Eerlijk consumeren
Humaan gemaakt: ja/nee
Evert Nieuwenhuis
de Volkskrant, 24 juni 2006
De Gelderlander, 23 september 2006
Eerlijke mode is in. Is het meer dan een trend? Zijn wij echt bereid om meer te betalen voor kleiding die onder menswaardige omstandigheden is gemaakt? Nee, leert het verleden. De oplossing? Vertel westerse consumenten de waarheid: certificeer kleding. Hier is een glansrol weggelegd voor de overheid, de grote afwezige in de discussie over maatschappelijk verantwoord ondernemen.
 Foto afkomstig uit de documentaire China Blue van Micha X. Peled

Dit is Jasmine (rechts op de foto). Zij maakt uw spijkerbroek.
Jasmine is 16 en werkt in een doodgewone textielfabriek in China. De helft van alle nieuwe kleding in de wereld wordt momenteel in China gemaakt. Jasmine knipt de stiksels af die de naaimachines achterlaten. Saai en zwaar werk. Als er grote orders zijn, werkt ze soms wel achttien uur per dag. Overwerk wordt niet extra betaald, en ze moet maar afwachten wanneer haar bazen haar loon uitbetalen. Al met al verdient Jasmine net genoeg om af en toe wat kleingeld naar haar ouders te sturen.
Jasmine het meisje in de lichtblauwe jas. Op verzoek van een Chinese activiste doet zij met een collega voor hoe fabrieksmeisjes in een nabijgelegen fabriek zichzelf wakker houden. Net als Jasmine moeten zij regelmatig nachtenlang doorwerken. Soms zijn de meisjes zo moe, dat ze hun ogen niet meer kunnen openhouden. Dan halen ze hun knijpers tevoorschijn en gaan ze weer verder met werken.
Jasmine is er een uit talloos veel miljoenen. Volgens gangbare schattingen kent China zo’n 150 miljoen binnenlandse migranten die naar the bright lights of the big city trekken, op zoek naar werk en welvaart. Het zijn de Jasmines van deze wereld die onze spijkerbroeken, televisies en het speelgoed voor onze kinderen maken. Zonder hun lage lonen zouden veel van onze lievelingsproducten onbetaalbaar zijn. De meeste Chinese arbeiders werken onder slechte omstandigheden: we moeten er niet aan denken dat wijzelf, onze zusters of onze dochters er zouden werken. China Labor Watch, een onafhankelijke organisatie die onderzoek doet naar arbeidsomstandigheden, schreef onlangs in een rapport over Chinese fabrikanten die speelgoed voor westerse consumenten maken: “In de fabrieken worden mensen gedwongen vijftien tot negentien uur per dag te werken, zeven dagen per week. Bij hun eentonige werk lopen ze blaren, bloedende handen en huidkwalen op.”

Wat kunnen wij, westerse consumenten, doen om Jasmine en haar collega’s te helpen? Wie hen echt wil helpen, doet niets, menen liberale economen die voor vrijhandel pleiten. Zij hebben sterke argumenten.
In haar boek The Travels of a T-shirt in the Global Economy reist de Amerikaanse hoogleraar economie Petra Rivoli haar T-shirt achterna. Op een boulevard in Florida koopt ze een T-shirt met een vrolijke opdruk van een strand met palmbomen. Made in China. Rivoli reist naar de Texaanse katoenvelden waar de katoen werd geplukt, ze praat met de zusjes van Jasmine die het T-shirt in elkaar naaien en ze reist terug naar de Amerikaanse importeur. Ze reist zelfs naar Tanzania, waar haar T-shirt op de tweedehandsmarkt wordt verkocht. Rivoli’s boek is een road movie door de moderne wereldeconomie.
Rivoli plaatst haar bevindingen in een historisch perspectief. Sinds de Industriële Revolutie blijken de handen die onze kledingstukken in elkaar zetten, vrijwel altijd van boerenmeisjes te zijn. Zij werkten in de volgepakte naaifabrieken van Manchester in de negentiende eeuw, maar ook in de latere centra van textielproductie: de Verenigde Staten, Japan, Korea, Taiwan en China.
Ondanks hun verschrikkingen boden de zogeheten ‘sweatshops’ betere omstandigheden dan het harde leven op het kansloze platteland, vonden en vinden de boerenmeisjes. Rivoli citeert uit vergeelde dagboeken van Britse en Amerikaanse textielarbeiders, maar laat ook de Chinese naaisters aan het woord die zich op dit moment buigen over de komende voorjaarsmode. In sweatshops ontstijgen ze naar eigen zeggen de armoede.
Bovendien zijn alle landen die vroeger sweatshops hadden nu economisch sterk ontwikkeld. Denk aan Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Japan en over enkele decennia, China. In de grote fabriekshallen van Manchester, waar vroeger de arme Britse boerenmeisjes zich letterlijk en figuurlijk een ongeluk werkten, feesten nu jongens en meisjes van dezelfde leeftijd tot diep in de nacht op houseparty’s. Ook in de voormalige sweatshops van New York werken nu hippe designers en IT-bedrijfjes tegen torenhoge lonen. Kortom: de weg naar welvaart begint in sweatshops.


