Reacties op het artikel “Vlieg lekker naar New York, maar plant ook 59 bomen - feestend verbeteren wij de wereld”

NRC Handelsblad, de Volkskrant & De Groene Amsterdammer, 25 november 2005
Overzicht van reacties op het artikel “Vlieg lekker naar new york, maar plant ook 59 bomen - feestend verbeteren wij de wereld” van Evert Nieuwenhuis (NRC Handelsbald, 19 november 2005).
Hieronder staan de volgende artikelen:
  • Menno Hurenkamp: Nieuwe idealisten zijn fatsoenrakkers (De Groene Amsterdammer, 25 november 2005)
  • Kees Hudig: Hiphop-idealisme is vals (NRC Handelsblad, 13 december 2005)
  • Menno van der Veen: Ja, feesten kunnen de wereld redden (de Volkskrant, 24 december 2005)
  • Marcia Luyten: Nee, feesten kunnen de wereld niet redden (de Volkskrant, 24 december 2005)
  • Eveline Lubbers: Geen ‘happy’ illusie, maar wat wel? (www.globalinfo.nl, 29 december 2005)
  • Chris Aalberts: Feest geen uiting van politieke betrokkenheid (de Volkskrant, 4 januari 2006)
  • Frans Bieckmann: Het feestidealisme is opportunistisch en blijft hangen in hype en oppervlakkigheid (NRC Handelsblad, 14 januari 2006)
  • Anil Ramdas: Idealistische jongeren (NRC Handelsblad, 16 januari 2006)
  • Evert-Jan Quak: Idealisme, wat is dat? (www.noticias.nl, 25 januari 2006)
  • Ralf Bodelier: Ontwikkelingshulp gedijt bij globalisering (NRC Handelsblad, 31 januari 2006)
  • Raoul de Jong: Jong! (Internationale Samenwerking, februari 2006)
  • Gustaaf Haan: Maatwerkidealen verlossen ons van de kuddegeest (de Volkskrant, 24 februari 2006)

* * *

Nieuwe idealisten zijn fatsoenrakkers
Menno Hurenkamp
De Groene Amsterdammer, 25 november 2005


