Reactie
Liever een praktische idealist dan een voorbeeldige
Evert Nieuwenhuis
de Volkskrant, 31 december 2005
de Volkskrant, 31 december 2005
Laat het beste niet de vijand van het goede zijn: liever een praktische idealist dan een voorbeeldige idealist. Reactie op een artikel van Marcia Luyten.
Leuke feestdagen gehad? Ik wel. Terwijl de feestdagen voor idealisten traditiegetrouw zware tijden zijn. Op kerstavond maken we ons druk over honger in Afrika, maar pakken blij de DEDIKKEVANDAM uit. De tegenwaarde van deze hedonistische keukenbijbel is een maand warme maaltijden in een Afrikaans dorp. Ook op oudejaarsavond genieten we van champagne zonder schuldgevoel over te weinig aidsremmers in India. We baden in hypocrisie.
Ik bedoel dit niet cynisch of laconiek. Tijdens de feestdagen blijkt weer dat een wereldverbeteraar altijd tekort schiet. Maar laat je niet ontmoedigen. We hebben niet meer recht op onze rijkdom dan onze broers en zussen in de sloppenwijken van Manilla hun armoede hebben verdiend. Wij zijn het moreel verplicht om hen te helpen.
Maar hoe? Aan belangrijke oorzaken van armoede – zoals corruptie, slecht beleid of weerbarstige natuuromstandigheden – kan je als individu weinig veranderen. Westers beleid remt arme landen in hun ontwikkeling (bijvoorbeeld oneerlijke handel), maar meer dan protesteren of op een andere politieke partij stemmen, kunnen wij niet doen.
Of wel? Ja, zegt het praktische idealisme dat ik onder mijn generatiegenoten zie groeien en bloeien (NRC Handelsblad, 19 november). In de woorden van Natasja van den Berg, medeauteur van het boek Praktisch Idealisme (2003): ‘Praktisch idealisme is een strategie om idealisme te integreren in je dagelijkse leven.’ Besef dat je niet de hele wereld op je schouders kan nemen en zoek uit hoe je in je dagelijks leven de wereld kunt verbeteren. Koop duurdere, eerlijke producten. Zet je politici onder druk. Als je jezelf verwent met een iPod, denk dan ook aan een ander en maak geld over naar een ontwikkelingsorganisatie. Wees blij met DEDIKKEVANDAM, maar geef ook een geit aan een Afrikaanse boer via www.heifer.nl. Leef naar je idealen. Just do it.
Jongeren slaan ook zelf de handen aan de ploeg. Ze zetten in ontwikkelingslanden kleinschalige hulpprojecten op. ‘Het is een enorme trend’, zegt Henny Helmich, directeur van de Nationale Commissie Duurzame Ontwikkeling (NRC Handelsblad, 5 november). ‘Op relatief jonge leeftijd willen ze de wereld iets teruggeven. En dan niet gewoon aan een gironummer.’
Toch vindt generatiegenoot Marcia Luyten dat jongeren hun idealisme niet serieus nemen (de Volkskrant, 24 december; zie hieronder). Hulpprojecten opzetten, juicht ze waarschijnlijk toe, maar ‘een iPod kopen en ter geruststelling geld storten voor Afrika laat zich niet goed aanmerken als een daad van idealisme. Er is namelijk geen keuze gemaakt tussen alternatieven die met elkaar op gespannen voet staan.’ En: ‘Mijn generatie zoekt idealisme zonder altruïsme. (...) Goeddoen? Heel graag, als we er geen last van hoeven hebben. Dat is engagement in geest zonder betrokkenheid in gedrag.’
Luytens oproep om idealisme te vertalen in gedrag is, tja, prachtig. Dat idealisten bereid moeten zijn offers te brengen, is zo klaar als een klontje. Maar Luyten maakt het zichzelf te makkelijk. Welk alternatief biedt ze? Ook zegt ze niets over de lastigste vraag: hoe geef je je idealen vorm in het dagelijks leven? Juist daarop heeft mijn generatie een aanstekelijk en effectief antwoord gevonden.