Foto afkomstig uit de documentaire China Blue van Micha X. Peled

Toch wringt dit pleidooi voor vrije handel. Is het echt nodig dat honderden miljoenen mensen eerst door een woestijn vol ontberingen moeten trekken voor ze het beloofde land bereiken? Jasmine’s kinderen en kleinkinderen mogen het waarschijnlijk beter krijgen, ondertussen moet zij nog decennia leven en werken in omstandigheden die wij in eigen land al minstens een eeuw ontoelaatbaar vinden.
Gelukkig kent vrije handel een alternatief: eerlijke handel. Bij eerlijke handel regeren niet de wetten van de vrije markt, maar gelden regels die zorgen voor goede arbeidsomstandigheden, adequate milieubescherming en redelijke lonen. Steeds meer bedrijven en consumenten kiezen voor ‘eerlijke producten’ (zie kader). Trendwatcher Hilde Roothart signaleert een “duidelijke toename van betrokkenheid en verantwoordelijkheid bij consumenten,” vertelde ze onlangs aan ochtendblad Sp!ts, en zijn er “steeds meer bedrijven die hierop inspelen, voornamelijk kledingmerken”.
Een positieve trend, dat zeker. Maar ik ben bang dat de Jasmines aller landen er niet veel beter van worden. Het groeiende leger van eerlijke consumenten blijft te klein en de keuze voor eerlijke producten is nog altijd te vrijblijvend. Uit talrijke onderzoeken blijkt dat een meerderheid van het Nederlandse winkelpubliek positief staat tegenover eerlijke handel en milieuvriendelijke producten. Maar slechts een minderheid is bereid om de daad bij het woord te voegen. Bij de kassa is onze portemonnee belangrijker dan ons geweten.
Neem Max Havelaar-koffie, een product dat wereldwijd als pionier wordt beschouwd. Op de dag van de marktintroductie, in 1988, toog initiatiefnemer Nico Roozen naar de supermarkt om te kijken hoe de consument op zijn eerlijke waar zou reageren. Het werd “een schokkende ervaring” voor de commerciële wereldverbeteraar. “Ik wilde zien wat er gebeurde”, schrijft hij in zijn boek Fair trade – Het verhaal achter Max Havelaar-koffie, Oké-bananen en Kuyichi-jeans, “en stond een tijdlang te kijken naar het gedrag van de klanten. Welk pak koffie kozen ze? Na een paar uur wist ik het eigenlijk al: we zouden blijven steken op een bescheiden percentage. Ik zag met eigen ogen dat niet zeven, maar twee op de honderd consumenten een pak Max Havelaar-koffie in het karretje legden.” Nu, bijna twintig jaar later, koopt drie op de honderd consumenten Max Havelaar-koffie. Roozen: “We hebben ons gewoon verkeken op de koper: te weinig consumenten nemen hun verantwoordelijkheid.”

Waarom laat ons geweten ons bij de kassa in de steek? De belangrijkste reden is, denk ik, dat het ons consumenten te gemakkelijk wordt gemaakt. Neem vlees uit de bio-industrie: iedereen is erop tegen, maar iedereen koopt het. We weten dat een kipfiletje van twee euro of een biefstukje van drie euro niet deugt, want alleen vlees uit de bio-industrie kan zo goedkoop zijn. Maar ja, dat prachtig roze kipfiletje en dat sappige biefstukje lachen ons toe, en dus leggen we het in de winkelwagen. Wanneer boven het vleesvak foto’s zouden hangen die onverbloemd het lijden tonen van de kippen en koeien in de bio-industrie, dan zal de kooplust ons snel vergaan.
Zo werkt het ook met kleding. Aan die prachtige spijkerbroek kleven bloed, zweet en tranen van Jasmine, maar dat zien we niet in de passpiegel. Wie eerlijke kleding wil bevorderen, moet het lijden van Jasmine zichtbaar maken. Hoe? Bijvoorbeeld met webcams in de Chinese fabrieken die in verbinding staan met computers in Nederlandse spijkerbroekenwinkels. De klant scant een label van de spijkerbroek, en ziet waar zijn aan te schaffen jeans vandaan komt. Indien gewenst kan de klant bij de kassa aanvullende informatie over de fabriek printen. Enkele biologische boeren bieden al de mogelijkheid om via internet een kijkje in hun stallen te nemen.
Aan een systeem met webcams kleven nogal wat praktische bezwaren. Chinese fabrikanten willen niet meewerken (waarom zouden ze) en het is kostbaar (Levi’s heeft bijvoorbeeld meer dan duizend toeleveranciers). Maar de consument beter informeren over de ontstaansgeschiedenis van zijn nieuwe aankoop, kan ook eenvoudiger: verplichte certificering. Hier is een glansrol weggelegd voor de overheid, een woord dat in de discussie over maatschappelijk verantwoord ondernemen al jaren niet meer te horen is.
Wat houdt verplichte certificering in? De Europese Unie moet het certificeren van jeans verplicht stellen (Nederland kan dat niet op eigen houtje doen, dit soort zaken worden op Europees niveau bepaald). Op het label van elke spijkerbroek die in Europa wordt verkocht, moet duidelijk vermeld staan of het gemaakt is onder menswaardige omstandigheden of niet. Dit geldt natuurlijk ook voor speelgoed, elektronica en al die andere producten waarvan we weten dat ze vaak onder negentiende-eeuwse omstandigheden worden gemaakt. Ook zouden milieukenmerken gecertificeerd kunnen worden. Maar laten we even bij spijkerbroeken en arbeidsomstandigheden blijven.
Het label heeft een herkenbare kleur en heeft de volgende tekst: “Dit product is gemaakt onder humane omstandigheden: JA / NEE”. Wanneer een product in aanmerking komt voor de categorie JA, is gemakkelijk te bepalen. De International Labour Organization, een VN-agentschap, kent een serie arbeidsnormen die internationaal als standaard gelden. De belangrijkste acht daarvan staan centraal in bijna alle gedragscodes die bedrijven zelf opstellen (zie kader).
Een variant is om niet alleen de categorieën JA / NEE te hanteren, maar informatie te geven over meerdere kenmerken. Denk aan het maximaal aantal werkuren per dag, de aanwezigheid van vrije vakbonden, veilige werkomstandigheden, et cetera. Herkenbare iconen helpen de consument, zoals de Kijkwijzer dat voor ouders van filmkijkende kinderen doet (iconen geven aan of een film bijvoorbeeld geweld, seks of grof taalgebruik bevat). De consument kan dan zelf bepalen of hij of zij twaalf werkuren per dag acceptabel vindt, of dat het gebrek aan vrije vakbonden opweegt tegen veilige werkomstandigheden.

