Recensie
De weg naar welvaart
Evert Nieuwenhuis
Vrij Nederland, 16 oktober 2004
Recensie: Why Globalization Works van Martin Wolf (Yale University Press, 2005) &
In Defense of Globalization van Jagdish Bhagwati (Oxford University Press, 2005).
Het gaat beter dan ooit met de wereld. De afgelopen twintig jaar daalde de armoede spectaculair: het percentage van de wereldbevolking dat van minder dan een dollar per dag moet leven, halveerde naar eenentwintig procent. Vooral de ontwikkelingslanden worden opgestoten in de vaart der volkeren: sinds 1970 steeg de gemiddelde levensverwachting er van vijfenvijftig naar vierenzestig jaar, daalde de kindersterfte met twintig procent, liep het analfabetisme in rap tempo terug en zakte het percentage ondervoede mensen van vijfendertig naar zeventien procent. Niet te vergeten: meer mensen dan ooit leven in een democratie. En het beste nieuws is: het zal almaar beter gaan. Dankzij globalisering.
Aldus Martin Wolf, chief economics commentator van de Financial Times in zijn boek Why Globalization Works. Wolf richt zich vooral op de economische aspecten van globalisering: het creëren van een geïntegreerde, mondiale markteconomie waarin landsgrenzen geen rol spelen. Om globalisering zo nauw op te vatten en culturele en politieke aspecten buiten beschouwing te laten heeft beperkingen (waarover later meer), maar het maakt zijn betoog ook overzichtelijk. Bij Wolf staat maar één vraag centraal: hoe maken we de armen rijker?
Het antwoord van Wolf is klip en klaar: de vrije markteconomie is de enige weg naar welvaart. Het Westen heeft dat de afgelopen eeuwen overtuigend laten zien, en nu moet de markt de rest van de wereld veroveren. Het is zelfs immoreel om arme landen een van de belangrijkste pijlers van de westerse rijkdom te onthouden. Stel je voor dat de Verenigde Staten uit eenenvijftig losse staten met even zoveel grenzen zouden bestaan, zouden de Verenigde Staten dan ook het rijkste land ter wereld zijn? Nee. Waarom zouden we op mondiaal niveau dan wel grenzen voor handel handhaven?
Wolf schreef een indrukwekkend boek. Het is het meest complete en bestgeschreven pleidooi voor economische globalisering dat tot nu toe is verschenen: intelligenter dan Johan Norbergs Leve de globalisering (2002), uitputtender dan Philippe Legrains Open World: The Truth About Globalization (2003) en scherper dan Thomas Friedmans The Lexus and the Olive Tree: Understanding Globalization (1999). De beste argumenten van anti- en andersglobalisten houdt Wolf tegen het licht om er vervolgens heel wat naar het rijk der fabelen te verwijzen. Buiten multinationals arme arbeiders in ontwikkelinglanden uit? Onzin: ze betalen veel meer loon dan lokale bedrijven en geven met name vrouwen meer zeggenschap over hun leven. Ondermijnen machtige multinationals nationale overheden? Integendeel: wereldwijd groeien overheden juist, net als de ondernemersbelastingen. En zowel de EU als de Verenigde Staten dwongen Microsoft, een van ‘s werelds grootste bedrijven, op de knieën in de strijd tegen Microsofts monopolie. Spelen multinationals arme landen tegen elkaar uit in een race to the bottom als het gaat om arbeids- en milieuwetgeving? Nonsens: wereldwijd ontstaat meer regulering en enkele slimme arme landen spelen investeerders juist tegen elkaar uit. Pikken Chinezen en Polen onze banen in? Ja, en dat is goed nieuws: zij doen zwaar en dom werk dat wij liever niet doen, zodat wij ons kunnen toeleggen op hoogwaardiger werk. Uit de statistieken blijkt dat op de lange termijn iedereen profiteert van vrijhandel. Koele cijfers en heldere analyses ondersteunen Wolfs betoog.