De journalist Evert Nieuwenhuis schreef De Grote Globaliseringsgids, een mooi boek dat zonder vooringenomenheid feiten en meningen duidt over de internationale politiek. Die geserreerde houding legde Nieuwenhuis af voor een essay in NRC Handelsblad waarin hij zijn (en mijn) generatie typeert als ‘nieuwe idealisten’. Dat zijn wereldverbeteraars die solidair zijn met de verdrukten der aarden terwijl ze een weekendje New York doen. Idealisme is voor hen ‘een grabbelton’: ze geven met hetzelfde gemak geld uit aan een goed doel als aan Prada-schoenen. De kans bestaat zelfs dat nieuwe idealisten helemaal niks geven voor het goede doel, maar alleen naar een concert gaan dat een mondiale kwestie onder de aandacht brengt.
Nieuwenhuis gaat tekeer tegen critici die vinden dat dit geen idealisme maar ouderwetse liefdadigheid is – of misschien nog minder dan dat, omdat de idealistische jeugd tegenwoordig zijn portemonnee hooguit trekt voor een drankje op een anti-onrechtfeest. Volgens de nieuwe idealisten kun je misstanden veel beter te lijf met oppassend gedrag in het dagelijks leven dan met de ijzeren principes van de jaren zestig. Dus je kunt best met het vliegtuig, als je maar wat stort om ergens een boom te planten. Je kunt best een iPod kopen, mits je daarna wat geld naar Afrika stuurt. Onwillekeurig dringt zich hier de nog altijd levendige praktijk van de katholieke aflaten op: zondigen mag, maar je moet betalen om niet in de hel te komen.
Sierlijk is dat nieuwe idealisten geen ‘Groot Gelijk’ claimen. Ze zeggen niet – zoals de jaren-zestiggeneratie wél deed – op alle problemen een antwoord te hebben. Dat scheelt bombast vooraf en cynisme achteraf. Potsierlijk aan het nieuwe idealisme is dat het geen pijn mag doen. Het zoekt nergens ruzie en loopt volledig in de pas met de verlangens van de kapitalistische economie. Ook ‘sterrenactivisten’ als Marco Borsato of Bono lijken afkerig van conflicten met zichzelf of anderen. Zolang bedrijven als Nike en Ikea letten op wat voor kritieken de jeugd hun geeft, hoeven ze voor hun voort bestaan niet te vrezen. En daar is ook iets voor te zeggen. Maar idealistisch is het niet. Het streven om je eigen verlangens te vervullen zonder anderen te schaden is ‘fatsoenlijk’, niet idealistisch. Idealisme, in filosofische zin, schat ideeën hoger dan de realiteit, en wil, in politieke zin, de werkelijkheid ombuigen richting de droom. Idealisme kan niet anders dan met offers. Daar hebben nieuwe idealisten een broertje dood aan. Ze doen netjes, zonder pretenties te hebben, maar ook zonder plezier in te leveren. Het is een fatsoenlijke houding, en je kunt ermee integreren in elke Vinexwijk.
Begrijpelijk is de kreet wel. Door te poseren als ‘nieuwe idealist’ creëert men een media genieke generatiekloof. Lekker kibbelen met de perfide babyboomers. Wij waren de echte idealisten! Nee wij! En natuurlijk bekt ‘fatsoen’ minder dan ‘ideaal’. Maar de realiteit is dat er door (linkse en rechtse) idealen heel wat meer mis is gegaan in de wereld dan door fatsoen. Nieuwenhuis benoemt niet voor niets de afkeer van ideologische zuiverheid als waterscheiding tussen de nieuwe idealisten en de protestgeneratie van de jaren zestig. Maar ondertussen blijft de jeugd zich wel spiegelen aan de types die de kampen in Goelag goedpraatten. Als ‘nieuwe fatsoensrakkers’ door het leven gaan zou feitelijk juister zijn, en heldhaftiger.

© Menno Hurenkamp / De Groene Amsterdammer

* * *

Hiphop-idealisme is vals
Kees Hudig
NRC Handelsblad, 13 december 2005
Wat ‘praktisch idealisme’ wordt genoemd, bestaat uit het innemen van een vriendelijke allemansvriendpositie waarin het bedrijfsleven en de rijke landen te vriend worden gehouden, betoogt Kees Hudig.