Verplichte certificering lost niet alle problemen op. Nog altijd wordt een beroep gedaan op het geweten van de consument, en dus kan de consument kiezen voor die foute, vaak goedkopere spijkerbroek. Helaas zijn verdergaande oplossingen niet haalbaar. De overheid zou bijvoorbeeld de import van foute producten kunnen verbieden. Maar vind nog maar iemand in Twente die voor een Chinees loontje spijkerbroeken wil maken. Bovendien zullen lagelonenlanden als China hun recht halen bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO). WTO-regels verbieden namelijk het weren van import vanwege slechte arbeidsomstandigheden of zelfs kinderarbeid.
Wie de wereld wil verbeteren, moet praktisch en realistisch zijn. Gelukkig is verplichte certificering een reële optie die direct grote voordelen biedt. Ten eerste wordt de consument met de neus op de feiten gedrukt – ons ‘ich habe es nicht gewusst’ is niet meer geloofwaardig. Daarnaast is verplichte certificering niet in strijd met de WTO-regels. Buitenlandse producten mogen niet geweigerd worden vanwege slechte arbeidsomstandigheden, maar het is niet verboden om certificering te eisen (zolang je maar niet discrimineert op land van herkomst). Ten derde komt er een einde aan de verwarring rondom labels. Uit onderzoek van de Consumentenbond blijkt dat veel consumenten door de wildgroei aan labels en keurmerken het bos niet meer zien. Een uniform label biedt uitkomst.
Een ander belangrijk voordeel is dat corrupte overheden omzeild worden. Bij verplichte certificering is het bijvoorbeeld niet de door en door corrupte Chinese overheid die controleert of fabrieken zich aan de voorschriften houden. Dat doen westerse bedrijven die de spijkerbroeken verkopen. In Europa is het namelijk verboden om tegen consumenten te liegen. Als uit onafhankelijke controles blijkt dat de kledingmerken onjuiste informatie geven, leidt dat niet alleen tot imagoschade, maar kunnen ze ook hier bestraft worden. Dit geeft activisten een stok om mee te slaan.
Bedrijven klagen vaak dat het zo moeilijk is om te controleren of toeleveranciers zich aan hun gedragscodes houden. Dat is ongeloofwaardig. Textielbedrijven als H&M en Zara weten op elk willekeurig moment exact hoeveel gele en blauwe T-shirts in maatje small in de fabrieken op transport wachten. Kwaliteitscontroles zijn streng en de hoofdkantoren weten precies welke ploeg op welk moment in welke fabriek een foutje maakte. Maar controle van arbeidsomstandigheden bij hun toeleveranciers, zou te ingewikkeld zijn. Wellicht is verplichte certificering het duwtje dat de textielfirma’s nodig hebben.
Bovenal heeft certificering bewezen heel effectief te zijn. Neem kippeneieren. Fabrikanten moeten van de EU op de verpakking aangeven of hun eieren gelegd zijn door scharrelkippen of niet (zie www.eicode.nl). Het gevolg is dat Albert Heijn al vijftien jaar geen legbatterijeieren meer verkoopt. Niemand wil ze meer kopen. Ook wasmachines, koelkasten en vaatwassers kennen labels die aangeven hoe zuinig of vervuilend ze zijn. Wie onlangs een wasmachine heeft gekocht, weet dat geen enkel zichzelf respecterende winkel machines verkoopt zonder het hoogst haalbare A-label. De certificering van genetisch gemodificeerd voedsel is een ander voorbeeld. Wereldwijd wordt steeds meer genetisch gemodificeerd voedsel gegeten. Behalve in de EU. De EU verplicht fabrikanten om duidelijk op het etiket te vermelden als hun product genetische gemanipuleerde ingrediënten bevat, ook als het geïmporteerd is. De Europese consument moet niets van ‘Frankensteinvoedsel’ hebben, en in Europa wordt dan ook hoegenaamd geen genetisch versleuteld eten verkocht. In al deze voorbeelden vindt de overheid dat u moet weten wat u koopt. Waarom zijn spijkerbroeken een uitzondering?
Met verplichte certificering is uw rol niet uitgespeeld. U moet nog altijd kiezen tussen een goedkopere, foute spijkerbroek en een iets duurdere, eerlijke spijkerbroek. De EU vindt de leefomstandigheden van een Europese kip belangrijker dan die van een Chinese fabrieksarbeidster als Jasmine. U niet, toch?