Net als Wolf richt Jagdish Bhagwati in In Defense of Globalization zich op de vraag hoe mondiale armoede bestreden moet worden. Bhagwati behoort tot de meest invloedrijke ontwikkelingseconomen en is voormalig adviseur van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en van VN-secretaris-generaal Kofi Annan. ‘Als een econoom die meestal beschuldigd wordt the world’s foremost freetrader te zijn,’ schrijft Bhagwati, ‘heb ik altijd gepleit voor vrijere handel niet als een doel op zich, maar (in het geval van arme landen als India, waar ik vandaan kom) eerder als een krachtig wapen in het arsenaal van beleidsmaatregelen dat we kunnen aanwenden in de strijd tegen armoede.’ Globalisering en het beslechten van barrières voor handel en investeringen (vrijhandel) leiden weliswaar niet automatisch tot duurzame economische groei, maar zijn er wel onontbeerlijke voorwaarden van. En het tegenovergestelde van vrijhandel - protectionisme - heeft in ieder geval nog nooit enig heil gebracht. Bhagwati verwijst naar India, waar hij als jonge econoom en bureaucraat de planeconomie van India probeerde te sturen. Dat experiment werd in de ogen van Bhagwati een grote mislukking die honderden miljoenen mensen van een beter leven heeft beroofd. Nu India integreert inde wereldeconomie bloeit het land op en is het met China een van de economische grootmachten van de toekomst.
Bhagwati ontleedt het gewraakte fenomeen globalisering met een scherp scalpel. Toch stelt zijn boek teleur. Waar Wolf zijn critici serieus neemt, is Bhagwati badinerend en lijkt hij nauwelijks een boek van een anti- of andersglobalist te hebben gelezen. Niet alleen heeft hij een pedante schrijfstijl (het wemelt van zinloze citaten van Shakespeare en Auden), ook serveert hij geregeld hem onwelgevallige onderzoeken af met de woorden dat ze ‘eenvoudig niet overtuigend’ zijn zonder daar enig argument voor te geven. Dat maakt zijn betoog zo nu en dan, tja, eenvoudig niet overtuigend.

Ook bij het boek van Wolf zijn kanttekeningen te maken. De openmarkteconomie is niet alleen de motor achter de westerse welvaart, schrijft Wolf, maar ook het recept voor heel de wereld. Is dat zo? Er zijn boekenkasten vol geschreven over de vraag waarom het Westen rijker werd dan de rest van de wereld (bijvoorbeeld het indrukwekkende The Wealth and Poverty of Nations van David Landes), en daarin worden heel wat meer factoren besproken dan de markteconomie: klimaat, geografie, cultuur, et cetera. Bij Wolf komen we die nauwelijks tegen. Ook de beroemde stelling van Max Weber dat de protestants-christelijke moraal met zijn nadruk op rationaliteit, spaarzaamheid, zorg voor de toekomst en streven naar winst een belangrijke bijdrage leverde aan het succes van het kapitalisme in Noord-Europa, bespreekt Wolf te summier. Webers stelling is achterhaald, meent Wolf, ‘nu ook katholiek Europa en Oost-Aziatische landen met succes een moderne economie hebben ontwikkeld’. Evengoed, ziet ook Wolf in, zijn ‘sommige culturen beter toegerust om een succes te maken van een vrije economie en maatschappij dan andere’. De vraag welke culturele en sociale factoren voor een succesvolle transformatie naar een open markt bepalend zijn, en of en zo ja hoe deze te beïnvloeden zijn, laat hij evenwel onbesproken. Dat is niet sterk voor een boek met als centrale stelling dat de open markteconomie het beste is voor heel de wereld.
Daarnaast blinken beide boeken niet uit in actualiteit. Zo besteden Wolf en Bhagwati te weinig aandacht aan de bedreiging die het moderne, mondiale terrorisme voor globalisering betekent. Want is Bin Laden niet de machtigste anti-globalist? Thomas Friedman, de The New York Times-columnist die met The Lexus and the Olive Tree (1999) een van enthousiasme bijna hyperventilerend proglobaliseringsboek schreef, zei vorig jaar tijdens een Amsterdamse lezing al dat het voortbestaan van globalisering allesbehalve vanzelfsprekend is. Neem een vuile bom, stop die in een container (waar negentig procent van de wereldhandel in goederen mee vervoerd wordt), en laat die op het station van Chicago ontploffen. De Verenigde Staten zullen hun grenzen zo goed als dichtgooien en economische globalisering is een fenomeen uit het verleden. Wolf erkent dat gevaar, maar gaat er nauwelijks op in. Bhagwati behandelt het probleem helemaal niet. Ook de vraag waarom fundamentalistische terroristen zich verzetten tegen globalisering en wat daarop het beste antwoord is, blijft helaas onbeantwoord.