Sinds kort verschijnen berichten over een golf van nieuw idealisme. In Opinie & Debat (NRC Handelsblad, 19 november) hield freelance journalist Evert Nieuwenhuis een betoog waarin hij stelde dat de huidige generatie jongeren al feestend de wereld kan verbeteren. Volgens hem is dit effectiever dan wat “de hemelbestormers van vorige generaties’’ wisten te bereiken met hun onbuigzame principes. De ‘nieuwe generatie’ zou wars zijn van ideologische moeilijkdoenerij en vooral praktisch en vrolijk aan de slag willen. Resultaten in plaats van politieke haarkloverij en daarbij nog permanente lol beleven ook. Wie kan daar tegen zijn?
Maar wie de aangehaalde voorbeelden goed bestudeert, merkt al snel dat er sprake is van nogal veel geblaat om weinig wol. Wie de moeite neemt om te bedenken wat de resultaten zouden zijn van het doorvoeren van deze denkwijze op de langere termijn, zoals de door Nieuwenhuis aangevallen columnist Bas Heijne deed, wordt ook niet vrolijker.
Het beeld van een brave new world doemt op waarin vooral de zakenmannen goed zullen boeren en geen enkele van de grote problemen op het gebied van armoede en milieu fundamenteel opgelost zullen worden.
Het mooiste voorbeeld geeft Nieuwenhuis zelf. Zowel in zijn eigen stuk als in een interview, dat een paar weken daarvoor in Vrij Nederland verscheen, komt hij aanzetten met de oplossing voor het probleem dat het drastisch toegenomen vliegverkeer veroorzaakt. Anders dan de zuurpruimen van de milieubeweging kiest hij voor de ‘praktische oplossing’: je vliegt zoveel je wilt, maar betaalt een paar centen extra voor je ticket zodat één of andere stichting ergens in een ontwikkelingsland wat bomen kan planten. Die bomen - en dat zal best goed uitgerekend zijn - nemen dan precies dat deel van de CO2-uitstoot op dat jouw aandeel in de vliegtocht veroorzaakt heeft. Voor het gemak vergeet Nieuwenhuis dat zijn gevlieg nog veel meer schadelijke effecten heeft. Zoals lawaai, gebruik van schaarse grondstoffen, ruimtegebruik door vliegvelden en aantasting van de stratosfeer.
Daarnaast stoten vliegtuigen natuurlijk nog veel meer schadelijke stoffen uit dan alleen CO2. Al die zaken worden niet ongedaan gemaakt door die paar bomen elders. Bovendien veroorzaken die bomen zelfs nieuwe problemen, die we onder het etiket milieuimperialisme zouden kunnen scharen. Bewoners van armere landen beginnen last te krijgen van dergelijke idealistische productiebossen, die hen van hun bestaansgrond verdrijven en waarvoor soms zelfs oerwoud wordt gekapt.
Uiteindelijk snapt iedereen dat je de schade die wordt veroorzaakt door het vliegverkeer alleen kan beperken door minder te gaan vliegen. Noem het maar zo’n ‘ijzeren principe’ waar Nieuwenhuis zich tegen afzet (hemelbestormend is het in ieder geval niet).
En eigenlijk geldt dat voor alle ‘happy’ voorbeelden die in dergelijke verhalen voorkomen. Dat een boekje als Praktisch Idealisme een bestseller is geworden, is geen sterk argument. Er gaan wel meer boekjes snel over de toonbank. Fastfood consumeert nu eenmaal makkelijk.
Een ander veelgeroemd voorbeeld van dit ‘happy’ idealisme, ook door Nieuwenhuis aangehaald, is het organisatiebureau Coolpolitics. Dat zou erin geslaagd zijn massaal jongeren te interesseren voor politieke onderwerpen. Sceptische waarnemers zouden kunnen stellen dat ze er vooral in geslaagd zijn om uitgebluste politici als Ruud Lubbers op het poppodium te hijsen. Het is inderdaad politiek, maar een stokoude variant ervan en niet bepaald revolutionair.
Dat is ook niet vreemd als je ziet waar dat allemaal van wordt betaald. Want het lijkt misschien of dit allemaal door ‘de jongeren’ zelf wordt georganiseerd en bedacht, maar in werkelijkheid zit er gewoon een hoop geld achter van ‘oude’ ontwikkelingsorganisaties en commerciële media als MTV, de Nieuwe Revu of de Volkskrant. De gevestigde macht, zou je kunnen zeggen. Met een hoop geld een populaire band inhuren en daarmee een zaal vol jongeren lokken, is minder spectaculair dan het lijkt.
Summum van alle heisa is natuurlijk het Live 8-gebeuren van afgelopen zomer, verzorgd door de popmiljonairs Bono en Geldof. De meest symbolische gebeurtenis van dat spektakel, die meestal door Nieuwenhuis en consorten buiten beeld wordt gelaten, was echter het moment dat Geldof superzakenman Bill Gates op het podium hees en uitriep tot de grootste weldoener aller tijden.
Hoeveel gekker zou dit nog kunnen worden? De hele campagne van Bono en Geldof was in nauw overleg met de regering Blair en onder sterke invloed van het bedrijfsleven opgezet. De boodschap was dan ook dat armoede bestreden zou moeten worden door meer te privatiseren. Het publiek zou dat verder kunnen bekrachtigen door een wit polsbandje te kopen. Geen wonder dat dergelijke verhalen enthousiast onthaald worden in kringen van machtige regeringen en bedrijven.
Wat ‘praktisch idealisme’ wordt genoemd, blijkt in feite vooral te bestaan uit het innemen van een vriendelijke allemansvriendpositie waarin je bedrijfsleven en rijke landen te vriend houdt en wat kruimels probeert af te troggelen. Met die kruimels wordt vervolgens een schaamteloze liefdadigheid georganiseerd die een vlag van jong en hip opgeplakt krijgt, maar die vooral lijkt te dienen om eventuele schaamtegevoelens te verdringen.
Zo kun je dan toch lekker naar een Braziliaans strand vliegen om te gaan surfen, aangezien de reis verzorgd is door een commercieel bureau dat ook een tochtje door een krottenwijk ingepland heeft. Het is de ideologie van de absolute ‘win-win’-situatie, waarbij je je nergens meer zorgen over hoeft te maken en waar dansen en consumeren naadloos overgaan in wereldverbeteren. Als dat nou zou werken, of betere resultaten zou opleveren dán het werk van de generatie van de zogenaamde ‘ijzeren principes’, zou het nog tot daar aan toe zijn. Maar voorlopig ontbreken ook de bewijzen daarvoor.
Tot die tijd is het beter om inspiratie te zoeken bij meer confronterende bewegingen die niet wars zijn van een keuze meer of minder en die wel onderscheid durven maken tussen degenen die de problemen veroorzaken en hen die ze zouden kunnen helpen oplossen.
Ver weg van het grote geld en het spektakel van Coolpolitics-partner Mojo (eigendom van de rabiaat rechtse multinational Clearchannel) en MTV zijn dergelijke bewegingen ook in volle ontwikkeling. Gefeest en gedanst wordt daar trouwens ook volop. Maar dan op, bijvoorbeeld, de tonen van Casey Neil’s ‘Dancing on the Ruins of Corporate Multinatonals’.