Laten we een van mijn bekritiseerde voorbeelden tegen het licht houden. ‘Een weekje New York hoef je niet te laten schieten om het klimaat te redden’, schreef ik, ‘maar compenseer je CO2-uitstoot door via www.coolflying.nl voor twee tientjes 59 bomen te laten planten.’ Volgens Luyten doet het planten van bomen ‘niets af aan de realiteit dat we klimaatverandering alleen vertragen als we minder vliegen, autorijden, kopen, stoken, bouwen; daar helpen 59 troostbomen niet aan.’
Dat het beter voor het milieu is helemaal niet te vliegen, is evident. Maar wie de wereld wil verbeteren, moet realistisch zijn. Je kunt oproepen niet naar New York te vliegen, maar hoeveel mensen zullen echt hun vlucht annuleren? Ik kies voor: ‘Vlieg niet klakkeloos naar New York, en als je gaat, ruim dan je troep op: koop bomen die jouw CO2 compenseren’. Het milieu is meer gebaat bij honderd mensen die hun troep grotendeels opruimen dan twee mensen die helemaal geen troep maken.
Toch wringt dit pleidooi voor pragmatisme, dat voel ik ook. Het is als een ventiel: het vermindert de druk om volledig naar je idealen te leven. De milieubewuste Nederlander die naar New York vliegt en geen bomen plant, zit ongemakkelijker in zijn stoel dan de reisgenoot die wel bomen plant. De eerste voelt zich schuldig en bezwaard, de tweede denkt: ‘Ik mag het milieu dan vervuilen, maar ik ruim tenminste mijn rommel op.’ Voor deze reiziger is de drempel lager om een volgende vakantie toch weer in het vliegtuig te stappen.
Wie bereikt meer: de precieze of de rekkelijke idealist? Preciezen hebben gelijk, rekkelijken boeken resultaten. Ik kies voor de rekkelijken. Want het voorbeeldige idealisme van de preciezen is weinig waard als alleen enkele asceten ernaar leven. Daarom: wees realistisch en praktisch. Laat je inspireren door de preciezen, maar leef als een rekkelijke. Laat het beste niet de vijand van het goede zijn.
Evert Nieuwenhuis (1973) is freelance journalist en auteur van De Grote Globaliseringsgids - van Aandeelhouder tot Zapatista (Van Gennep, 2005).
Meer weten?
Draaglijk licht engagement
Marcia Luyten
de Volkskrant, 24 december 2005
Wij dertigers nemen deze dagen graag ons idealisme de maat: toont mijn generatie, geboren in de jaren zeventig, zich betrokken bij de wereld om zich heen? Nou en of, meent generatiegenoot Evert Nieuwenhuis, auteur van De Grote Globaliseringsgids: ‘Het nieuwe engagement bruist en borrelt overal.’
Nieuwenhuis schetste dat idealisme onlangs ook in NRC Handelsblad: meer dan duizend jongeren vieren in de Melkweg De Nacht van de VN en juichen Ruud Lubbers toe als ware hij Bono. Ze sturen protest-sms’jes naar Amnesty International en luisteren op een popfestival of MTV naar een politiek debat. We verbeteren feestend de wereld, klinkt zijn aanstekelijk credo.
Nieuwenhuis kent de kritiek die het nieuwe engagement uitlokt: ‘Het moet wel leuk blijven, anders zappen ze weg’, om vervolgens juist de vraag naar gedrag onbeantwoord te laten. ‘Schuif dit ‘idealisme à la carte’ niet terzijde – je bereikt er meer mee dan een strak keurslijf van idealen.’
Hier schetst Nieuwenhuis de verkeerde tegenstelling. Het gaat niet om de vraag welk soort idealen het meeste effect sorteert. Het gaat om de discrepantie tussen gedachte en gedrag. Met alleen idealen - à la carte of als een jaren-zestig-standaardmenu - bereik je niks. Het gaat om wat je doet. En nalaat.