Belangrijker nog is dat zowel Wolf als Bhagwati het wereldwijde verzet tegen globalisering niet helemaal begrepen lijkt te hebben. Ze richten zich teveel op de in hun ogen verwende westerse jongeren die tijdens de beruchte rellen van Seattle, Praag en Genua de ramen van McDonald’s en Nike ingooien. Maar de jongens en meisjes van Seattle zijn niet zo belangrijk; de anti-globalisten om wie het echt gaat, wonen in een andere wereld. Een deel van hen kwam afgelopen januari in India tijdens het World Social Forum (WSF) bijeen, waar zo’n honderdduizend anti- en andersglobalisten debatteerden over en demonstreerden voor ‘een andere wereld’. De jonge, westerse demonstranten waren zo goed als onzichtbaar tussen de busladingen landloze boeren uit verre Indiase gewesten en de delegaties van vakbondsleiders van de Filippijnse naai-industrie. Dit was het protest van de mensen die de T-shirts van Nike naaien, niet van de jongens en meisjes die de ruiten van Nike-winkels ingooien. Tekenend was dat tijdens een workshop over de privatisering van water bleek dat mensen uit alle arme windstreken van de wereld het over een ding eens waren: drinkwater mag geen deel uitmaken van de mondiale markteconomie. Privatisering van drinkwater betekent in tijden van globalisering verkoop aan westerse multinationals, en dat staat voor het gros van de wereldbevolking gelijk aan neo-imperialisme: vroeger was het een Britse, Spaanse of Franse koloniale macht die het drinkwater beheerde, nu is het een Frans of Amerikaans bedrijf dat de waterkraan bedient.
Onnodige angst, zouden Wolf en Bhagwati antwoorden. Bedrijven zijn veel beter in staat om schoon drinkwater te verkopen dan de overheid. Welke overheden in arme landen bleken de afgelopen decennia in staat om op grote schaal schoon drinkwater te leveren? En wie gaat het kapitaal leveren om de stokoude installaties en leidingen te vervangen? Globalisering biedt juist een kans, die lokaal goed benut moet worden. Maar die redenering gaat voorbij aan het fundamentele bezwaar van de bezoekers aan deze workshop: door globalisering verliezen ze invloed op hun directe leefomgeving. Zij vragen zich af wat er gebeurt als een buurman of zijzelf onverwijld te arm worden en geen interessante klant meer voor de multinational zijn. Globalisering zou voor hen pas vruchten afwerpen als een sterke, democratische en vooral lokale overheid de markt reguleert, zoals in elke goed functionerende markteconomie. Maar zo’n overheid is er in veel landen niet, en deze mensen weten: we hebben meer kans om onze eigen, corrupte overheid te beïnvloeden dan de multinational die in een glazen kantoortoren aan de andere kant van de wereld zetelt. Water is slechts een van de talloze voorbeelden waarom veel mensen in de ontwikkelingslanden anti-globalist zijn. Voor hen - de armen van de wereld, waar het Wolf en Bhagwati allemaal om te doen is - is globalisering geen zegen, maar een bedreiging.
Met name Martin Wolf maakt op overtuigende wijze duidelijk dat economische globalisering en de open markt ‘de krachtigste instrumenten voor het verbeteren van de levenstandaard zijn die ooit zijn uitgevonden’. Maar, zoals Wolf daar direct aan toevoegt, ‘markten hebben staten nodig’. Hoe die staat eruit moet zien, of hoe je een sterke, democratische staat opbouwt in gebieden waar die er niet is en zelfs nooit is geweest, zoals in het overgrote deel van de wereld, gaat zijn boek niet. Een pleidooi voor economische globalisering is dan ook slechts de helft van de oplossing van ‘s werelds grootste probleem: armoede.