Eerlijke mode: de trend
Sinds het begin van de jaren negentig, toen de eerste sweatshop-schandalen van multinationals als Nike en Reebok in de media breed werden uitgemeten, beloofden veel textielgiganten beterschap. Alle grote merken hebben tegenwoordig het begrip ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ voorin de mond. Naast traditionele financiële verslagen publiceren textielbedrijven duurzaamheidsverslagen die de juiste verhouding tussen people, planet en profit weergeven. Ook onderling spreken bedrijven gedragscodes af die negentiende-eeuwse werkomstandigheden definitief tot het verleden moeten laten behoren. Zo sloot textielgigant H&M zich dit jaar aan bij Fair Labor Association, een internationale, onafhankelijke organisatie die arbeidsomstandigheden controleert.
Kritische voorvechters van eerlijke handel richten zich minder op consumenten dan voorheen. Zij willen nu vooral bedrijven aanzetten om eerlijke producten op de markt te brengen, en gaan daarom samenwerkingsverbanden aan met textielproducenten. Een goed voorbeeld is het Nederlandse Fair Wear Foundation, een initiatief van ondernemersorganisaties in de modebranche, de vakbeweging en andere maatschappelijke organisaties. Een ander voorbeeld is Made-By, een ‘schaduw label’ dat textielfabrikanten mogen voeren voor producten die aan duurzaamheidscriteria voldoen. Dit jaar introduceert Made-By een tracking and tracing systeem. De klant tikt op een website een code in en ziet welk traject zijn nieuwe aanwinst heeft afgelegd.
Grote merken willen de gewetensvolle consument graag bedienen. Puma begint een eko-lijn. Nike is sinds kort ‘s werelds grootste afnemer van biologische katoen. Timberland vermeldt op zijn schoenendozen in welke verantwoorde fabriek de schoenen zijn gemaakt. Andere, kleinere merken profileren zich als honderd procent kosjer, zoals de labels Kuyichi en Loomstate. Ali Hewson, de vrouw van rockster Bono, bracht onlangs het verantwoorde label Edun op de markt.
Er zijn ook steeds meer winkels die louter eerlijk kleding verkopen. YOI Store, opgericht door een studente van de modeacademie, verkoopt al enige jaren ‘hiphonest’ kleding. American Apparel (naar eigen zeggen “de hoogste lonen in de kledingindustrie”) opende eerder dit jaar zijn eerste winkel in Amsterdam. En vorige maand opende Yorin-presentatrice Floortje Dessing in de Amsterdamse Haarlemmerstraat Nuku Hiva, een “conceptstore” met “betrokken, verantwoorde en stylish” kleding.

 

Wat wil de consument?
Meer dan driekwart van de Nederlanders vindt het belangrijk dat kleding en schoenen op een ‘maatschappelijke verantwoorde’ manier worden gemaakt, blijkt uit onderzoek van vakblad Textillia. Twintig procent van die groep is bereid om iets meer te betalen voor ‘eerlijke kleding’, maar zesentwintig procent van die groep is niet bereid om meer te betalen. Met name vrouwen zijn eerder bereid dieper in de buidel te tasten dan mannen (30 procent versus 22 procent). De groep die zegt dat het hen niet kan schelen hoe hun kleding wordt gemaakt, bestaat uit bovengemiddeld veel mannen en 25 tot 34 jarigen, aldus Textilia.

 

Meer weten?
www.chinalaborwatch.org
www.fairwear.nl
www.goedewaar.nl
www.hetisgroenenhet.nl
www.kuyichi.com
www.made-by.nl
www.schonekleren.nl
www.stoerevrouwen.nl
www.trueblue.nl
www.yoi.nu

Evert Nieuwenhuis is journalist en auteur van De Grote Globaliseringsgids - van Aandeelhouder tot Zapatista (Van Gennep, 2005).
Dit artikel is gebaseerd op een lezing die hij eerder aan de Universiteit van Amsterdam gaf.