Cool-idealisme hoort bij de lifestyle van jonge hoogopgeleiden. Nieuwenhuis verwijst dan ook naar een habitus, een die schuilgaat achter het mombakkes van idealisme. Het feest-engagement is een stijlicoon. Werkt het nieuwe engagement dan niet door in gedrag? Jazeker wel, zegt Nieuwenhuis, en hij somt op: betaal je iPod zonder schuldgevoel door ook geld over te maken aan een onderzoeksproject in Afrika. Vlieg naar New York maar laat ook 59 bomen planten. Koop niet automatisch de goedkoopste boontjes.
Precies daar lopen praktijk en idealisme uit elkaar. Wat blijkt? Wie in woord geëngageerd is, toont dat lang niet altijd in daad. Zo’n tachtig procent van de Nederlanders zegt Max Havelaar-koffie te steunen. Minder dan 3 procent koopt het. De consument wil goedkope koffie.
En is er dan iets mis met het storten van geld voor een goed doel? Integendeel. Of, zoals Nieuwenhuis vraagt: mag goeddoen soms niet leuk zijn? Tuurlijk wel. De tijd dat al wat goed was bitter moest smaken is echt wel voorbij. Alleen: een iPod kopen en ter geruststelling geld storten voor Afrika laat zich niet goed aanmerken als een daad van idealisme. Er is namelijk geen keuze gemaakt tussen alternatieven die met elkaar op gespannen voet staan.
Met zat geld op zak is goeddoen niet moeilijk. Dan kan het én-én: consumeren, genieten en de wereld verbeteren. Opnieuw: daar is niks mis mee, maar maak het niet mooier dan het is. Het feest-idealisme benadert zo de levenslust van de proto-katholiek: geniet van het leven en wees niet bang voor een beetje hypocrisie als dat heel maakt wat eigenlijk verscheurd is.
Ook al kan het soms win-win, dat doet niets af aan de realiteit dat we klimaatverandering alleen vertragen als we minder vliegen, autorijden, kopen, stoken, bouwen; daar helpen 59 troostbomen niet aan. Als we armoede in Afrika willen verminderen, moeten we aids en oorlog stoppen. Dat vraagt grote investeringen in artsen, medicijnen en militairen. Ook moeten veel Europese boeren failliet en moeten wij duurdere producten kopen. Waardoor we minder geld overhouden voor feestjes. En die uitruil, daar lijken dertigers niet toe bereid.
De charmante hink-stapsprong waarmee Evert Nieuwenhuis de tegenstelling tussen genieten en goeddoen overstijgt, staat niet op zichzelf. Wat geldt voor betrokkenheid bij leed ver weg, gaat ook dicht bij huis op. In hun boek Kiezen voor de kudde, lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid laten Jan Willem Duyvendak en Menno Hurenkamp de tegenstelling tussen individu en gemeenschap oplossen in ‘de lichte gemeenschap’. Het gaat dan om ‘lidmaatschappen die je kunt opzeggen, in plaats van verwantschappen voor het leven. Dat leidt tot vluchtiger banden, maar ook tot meer connecties.’ Belangrijk is dat deze gemeenschappen nieuwkomers toelaten, en dat je er ook weer uit kunt vertrekken. Zo’n gemeenschap is precies wat hij belooft: draaglijk licht. Die hoeft het individu niet in zijn vrijheid te belemmeren. Alleen is de vraag hoeveel ‘de gemeenschap’ - zo zonder adjectief staat het woord er ineens hulpeloos en ouderwets bij - opschiet met de onlosmakelijke vrijblijvendheid. Zetten de dertigers zich nog in voor een publieke zaak als dat niet onmiddellijk leuk of rendabel is?
Die maatschappelijke bindingsangst lijkt niet van alle tijden. In het dorp waar ik ben geboren, werden de laatste 33 zomers afgesloten met een feest. Kasteel Wijnandsrade is dan twee dagen in voorbije tijden: jonkvrouwen wiegen hun jurken vol brokaat als de minstreel zijn liefdeslied zingt. Een smid slaat een veldkruis. Aan tafels met schragen eten dorpsbewoners en duizenden bezoekers versgebakken brood met zure zult en drinken ze (natuurlijk Limburgse) wijn en bier.
