad op de Montessorischool, maar onder begeleiding van zijn strenge oma heeft hij in schoolvakanties leren lezen, schrijven en rekenen. Op een ouderwetse, klassikale middelbare school – die hij overigens zelf heeft uitgezocht – deed hij het veel beter.’

Hoe weet je of je hartendiefje van drie geschikt is voor bijvoorbeeld Montessori-onderwijs? Van Oers: ‘Dat weet je niet. En iedereen die zegt het op die leeftijd al te kunnen zien, overspeelt zijn hand.’


Bezoek scholen...
Goed, de fundamentele keuzes zijn gemaakt, nu is het tijd om naar specifieke scholen te kijken. Tip 1: bezoek meerdere scholen, pas dan kun je een goed oordeel vormen. Vergelijk het met een auto kopen. Het eerste model lijkt goed genoeg: de auto rijdt prima en ziet er goed uit. Pas bij de derde showroom kom je er achter dat er ook nog stationwagens zijn en dat het brandstofverbruik flink kan verschillen. Ook bij scholen duurt het even voor je door de verkooppraatjes heenkijkt en saillante details je opvallen. Rietveld: ‘Neem de tijd. Ga eens bij het schoolplein langs tijdens de speelpauze. Hoe verloopt het spelen? Hoe is het toezicht? Kijk bij het uitgaan van de school naar de ouders en hoe ze met hun kinderen omgaan. Vind je het leuke mensen? Zou je je kinderen zonder zorgen bij hen laten spelen? Praat ook met buren en andere ouders die hun kind op de school hebben zitten. Vraag naar hun ervaringen. Herkennen ze jouw zorgen? Hoe staan ze daar nu tegenover? Hebben ze ooit een andere school overwogen? Vraag goed door, want ouders zeggen niet snel dat ze eigenlijk ontevreden zijn over hun school.’

Laat je tijdens het schoolbezoek niet te veel afleiden door vieze wc’s of de nieuwste digitale smart boards. ‘Let vooral op de sfeer’, zegt Ledoux. ‘Bezoek een klas en kijk een tijdje achterin mee. Worden de kinderen bij de les betrokken op een manier die jij prettig vindt? Bezoek, indien mogelijk, ook een klas in de middenbouw waar je kind later komt te zitten. Zit er groot verschil tussen de leerkrachten en hun aanpak? Zo ja, dan wordt het onderwijsbeleid niet eenduidig uitgedragen. Daarover zou je de directeur aan de tand kunnen voelen.’


…en onderwerp de directeur aan een spervuur van vragen
Wees niet bang voor de schooldirecteur. Tenzij ze openbaar zijn, mogen basisscholen kinderen weigeren en dat weerhoudt sommige ouders ervan kritisch door te vragen. Van Oers: ‘De directeur is heel belangrijk voor een school. Hij of zij bewaakt het onderwijskundig beleid, de kwaliteit van de leerkrachten en al die zaken waarvan jij tijdens het keuzeproces hebt bepaald dat je ze belangrijk vindt. Je hoeft geen vriendschap voor het leven te ontwikkelen, maar je moet wel vertrouwen hebben in de directeur. Dat kan alleen als je al je vragen en twijfels kunt voorleggen.’

Wat moet je vragen? Hoe weet je of de directeur geschikt is? ‘Gewoon, door op je gevoel af te gaan’, zegt Rietveld. ‘Heeft de directeur tijd en aandacht voor je? Wordt hij of zij kriegelig als je doorvraagt? Stel naast algemene ook specifieke vragen, zoals ‘Ik zag op het schoolplein of in de klas dat de leerkracht zus of zo deed toen er dit of dat gebeurde. Is dat beleid?’

Het is ook belangrijk dat de school open staat voor de inbreng van ouders, benadrukt Van Oers. ‘Ouders, docenten en directie maken samen de school. Ouders moeten betrokken zijn en inzet tonen en scholen moeten daar ruimte voor creëren.’


Buurtschool of niet?
Goed: de ideale school is gevonden, maar deze ligt niet in de buurt. Wat nu? ‘De ideale school is een goede school die ook nog dicht bij huis staat’, zegt Van Oers. ‘De school is een belangrijk onderdeel van het sociale leven van een kind. Als die ver weg van thuis staat, kan een kind ook niet zomaar even bij vriendjes en vriendinnetjes spelen die meestal wel in de buurt wonen. Ook is het fijn als een kind zelfstandig naar school kan lopen of fietsen, dat is goed voor zijn ontwikkeling. De buurtschool heeft mijn voorkeur, mits deze past bij de opvattingen van de ouders. Maar als de school van je keuze ergens anders ligt, is dat natuurlijk geen ramp. Elke ouder moet hier zijn eigen afweging in maken.’

Tot slot zijn er nog wat praktische zaken te overwegen. Heeft de school een continurooster? Hoe is de buitenschoolse opvang? En, niet onbelangrijk, waar zit de buitenschoolse opvang? Extra reistijd is niet iets waar drukke tweeverdieners op zitten te wachten. En niets komt de schoolprestaties van een kind meer ten goede dan een ontspannen gezinsleven.

Naar welke school gaat Marente? Na vier schoolbezoeken en lange discussies, kozen haar ouders uiteindelijk voor de school waar Marente niet weg te slepen was. Gewoon, omdat ze daar een goed gevoel bij hadden. Marente maakt het overigens weinig uit: elke bezochte school kan rekenen op haar bijna onbegrensde enthousiasme.