Recensie / Review:
Why Globalization Works
Door Martin Wolf
Yale University Press, 398 p., € 36,-

In Defense of Globalization
Door Jagdish Bhagwati
Oxford University Press, 308 p., €
32,-

© Evert Nieuwenhuis / www.evertnieuwenhuis.nl
 
Recensie
De weg naar welvaart
Evert Nieuwenhuis
Vrij Nederland, 16 oktober 2004
Recensie: Why Globalization Works van Martin Wolf (Yale University Press, 2005) &
In Defense of Globalization van Jagdish Bhagwati (Oxford University Press, 2005).
Het gaat beter dan ooit met de wereld. De afgelopen twintig jaar daalde de armoede spectaculair: het percentage van de wereldbevolking dat van minder dan een dollar per dag moet leven, halveerde naar eenentwintig procent. Vooral de ontwikkelingslanden worden opgestoten in de vaart der volkeren: sinds 1970 steeg de gemiddelde levensverwachting er van vijfenvijftig naar vierenzestig jaar, daalde de kindersterfte met twintig procent, liep het analfabetisme in rap tempo terug en zakte het percentage ondervoede mensen van vijfendertig naar zeventien procent. Niet te vergeten: meer mensen dan ooit leven in een democratie. En het beste nieuws is: het zal almaar beter gaan. Dankzij globalisering.
Aldus Martin Wolf, chief economics commentator van de Financial Times in zijn boek Why Globalization Works. Wolf richt zich vooral op de economische aspecten van globalisering: het creëren van een geïntegreerde, mondiale markteconomie waarin landsgrenzen geen rol spelen. Om globalisering zo nauw op te vatten en culturele en politieke aspecten buiten beschouwing te laten heeft beperkingen (waarover later meer), maar het maakt zijn betoog ook overzichtelijk. Bij Wolf staat maar één vraag centraal: hoe maken we de armen rijker?
Het antwoord van Wolf is klip en klaar: de vrije markteconomie is de enige weg naar welvaart. Het Westen heeft dat de afgelopen eeuwen overtuigend laten zien, en nu moet de markt de rest van de wereld veroveren. Het is zelfs immoreel om arme landen een van de belangrijkste pijlers van de westerse rijkdom te onthouden. Stel je voor dat de Verenigde Staten uit eenenvijftig losse staten met even zoveel grenzen zouden bestaan, zouden de Verenigde Staten dan ook het rijkste land ter wereld zijn? Nee. Waarom zouden we op mondiaal niveau dan wel grenzen voor handel handhaven?
Wolf schreef een indrukwekkend boek. Het is het meest complete en bestgeschreven pleidooi voor economische globalisering dat tot nu toe is verschenen: intelligenter dan Johan Norbergs Leve de globalisering (2002), uitputtender dan Philippe Legrains Open World: The Truth About Globalization (2003) en scherper dan Thomas Friedmans The Lexus and the Olive Tree: Understanding Globalization (1999). De beste argumenten van anti- en andersglobalisten houdt Wolf tegen het licht om er vervolgens heel wat naar het rijk der fabelen te verwijzen. Buiten multinationals arme arbeiders in ontwikkelinglanden uit? Onzin: ze betalen veel meer loon dan lokale bedrijven en geven met name vrouwen meer zeggenschap over hun leven. Ondermijnen machtige multinationals nationale overheden? Integendeel: wereldwijd groeien overheden juist, net als de ondernemersbelastingen. En zowel de EU als de Verenigde Staten dwongen Microsoft, een van ‘s werelds grootste bedrijven, op de knieën in de strijd tegen Microsofts monopolie. Spelen multinationals arme landen tegen elkaar uit in een race to the bottom als het gaat om arbeids- en milieuwetgeving? Nonsens: wereldwijd ontstaat meer regulering en enkele slimme arme landen spelen investeerders juist tegen elkaar uit. Pikken Chinezen en Polen onze banen in? Ja, en dat is goed nieuws: zij doen zwaar en dom werk dat wij liever niet doen, zodat wij ons kunnen toeleggen op hoogwaardiger werk. Uit de statistieken blijkt dat op de lange termijn iedereen profiteert van vrijhandel. Koele cijfers en heldere analyses ondersteunen Wolfs betoog.