Dagen tevoren rijdt de kasteelboer zijn wagens en machines de schuren uit. Ook de bewoners van het kasteel maken met hun auto’s en tuinmeubels plaats voor de honderden vrijwilligers die, onder aanvoering van een horde vijftigers, erf en hof innemen met bezems, marktkramen, snoeren en podiumblokken. Dat alles om de kas van de handbalvereniging te vullen. Ook al betalen de leden een minimale contributie, deze sportclub is goed uitgerust. Van de winst van het feest worden T-shirts, trainingspakken, ballen en andere feesten betaald.
Aan het folklorefestival doet een groot deel van de dorpelingen mee – ook mensen die niks met handbal hebben. Het feest voor de Limburgse cultuur bestaat
alleen dankzij al die mensen die ook komen opdagen als het eens niet helemaal of zelfs helemaal niet leuk is. Maar het dorp is eigentijdser dan het misschien zou willen. Jonge ouders hebben geen zin meer om het sportteam van hun zoon of dochter naar een uitwedstrijd te rijden. De handbalvereniging zag zich genoodzaakt eerder ongeschreven regels expliciet te maken: ouders moesten eens per seizoen met de auto mee. Een vrouw van begin dertig zei dat ze daar geen tijd voor had, maar dat ze graag meer contributie zou betalen. Over meewerken op het feest voor Limburgse cultuur maakt de voorzitter zich geen illusies meer. Hij snapt hoe het zit: ‘Dertigers kopen hun betrokkenheid af.’
Mijn generatie zoekt idealisme zonder altruïsme. Gemeenschappen lusten we alleen light, net als het feestidealisme. Goeddoen? Heel graag, als we er geen last van hoeven hebben. Dat is engagement in geest zonder betrokkenheid in gedrag.
Marcia Luyten (34) is cultuurwetenschapper en econoom en werkt als zelfstandig journalist. Ze woonde enkele jaren in Rwanda en schreef daarover het boek Witte geef geld.
© Marcia Luyten
Ik bedoel dit niet cynisch of laconiek. Tijdens de feestdagen blijkt weer dat een wereldverbeteraar altijd tekort schiet. Maar laat je niet ontmoedigen. We hebben niet meer recht op onze rijkdom dan onze broers en zussen in de sloppenwijken van Manilla hun armoede hebben verdiend. Wij zijn het moreel verplicht om hen te helpen.
Maar hoe? Aan belangrijke oorzaken van armoede – zoals corruptie, slecht beleid of weerbarstige natuuromstandigheden – kan je als individu weinig veranderen. Westers beleid remt arme landen in hun ontwikkeling (bijvoorbeeld oneerlijke handel), maar meer dan protesteren of op een andere politieke partij stemmen, kunnen wij niet doen.
Of wel? Ja, zegt het praktische idealisme dat ik onder mijn generatiegenoten zie groeien en bloeien (NRC Handelsblad, 19 november). In de woorden van Natasja van den Berg, medeauteur van het boek Praktisch Idealisme (2003): ‘Praktisch idealisme is een strategie om idealisme te integreren in je dagelijkse leven.’ Besef dat je niet de hele wereld op je schouders kan nemen en zoek uit hoe je in je dagelijks leven de wereld kunt verbeteren. Koop duurdere, eerlijke producten. Zet je politici onder druk. Als je jezelf verwent met een iPod, denk dan ook aan een ander en maak geld over naar een ontwikkelingsorganisatie. Wees blij met DEDIKKEVANDAM, maar geef ook een geit aan een Afrikaanse boer via www.heifer.nl. Leef naar je idealen. Just do it.
Jongeren slaan ook zelf de handen aan de ploeg. Ze zetten in ontwikkelingslanden kleinschalige hulpprojecten op. ‘Het is een enorme trend’, zegt Henny Helmich, directeur van de Nationale Commissie Duurzame Ontwikkeling (NRC Handelsblad, 5 november). ‘Op relatief jonge leeftijd willen ze de wereld iets teruggeven. En dan niet gewoon aan een gironummer.’