© Evert Nieuwenhuis / www.evertnieuwenhuis.nl
 
Eerlijk consumeren
Humaan gemaakt: ja/nee
Evert Nieuwenhuis
de Volkskrant, 24 juni 2006
De Gelderlander, 23 september 2006
Eerlijke mode is in. Is het meer dan een trend? Zijn wij echt bereid om meer te betalen voor kleiding die onder menswaardige omstandigheden is gemaakt? Nee, leert het verleden. De oplossing? Vertel westerse consumenten de waarheid: certificeer kleding. Hier is een glansrol weggelegd voor de overheid, de grote afwezige in de discussie over maatschappelijk verantwoord ondernemen.
 Foto afkomstig uit de documentaire China Blue van Micha X. Peled

Dit is Jasmine (rechts op de foto). Zij maakt uw spijkerbroek.
Jasmine is 16 en werkt in een doodgewone textielfabriek in China. De helft van alle nieuwe kleding in de wereld wordt momenteel in China gemaakt. Jasmine knipt de stiksels af die de naaimachines achterlaten. Saai en zwaar werk. Als er grote orders zijn, werkt ze soms wel achttien uur per dag. Overwerk wordt niet extra betaald, en ze moet maar afwachten wanneer haar bazen haar loon uitbetalen. Al met al verdient Jasmine net genoeg om af en toe wat kleingeld naar haar ouders te sturen.
Jasmine het meisje in de lichtblauwe jas. Op verzoek van een Chinese activiste doet zij met een collega voor hoe fabrieksmeisjes in een nabijgelegen fabriek zichzelf wakker houden. Net als Jasmine moeten zij regelmatig nachtenlang doorwerken. Soms zijn de meisjes zo moe, dat ze hun ogen niet meer kunnen openhouden. Dan halen ze hun knijpers tevoorschijn en gaan ze weer verder met werken.
Jasmine is er een uit talloos veel miljoenen. Volgens gangbare schattingen kent China zo’n 150 miljoen binnenlandse migranten die naar the bright lights of the big city trekken, op zoek naar werk en welvaart. Het zijn de Jasmines van deze wereld die onze spijkerbroeken, televisies en het speelgoed voor onze kinderen maken. Zonder hun lage lonen zouden veel van onze lievelingsproducten onbetaalbaar zijn. De meeste Chinese arbeiders werken onder slechte omstandigheden: we moeten er niet aan denken dat wijzelf, onze zusters of onze dochters er zouden werken. China Labor Watch, een onafhankelijke organisatie die onderzoek doet naar arbeidsomstandigheden, schreef onlangs in een rapport over Chinese fabrikanten die speelgoed voor westerse consumenten maken: “In de fabrieken worden mensen gedwongen vijftien tot negentien uur per dag te werken, zeven dagen per week. Bij hun eentonige werk lopen ze blaren, bloedende handen en huidkwalen op.”

Wat kunnen wij, westerse consumenten, doen om Jasmine en haar collega’s te helpen? Wie hen echt wil helpen, doet niets, menen liberale economen die voor vrijhandel pleiten. Zij hebben sterke argumenten.
In haar boek The Travels of a T-shirt in the Global Economy reist de Amerikaanse hoogleraar economie Petra Rivoli haar T-shirt achterna. Op een boulevard in Florida koopt ze een T-shirt met een vrolijke opdruk van een strand met palmbomen. Made in China. Rivoli reist naar de Texaanse katoenvelden waar de katoen werd geplukt, ze praat met de zusjes van Jasmine die het T-shirt in elkaar naaien en ze reist terug naar de Amerikaanse importeur. Ze reist zelfs naar Tanzania, waar haar T-shirt op de tweedehandsmarkt wordt verkocht. Rivoli’s boek is een road movie door de moderne wereldeconomie.
Rivoli plaatst haar bevindingen in een historisch perspectief. Sinds de Industriële Revolutie blijken de handen die onze kledingstukken in elkaar zetten, vrijwel altijd van boerenmeisjes te zijn. Zij werkten in de volgepakte naaifabrieken van Manchester in de negentiende eeuw, maar ook in de latere centra van textielproductie: de Verenigde Staten, Japan, Korea, Taiwan en China.
Ondanks hun verschrikkingen boden de zogeheten ‘sweatshops’ betere omstandigheden dan het harde leven op het kansloze platteland, vonden en vinden de boerenmeisjes. Rivoli citeert uit vergeelde dagboeken van Britse en Amerikaanse textielarbeiders, maar laat ook de Chinese naaisters aan het woord die zich op dit moment buigen over de komende voorjaarsmode. In sweatshops ontstijgen ze naar eigen zeggen de armoede.
Bovendien zijn alle landen die vroeger sweatshops hadden nu economisch sterk ontwikkeld. Denk aan Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Japan en over enkele decennia, China. In de grote fabriekshallen van Manchester, waar vroeger de arme Britse boerenmeisjes zich letterlijk en figuurlijk een ongeluk werkten, feesten nu jongens en meisjes van dezelfde leeftijd tot diep in de nacht op houseparty’s. Ook in de voormalige sweatshops van New York werken nu hippe designers en IT-bedrijfjes tegen torenhoge lonen. Kortom: de weg naar welvaart begint in sweatshops.