Net als Wolf richt Jagdish Bhagwati in In Defense of Globalization zich op de vraag hoe mondiale armoede bestreden moet worden. Bhagwati behoort tot de meest invloedrijke ontwikkelingseconomen en is voormalig adviseur van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en van VN-secretaris-generaal Kofi Annan. ‘Als een econoom die meestal beschuldigd wordt the world’s foremost freetrader te zijn,’ schrijft Bhagwati, ‘heb ik altijd gepleit voor vrijere handel niet als een doel op zich, maar (in het geval van arme landen als India, waar ik vandaan kom) eerder als een krachtig wapen in het arsenaal van beleidsmaatregelen dat we kunnen aanwenden in de strijd tegen armoede.’ Globalisering en het beslechten van barrières voor handel en investeringen (vrijhandel) leiden weliswaar niet automatisch tot duurzame economische groei, maar zijn er wel onontbeerlijke voorwaarden van. En het tegenovergestelde van vrijhandel - protectionisme - heeft in ieder geval nog nooit enig heil gebracht. Bhagwati verwijst naar India, waar hij als jonge econoom en bureaucraat de planeconomie van India probeerde te sturen. Dat experiment werd in de ogen van Bhagwati een grote mislukking die honderden miljoenen mensen van een beter leven heeft beroofd. Nu India integreert inde wereldeconomie bloeit het land op en is het met China een van de economische grootmachten van de toekomst.
Bhagwati ontleedt het gewraakte fenomeen globalisering met een scherp scalpel. Toch stelt zijn boek teleur. Waar Wolf zijn critici serieus neemt, is Bhagwati badinerend en lijkt hij nauwelijks een boek van een anti- of andersglobalist te hebben gelezen. Niet alleen heeft hij een pedante schrijfstijl (het wemelt van zinloze citaten van Shakespeare en Auden), ook serveert hij geregeld hem onwelgevallige onderzoeken af met de woorden dat ze ‘eenvoudig niet overtuigend’ zijn zonder daar enig argument voor te geven. Dat maakt zijn betoog zo nu en dan, tja, eenvoudig niet overtuigend.

Ook bij het boek van Wolf zijn kanttekeningen te maken. De openmarkteconomie is niet alleen de motor achter de westerse welvaart, schrijft Wolf, maar ook het recept voor heel de wereld. Is dat zo? Er zijn boekenkasten vol geschreven over de vraag waarom het Westen rijker werd dan de rest van de wereld (bijvoorbeeld het indrukwekkende The Wealth and Poverty of Nations van David Landes), en daarin worden heel wat meer factoren besproken dan de markteconomie: klimaat, geografie, cultuur, et cetera. Bij Wolf komen we die nauwelijks tegen. Ook de beroemde stelling van Max Weber dat de protestants-christelijke moraal met zijn nadruk op rationaliteit, spaarzaamheid, zorg voor de toekomst en streven naar winst een belangrijke bijdrage leverde aan het succes van het kapitalisme in Noord-Europa, bespreekt Wolf te summier. Webers stelling is achterhaald, meent Wolf, ‘nu ook katholiek Europa en Oost-Aziatische landen met succes een moderne economie hebben ontwikkeld’. Evengoed, ziet ook Wolf in, zijn ‘sommige culturen beter toegerust om een succes te maken van een vrije economie en maatschappij dan andere’. De vraag welke culturele en sociale factoren voor een succesvolle transformatie naar een open markt bepalend zijn, en of en zo ja hoe deze te beïnvloeden zijn, laat hij evenwel onbesproken. Dat is niet sterk voor een boek met als centrale stelling dat de open markteconomie het beste is voor heel de wereld.
Daarnaast blinken beide boeken niet uit in actualiteit. Zo besteden Wolf en Bhagwati te weinig aandacht aan de bedreiging die het moderne, mondiale terrorisme voor globalisering betekent. Want is Bin Laden niet de machtigste anti-globalist? Thomas Friedman, de The New York Times-columnist die met The Lexus and the Olive Tree (1999) een van enthousiasme bijna hyperventilerend proglobaliseringsboek schreef, zei vorig jaar tijdens een Amsterdamse lezing al dat het voortbestaan van globalisering allesbehalve vanzelfsprekend is. Neem een vuile bom, stop die in een container (waar negentig procent van de wereldhandel in goederen mee vervoerd wordt), en laat die op het station van Chicago ontploffen. De Verenigde Staten zullen hun grenzen zo goed als dichtgooien en economische globalisering is een fenomeen uit het verleden. Wolf erkent dat gevaar, maar gaat er nauwelijks op in. Bhagwati behandelt het probleem helemaal niet. Ook de vraag waarom fundamentalistische terroristen zich verzetten tegen globalisering en wat daarop het beste antwoord is, blijft helaas onbeantwoord.