Toch vindt generatiegenoot Marcia Luyten dat jongeren hun idealisme niet serieus nemen (de Volkskrant, 24 december; zie hieronder). Hulpprojecten opzetten, juicht ze waarschijnlijk toe, maar ‘een iPod kopen en ter geruststelling geld storten voor Afrika laat zich niet goed aanmerken als een daad van idealisme. Er is namelijk geen keuze gemaakt tussen alternatieven die met elkaar op gespannen voet staan.’ En: ‘Mijn generatie zoekt idealisme zonder altruïsme. (...) Goeddoen? Heel graag, als we er geen last van hoeven hebben. Dat is engagement in geest zonder betrokkenheid in gedrag.’
Luytens oproep om idealisme te vertalen in gedrag is, tja, prachtig. Dat idealisten bereid moeten zijn offers te brengen, is zo klaar als een klontje. Maar Luyten maakt het zichzelf te makkelijk. Welk alternatief biedt ze? Ook zegt ze niets over de lastigste vraag: hoe geef je je idealen vorm in het dagelijks leven? Juist daarop heeft mijn generatie een aanstekelijk en effectief antwoord gevonden.
Laten we een van mijn bekritiseerde voorbeelden tegen het licht houden. ‘Een weekje New York hoef je niet te laten schieten om het klimaat te redden’, schreef ik, ‘maar compenseer je CO2-uitstoot door via www.coolflying.nl voor twee tientjes 59 bomen te laten planten.’ Volgens Luyten doet het planten van bomen ‘niets af aan de realiteit dat we klimaatverandering alleen vertragen als we minder vliegen, autorijden, kopen, stoken, bouwen; daar helpen 59 troostbomen niet aan.’
Dat het beter voor het milieu is helemaal niet te vliegen, is evident. Maar wie de wereld wil verbeteren, moet realistisch zijn. Je kunt oproepen niet naar New York te vliegen, maar hoeveel mensen zullen echt hun vlucht annuleren? Ik kies voor: ‘Vlieg niet klakkeloos naar New York, en als je gaat, ruim dan je troep op: koop bomen die jouw CO2 compenseren’. Het milieu is meer gebaat bij honderd mensen die hun troep grotendeels opruimen dan twee mensen die helemaal geen troep maken.
Toch wringt dit pleidooi voor pragmatisme, dat voel ik ook. Het is als een ventiel: het vermindert de druk om volledig naar je idealen te leven. De milieubewuste Nederlander die naar New York vliegt en geen bomen plant, zit ongemakkelijker in zijn stoel dan de reisgenoot die wel bomen plant. De eerste voelt zich schuldig en bezwaard, de tweede denkt: ‘Ik mag het milieu dan vervuilen, maar ik ruim tenminste mijn rommel op.’ Voor deze reiziger is de drempel lager om een volgende vakantie toch weer in het vliegtuig te stappen.
Wie bereikt meer: de precieze of de rekkelijke idealist? Preciezen hebben gelijk, rekkelijken boeken resultaten. Ik kies voor de rekkelijken. Want het voorbeeldige idealisme van de preciezen is weinig waard als alleen enkele asceten ernaar leven. Daarom: wees realistisch en praktisch. Laat je inspireren door de preciezen, maar leef als een rekkelijke. Laat het beste niet de vijand van het goede zijn.
Evert Nieuwenhuis (1973) is freelance journalist en auteur van De Grote Globaliseringsgids - van Aandeelhouder tot Zapatista (Van Gennep, 2005).
Meer weten?
- Lees de reacties op dit artikel in onder andere NRC Handelsblad en de Volkskrant.
- Klik hier om de uitzending van het televisieprogramma VPRO’s Boeken&cetera te bekijken, waarin Chris van der Heijden en Evert Nieuwenhuis debatteren over idealisme onder jongeren.
- Luister ook naar een gesprek over dit onderwerp in het radioprogramma 747 Live tussen presentatrice Mieke Spaans, Hans Eenhoorn (hongerbestrijder voor de VN en oud-topman van Unilever) en Evert Nieuwenhuis.
- Mei Li Vos, Frans Bieckmann en Evert Nieuwenhuis debatteerden in het radioprogramma 1 Op de Middag over idealisme onder jongeren.