Foto afkomstig uit de documentaire China Blue van Micha X. Peled

Toch wringt dit pleidooi voor vrije handel. Is het echt nodig dat honderden miljoenen mensen eerst door een woestijn vol ontberingen moeten trekken voor ze het beloofde land bereiken? Jasmine’s kinderen en kleinkinderen mogen het waarschijnlijk beter krijgen, ondertussen moet zij nog decennia leven en werken in omstandigheden die wij in eigen land al minstens een eeuw ontoelaatbaar vinden.
Gelukkig kent vrije handel een alternatief: eerlijke handel. Bij eerlijke handel regeren niet de wetten van de vrije markt, maar gelden regels die zorgen voor goede arbeidsomstandigheden, adequate milieubescherming en redelijke lonen. Steeds meer bedrijven en consumenten kiezen voor ‘eerlijke producten’ (zie kader). Trendwatcher Hilde Roothart signaleert een “duidelijke toename van betrokkenheid en verantwoordelijkheid bij consumenten,” vertelde ze onlangs aan ochtendblad Sp!ts, en zijn er “steeds meer bedrijven die hierop inspelen, voornamelijk kledingmerken”.
Een positieve trend, dat zeker. Maar ik ben bang dat de Jasmines aller landen er niet veel beter van worden. Het groeiende leger van eerlijke consumenten blijft te klein en de keuze voor eerlijke producten is nog altijd te vrijblijvend. Uit talrijke onderzoeken blijkt dat een meerderheid van het Nederlandse winkelpubliek positief staat tegenover eerlijke handel en milieuvriendelijke producten. Maar slechts een minderheid is bereid om de daad bij het woord te voegen. Bij de kassa is onze portemonnee belangrijker dan ons geweten.
Neem Max Havelaar-koffie, een product dat wereldwijd als pionier wordt beschouwd. Op de dag van de marktintroductie, in 1988, toog initiatiefnemer Nico Roozen naar de supermarkt om te kijken hoe de consument op zijn eerlijke waar zou reageren. Het werd “een schokkende ervaring” voor de commerciële wereldverbeteraar. “Ik wilde zien wat er gebeurde”, schrijft hij in zijn boek Fair trade – Het verhaal achter Max Havelaar-koffie, Oké-bananen en Kuyichi-jeans, “en stond een tijdlang te kijken naar het gedrag van de klanten. Welk pak koffie kozen ze? Na een paar uur wist ik het eigenlijk al: we zouden blijven steken op een bescheiden percentage. Ik zag met eigen ogen dat niet zeven, maar twee op de honderd consumenten een pak Max Havelaar-koffie in het karretje legden.” Nu, bijna twintig jaar later, koopt drie op de honderd consumenten Max Havelaar-koffie. Roozen: “We hebben ons gewoon verkeken op de koper: te weinig consumenten nemen hun verantwoordelijkheid.”

Waarom laat ons geweten ons bij de kassa in de steek? De belangrijkste reden is, denk ik, dat het ons consumenten te gemakkelijk wordt gemaakt. Neem vlees uit de bio-industrie: iedereen is erop tegen, maar iedereen koopt het. We weten dat een kipfiletje van twee euro of een biefstukje van drie euro niet deugt, want alleen vlees uit de bio-industrie kan zo goedkoop zijn. Maar ja, dat prachtig roze kipfiletje en dat sappige biefstukje lachen ons toe, en dus leggen we het in de winkelwagen. Wanneer boven het vleesvak foto’s zouden hangen die onverbloemd het lijden tonen van de kippen en koeien in de bio-industrie, dan zal de kooplust ons snel vergaan.
Zo werkt het ook met kleding. Aan die prachtige spijkerbroek kleven bloed, zweet en tranen van Jasmine, maar dat zien we niet in de passpiegel. Wie eerlijke kleding wil bevorderen, moet het lijden van Jasmine zichtbaar maken. Hoe? Bijvoorbeeld met webcams in de Chinese fabrieken die in verbinding staan met computers in Nederlandse spijkerbroekenwinkels. De klant scant een label van de spijkerbroek, en ziet waar zijn aan te schaffen jeans vandaan komt. Indien gewenst kan de klant bij de kassa aanvullende informatie over de fabriek printen. Enkele biologische boeren bieden al de mogelijkheid om via internet een kijkje in hun stallen te nemen.
Aan een systeem met webcams kleven nogal wat praktische bezwaren. Chinese fabrikanten willen niet meewerken (waarom zouden ze) en het is kostbaar (Levi’s heeft bijvoorbeeld meer dan duizend toeleveranciers). Maar de consument beter informeren over de ontstaansgeschiedenis van zijn nieuwe aankoop, kan ook eenvoudiger: verplichte certificering. Hier is een glansrol weggelegd voor de overheid, een woord dat in de discussie over maatschappelijk verantwoord ondernemen al jaren niet meer te horen is.
Wat houdt verplichte certificering in? De Europese Unie moet het certificeren van jeans verplicht stellen (Nederland kan dat niet op eigen houtje doen, dit soort zaken worden op Europees niveau bepaald). Op het label van elke spijkerbroek die in Europa wordt verkocht, moet duidelijk vermeld staan of het gemaakt is onder menswaardige omstandigheden of niet. Dit geldt natuurlijk ook voor speelgoed, elektronica en al die andere producten waarvan we weten dat ze vaak onder negentiende-eeuwse omstandigheden worden gemaakt. Ook zouden milieukenmerken gecertificeerd kunnen worden. Maar laten we even bij spijkerbroeken en arbeidsomstandigheden blijven.
Het label heeft een herkenbare kleur en heeft de volgende tekst: “Dit product is gemaakt onder humane omstandigheden: JA / NEE”. Wanneer een product in aanmerking komt voor de categorie JA, is gemakkelijk te bepalen. De International Labour Organization, een VN-agentschap, kent een serie arbeidsnormen die internationaal als standaard gelden. De belangrijkste acht daarvan staan centraal in bijna alle gedragscodes die bedrijven zelf opstellen (zie kader).
Een variant is om niet alleen de categorieën JA / NEE te hanteren, maar informatie te geven over meerdere kenmerken. Denk aan het maximaal aantal werkuren per dag, de aanwezigheid van vrije vakbonden, veilige werkomstandigheden, et cetera. Herkenbare iconen helpen de consument, zoals de Kijkwijzer dat voor ouders van filmkijkende kinderen doet (iconen geven aan of een film bijvoorbeeld geweld, seks of grof taalgebruik bevat). De consument kan dan zelf bepalen of hij of zij twaalf werkuren per dag acceptabel vindt, of dat het gebrek aan vrije vakbonden opweegt tegen veilige werkomstandigheden.