Belangrijker nog is dat zowel Wolf als Bhagwati het wereldwijde verzet tegen globalisering niet helemaal begrepen lijkt te hebben. Ze richten zich teveel op de in hun ogen verwende westerse jongeren die tijdens de beruchte rellen van Seattle, Praag en Genua de ramen van McDonald’s en Nike ingooien. Maar de jongens en meisjes van Seattle zijn niet zo belangrijk; de anti-globalisten om wie het echt gaat, wonen in een andere wereld. Een deel van hen kwam afgelopen januari in India tijdens het World Social Forum (WSF) bijeen, waar zo’n honderdduizend anti- en andersglobalisten debatteerden over en demonstreerden voor ‘een andere wereld’. De jonge, westerse demonstranten waren zo goed als onzichtbaar tussen de busladingen landloze boeren uit verre Indiase gewesten en de delegaties van vakbondsleiders van de Filippijnse naai-industrie. Dit was het protest van de mensen die de T-shirts van Nike naaien, niet van de jongens en meisjes die de ruiten van Nike-winkels ingooien. Tekenend was dat tijdens een workshop over de privatisering van water bleek dat mensen uit alle arme windstreken van de wereld het over een ding eens waren: drinkwater mag geen deel uitmaken van de mondiale markteconomie. Privatisering van drinkwater betekent in tijden van globalisering verkoop aan westerse multinationals, en dat staat voor het gros van de wereldbevolking gelijk aan neo-imperialisme: vroeger was het een Britse, Spaanse of Franse koloniale macht die het drinkwater beheerde, nu is het een Frans of Amerikaans bedrijf dat de waterkraan bedient.
Onnodige angst, zouden Wolf en Bhagwati antwoorden. Bedrijven zijn veel beter in staat om schoon drinkwater te verkopen dan de overheid. Welke overheden in arme landen bleken de afgelopen decennia in staat om op grote schaal schoon drinkwater te leveren? En wie gaat het kapitaal leveren om de stokoude installaties en leidingen te vervangen? Globalisering biedt juist een kans, die lokaal goed benut moet worden. Maar die redenering gaat voorbij aan het fundamentele bezwaar van de bezoekers aan deze workshop: door globalisering verliezen ze invloed op hun directe leefomgeving. Zij vragen zich af wat er gebeurt als een buurman of zijzelf onverwijld te arm worden en geen interessante klant meer voor de multinational zijn. Globalisering zou voor hen pas vruchten afwerpen als een sterke, democratische en vooral lokale overheid de markt reguleert, zoals in elke goed functionerende markteconomie. Maar zo’n overheid is er in veel landen niet, en deze mensen weten: we hebben meer kans om onze eigen, corrupte overheid te beïnvloeden dan de multinational die in een glazen kantoortoren aan de andere kant van de wereld zetelt. Water is slechts een van de talloze voorbeelden waarom veel mensen in de ontwikkelingslanden anti-globalist zijn. Voor hen - de armen van de wereld, waar het Wolf en Bhagwati allemaal om te doen is - is globalisering geen zegen, maar een bedreiging.
Met name Martin Wolf maakt op overtuigende wijze duidelijk dat economische globalisering en de open markt ‘de krachtigste instrumenten voor het verbeteren van de levenstandaard zijn die ooit zijn uitgevonden’. Maar, zoals Wolf daar direct aan toevoegt, ‘markten hebben staten nodig’. Hoe die staat eruit moet zien, of hoe je een sterke, democratische staat opbouwt in gebieden waar die er niet is en zelfs nooit is geweest, zoals in het overgrote deel van de wereld, gaat zijn boek niet. Een pleidooi voor economische globalisering is dan ook slechts de helft van de oplossing van ‘s werelds grootste probleem: armoede.

Recensie / Review:
Why Globalization Works
Door Martin Wolf
Yale University Press, 398 p., € 36,-

In Defense of Globalization
Door Jagdish Bhagwati
Oxford University Press, 308 p., €
32,-

© Evert Nieuwenhuis / www.evertnieuwenhuis.nl