- Weekblad Vrij Nederland publiceerde op 22 oktober 2005 een kloek achtergrondartikel over idealisme onder jongeren. Klik hier om het te lezen.
* * *
Draaglijk licht engagement
Marcia Luyten
de Volkskrant, 24 december 2005
Wij dertigers nemen deze dagen graag ons idealisme de maat: toont mijn generatie, geboren in de jaren zeventig, zich betrokken bij de wereld om zich heen? Nou en of, meent generatiegenoot Evert Nieuwenhuis, auteur van De Grote Globaliseringsgids: ‘Het nieuwe engagement bruist en borrelt overal.’
Nieuwenhuis schetste dat idealisme onlangs ook in NRC Handelsblad: meer dan duizend jongeren vieren in de Melkweg De Nacht van de VN en juichen Ruud Lubbers toe als ware hij Bono. Ze sturen protest-sms’jes naar Amnesty International en luisteren op een popfestival of MTV naar een politiek debat. We verbeteren feestend de wereld, klinkt zijn aanstekelijk credo.
Nieuwenhuis kent de kritiek die het nieuwe engagement uitlokt: ‘Het moet wel leuk blijven, anders zappen ze weg’, om vervolgens juist de vraag naar gedrag onbeantwoord te laten. ‘Schuif dit ‘idealisme à la carte’ niet terzijde – je bereikt er meer mee dan een strak keurslijf van idealen.’
Hier schetst Nieuwenhuis de verkeerde tegenstelling. Het gaat niet om de vraag welk soort idealen het meeste effect sorteert. Het gaat om de discrepantie tussen gedachte en gedrag. Met alleen idealen - à la carte of als een jaren-zestig-standaardmenu - bereik je niks. Het gaat om wat je doet. En nalaat.
Cool-idealisme hoort bij de lifestyle van jonge hoogopgeleiden. Nieuwenhuis verwijst dan ook naar een habitus, een die schuilgaat achter het mombakkes van idealisme. Het feest-engagement is een stijlicoon. Werkt het nieuwe engagement dan niet door in gedrag? Jazeker wel, zegt Nieuwenhuis, en hij somt op: betaal je iPod zonder schuldgevoel door ook geld over te maken aan een onderzoeksproject in Afrika. Vlieg naar New York maar laat ook 59 bomen planten. Koop niet automatisch de goedkoopste boontjes.
Precies daar lopen praktijk en idealisme uit elkaar. Wat blijkt? Wie in woord geëngageerd is, toont dat lang niet altijd in daad. Zo’n tachtig procent van de Nederlanders zegt Max Havelaar-koffie te steunen. Minder dan 3 procent koopt het. De consument wil goedkope koffie.
En is er dan iets mis met het storten van geld voor een goed doel? Integendeel. Of, zoals Nieuwenhuis vraagt: mag goeddoen soms niet leuk zijn? Tuurlijk wel. De tijd dat al wat goed was bitter moest smaken is echt wel voorbij. Alleen: een iPod kopen en ter geruststelling geld storten voor Afrika laat zich niet goed aanmerken als een daad van idealisme. Er is namelijk geen keuze gemaakt tussen alternatieven die met elkaar op gespannen voet staan.
Met zat geld op zak is goeddoen niet moeilijk. Dan kan het én-én: consumeren, genieten en de wereld verbeteren. Opnieuw: daar is niks mis mee, maar maak het niet mooier dan het is. Het feest-idealisme benadert zo de levenslust van de proto-katholiek: geniet van het leven en wees niet bang voor een beetje hypocrisie als dat heel maakt wat eigenlijk verscheurd is.
Ook al kan het soms win-win, dat doet niets af aan de realiteit dat we klimaatverandering alleen vertragen als we minder vliegen, autorijden, kopen, stoken, bouwen; daar helpen 59 troostbomen niet aan. Als we armoede in Afrika willen verminderen, moeten we aids en oorlog stoppen. Dat vraagt grote investeringen in artsen, medicijnen en militairen. Ook moeten veel Europese boeren failliet en moeten wij duurdere producten kopen. Waardoor we minder geld overhouden voor feestjes. En die uitruil, daar lijken dertigers niet toe bereid.