Verplichte certificering lost niet alle problemen op. Nog altijd wordt een beroep gedaan op het geweten van de consument, en dus kan de consument kiezen voor die foute, vaak goedkopere spijkerbroek. Helaas zijn verdergaande oplossingen niet haalbaar. De overheid zou bijvoorbeeld de import van foute producten kunnen verbieden. Maar vind nog maar iemand in Twente die voor een Chinees loontje spijkerbroeken wil maken. Bovendien zullen lagelonenlanden als China hun recht halen bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO). WTO-regels verbieden namelijk het weren van import vanwege slechte arbeidsomstandigheden of zelfs kinderarbeid.
Wie de wereld wil verbeteren, moet praktisch en realistisch zijn. Gelukkig is verplichte certificering een reële optie die direct grote voordelen biedt. Ten eerste wordt de consument met de neus op de feiten gedrukt – ons ‘ich habe es nicht gewusst’ is niet meer geloofwaardig. Daarnaast is verplichte certificering niet in strijd met de WTO-regels. Buitenlandse producten mogen niet geweigerd worden vanwege slechte arbeidsomstandigheden, maar het is niet verboden om certificering te eisen (zolang je maar niet discrimineert op land van herkomst). Ten derde komt er een einde aan de verwarring rondom labels. Uit onderzoek van de Consumentenbond blijkt dat veel consumenten door de wildgroei aan labels en keurmerken het bos niet meer zien. Een uniform label biedt uitkomst.
Een ander belangrijk voordeel is dat corrupte overheden omzeild worden. Bij verplichte certificering is het bijvoorbeeld niet de door en door corrupte Chinese overheid die controleert of fabrieken zich aan de voorschriften houden. Dat doen westerse bedrijven die de spijkerbroeken verkopen. In Europa is het namelijk verboden om tegen consumenten te liegen. Als uit onafhankelijke controles blijkt dat de kledingmerken onjuiste informatie geven, leidt dat niet alleen tot imagoschade, maar kunnen ze ook hier bestraft worden. Dit geeft activisten een stok om mee te slaan.
Bedrijven klagen vaak dat het zo moeilijk is om te controleren of toeleveranciers zich aan hun gedragscodes houden. Dat is ongeloofwaardig. Textielbedrijven als H&M en Zara weten op elk willekeurig moment exact hoeveel gele en blauwe T-shirts in maatje small in de fabrieken op transport wachten. Kwaliteitscontroles zijn streng en de hoofdkantoren weten precies welke ploeg op welk moment in welke fabriek een foutje maakte. Maar controle van arbeidsomstandigheden bij hun toeleveranciers, zou te ingewikkeld zijn. Wellicht is verplichte certificering het duwtje dat de textielfirma’s nodig hebben.
Bovenal heeft certificering bewezen heel effectief te zijn. Neem kippeneieren. Fabrikanten moeten van de EU op de verpakking aangeven of hun eieren gelegd zijn door scharrelkippen of niet (zie www.eicode.nl). Het gevolg is dat Albert Heijn al vijftien jaar geen legbatterijeieren meer verkoopt. Niemand wil ze meer kopen. Ook wasmachines, koelkasten en vaatwassers kennen labels die aangeven hoe zuinig of vervuilend ze zijn. Wie onlangs een wasmachine heeft gekocht, weet dat geen enkel zichzelf respecterende winkel machines verkoopt zonder het hoogst haalbare A-label. De certificering van genetisch gemodificeerd voedsel is een ander voorbeeld. Wereldwijd wordt steeds meer genetisch gemodificeerd voedsel gegeten. Behalve in de EU. De EU verplicht fabrikanten om duidelijk op het etiket te vermelden als hun product genetische gemanipuleerde ingrediënten bevat, ook als het geïmporteerd is. De Europese consument moet niets van ‘Frankensteinvoedsel’ hebben, en in Europa wordt dan ook hoegenaamd geen genetisch versleuteld eten verkocht. In al deze voorbeelden vindt de overheid dat u moet weten wat u koopt. Waarom zijn spijkerbroeken een uitzondering?
Met verplichte certificering is uw rol niet uitgespeeld. U moet nog altijd kiezen tussen een goedkopere, foute spijkerbroek en een iets duurdere, eerlijke spijkerbroek. De EU vindt de leefomstandigheden van een Europese kip belangrijker dan die van een Chinese fabrieksarbeidster als Jasmine. U niet, toch?