De charmante hink-stapsprong waarmee Evert Nieuwenhuis de tegenstelling tussen genieten en goeddoen overstijgt, staat niet op zichzelf. Wat geldt voor betrokkenheid bij leed ver weg, gaat ook dicht bij huis op. In hun boek Kiezen voor de kudde, lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid laten Jan Willem Duyvendak en Menno Hurenkamp de tegenstelling tussen individu en gemeenschap oplossen in ‘de lichte gemeenschap’. Het gaat dan om ‘lidmaatschappen die je kunt opzeggen, in plaats van verwantschappen voor het leven. Dat leidt tot vluchtiger banden, maar ook tot meer connecties.’ Belangrijk is dat deze gemeenschappen nieuwkomers toelaten, en dat je er ook weer uit kunt vertrekken. Zo’n gemeenschap is precies wat hij belooft: draaglijk licht. Die hoeft het individu niet in zijn vrijheid te belemmeren. Alleen is de vraag hoeveel ‘de gemeenschap’ - zo zonder adjectief staat het woord er ineens hulpeloos en ouderwets bij - opschiet met de onlosmakelijke vrijblijvendheid. Zetten de dertigers zich nog in voor een publieke zaak als dat niet onmiddellijk leuk of rendabel is?
Die maatschappelijke bindingsangst lijkt niet van alle tijden. In het dorp waar ik ben geboren, werden de laatste 33 zomers afgesloten met een feest. Kasteel Wijnandsrade is dan twee dagen in voorbije tijden: jonkvrouwen wiegen hun jurken vol brokaat als de minstreel zijn liefdeslied zingt. Een smid slaat een veldkruis. Aan tafels met schragen eten dorpsbewoners en duizenden bezoekers versgebakken brood met zure zult en drinken ze (natuurlijk Limburgse) wijn en bier.
Dagen tevoren rijdt de kasteelboer zijn wagens en machines de schuren uit. Ook de bewoners van het kasteel maken met hun auto’s en tuinmeubels plaats voor de honderden vrijwilligers die, onder aanvoering van een horde vijftigers, erf en hof innemen met bezems, marktkramen, snoeren en podiumblokken. Dat alles om de kas van de handbalvereniging te vullen. Ook al betalen de leden een minimale contributie, deze sportclub is goed uitgerust. Van de winst van het feest worden T-shirts, trainingspakken, ballen en andere feesten betaald.
Aan het folklorefestival doet een groot deel van de dorpelingen mee – ook mensen die niks met handbal hebben. Het feest voor de Limburgse cultuur bestaat
alleen dankzij al die mensen die ook komen opdagen als het eens niet helemaal of zelfs helemaal niet leuk is. Maar het dorp is eigentijdser dan het misschien zou willen. Jonge ouders hebben geen zin meer om het sportteam van hun zoon of dochter naar een uitwedstrijd te rijden. De handbalvereniging zag zich genoodzaakt eerder ongeschreven regels expliciet te maken: ouders moesten eens per seizoen met de auto mee. Een vrouw van begin dertig zei dat ze daar geen tijd voor had, maar dat ze graag meer contributie zou betalen. Over meewerken op het feest voor Limburgse cultuur maakt de voorzitter zich geen illusies meer. Hij snapt hoe het zit: ‘Dertigers kopen hun betrokkenheid af.’
Mijn generatie zoekt idealisme zonder altruïsme. Gemeenschappen lusten we alleen light, net als het feestidealisme. Goeddoen? Heel graag, als we er geen last van hoeven hebben. Dat is engagement in geest zonder betrokkenheid in gedrag.
Marcia Luyten (34) is cultuurwetenschapper en econoom en werkt als zelfstandig journalist. Ze woonde enkele jaren in Rwanda en schreef daarover het boek Witte geef geld.
© Marcia Luyten
© Evert Nieuwenhuis / www.evertnieuwenhuis.nl