Eerlijke mode: de trend
Sinds het begin van de jaren negentig, toen de eerste sweatshop-schandalen van multinationals als Nike en Reebok in de media breed werden uitgemeten, beloofden veel textielgiganten beterschap. Alle grote merken hebben tegenwoordig het begrip ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ voorin de mond. Naast traditionele financiële verslagen publiceren textielbedrijven duurzaamheidsverslagen die de juiste verhouding tussen people, planet en profit weergeven. Ook onderling spreken bedrijven gedragscodes af die negentiende-eeuwse werkomstandigheden definitief tot het verleden moeten laten behoren. Zo sloot textielgigant H&M zich dit jaar aan bij Fair Labor Association, een internationale, onafhankelijke organisatie die arbeidsomstandigheden controleert.
Kritische voorvechters van eerlijke handel richten zich minder op consumenten dan voorheen. Zij willen nu vooral bedrijven aanzetten om eerlijke producten op de markt te brengen, en gaan daarom samenwerkingsverbanden aan met textielproducenten. Een goed voorbeeld is het Nederlandse Fair Wear Foundation, een initiatief van ondernemersorganisaties in de modebranche, de vakbeweging en andere maatschappelijke organisaties. Een ander voorbeeld is Made-By, een ‘schaduw label’ dat textielfabrikanten mogen voeren voor producten die aan duurzaamheidscriteria voldoen. Dit jaar introduceert Made-By een tracking and tracing systeem. De klant tikt op een website een code in en ziet welk traject zijn nieuwe aanwinst heeft afgelegd.
Grote merken willen de gewetensvolle consument graag bedienen. Puma begint een eko-lijn. Nike is sinds kort ‘s werelds grootste afnemer van biologische katoen. Timberland vermeldt op zijn schoenendozen in welke verantwoorde fabriek de schoenen zijn gemaakt. Andere, kleinere merken profileren zich als honderd procent kosjer, zoals de labels Kuyichi en Loomstate. Ali Hewson, de vrouw van rockster Bono, bracht onlangs het verantwoorde label Edun op de markt.
Er zijn ook steeds meer winkels die louter eerlijk kleding verkopen. YOI Store, opgericht door een studente van de modeacademie, verkoopt al enige jaren ‘hiphonest’ kleding. American Apparel (naar eigen zeggen “de hoogste lonen in de kledingindustrie”) opende eerder dit jaar zijn eerste winkel in Amsterdam. En vorige maand opende Yorin-presentatrice Floortje Dessing in de Amsterdamse Haarlemmerstraat Nuku Hiva, een “conceptstore” met “betrokken, verantwoorde en stylish” kleding.

 

Wat wil de consument?
Meer dan driekwart van de Nederlanders vindt het belangrijk dat kleding en schoenen op een ‘maatschappelijke verantwoorde’ manier worden gemaakt, blijkt uit onderzoek van vakblad Textillia. Twintig procent van die groep is bereid om iets meer te betalen voor ‘eerlijke kleding’, maar zesentwintig procent van die groep is niet bereid om meer te betalen. Met name vrouwen zijn eerder bereid dieper in de buidel te tasten dan mannen (30 procent versus 22 procent). De groep die zegt dat het hen niet kan schelen hoe hun kleding wordt gemaakt, bestaat uit bovengemiddeld veel mannen en 25 tot 34 jarigen, aldus Textilia.

 

Meer weten?
www.chinalaborwatch.org
www.fairwear.nl
www.goedewaar.nl
www.hetisgroenenhet.nl
www.kuyichi.com
www.made-by.nl
www.schonekleren.nl
www.stoerevrouwen.nl
www.trueblue.nl
www.yoi.nu

Evert Nieuwenhuis is journalist en auteur van De Grote Globaliseringsgids - van Aandeelhouder tot Zapatista (Van Gennep, 2005).
Dit artikel is gebaseerd op een lezing die hij eerder aan de Universiteit van Amsterdam gaf.

© Evert Nieuwenhuis / www.evertnieuwenhuis.nl