Kees Hudig is voorman van het XminY Solidariteitsfonds in Amsterdam.

© Kees Hudig

* * *


Kunnen feesten de wereld redden?
de Volkskrant, het Betoog, 24 december 2005
Dertigers verbeteren feestend de wereld, jubelende coole idealisten. Lekker met het vliegtuig, maar dan wel een paar bomen laten planten. Maar moeten we wel zo blij zijn met een generatie die alleen een bijdrage wil leveren aan een betere wereld als zij er zelf lol aan beleeft? Nee, meent Marcia Luyten, want waarachtig engagement blijkt alleen uit gedrag. Dus pak wat minder vaak de auto of het vliegtuig. Jawel, vindt Menno van der Veen. Feesten voor een goed doel is een manier van jongeren om een politiek statement te maken.
Een debat.


JA

Menno van der Veen
de Volkskrant, 24 december 2005

Er zijn twee soorten jongeren. De ene soort staat ernstig in het leven. Hij verwijt zijn generatiegenoten dat die te weinig nadenken, de snelle kicks en vrijblijvende chatboxen verkiezen boven zware gesprekken. Hij is boos op de wereld, vindt dat alles anders moet en vindt vooral dat hij een van de weinigen is die die verandering kunnen brengen. Als er maar eens naar hem geluisterd werd... Die jongere lijdt zwaar aan de wereld, hij meet zichzelf een verleden aan dat zich tot ver voor zijn geboorte uitstrekt. Hij lijdt aan de Vietnamoorlog, de Tweede Wereldoorlog, de kruistochten. Het is een wereldlijder die graag een wereldleider zou zijn. Die jongere is schitterend geportretteerd in Vaders en Zonen van Toergenjev.
De andere soort staat volop in het leven, geniet van vakanties, denkt niet veel na over de toekomst maar is overal voor in. Als er een feest georganiseerd wordt dat in het teken staat van wereldproblemen komt hij graag opdraven. Als het maar een leuk feest is... De andere soort staat naïef in het leven, geniet en is voor de wereldlijder in alles ‘de verwijtbare ander’.
De wereldlijders heb je hard nodig. Ze discussiëren en reflecteren en maken je bewust van de gebreken in je denken, in je handelen. Misschien ervaart de generatie ‘70/’80 wel een gebrek aan wereldlijders, aan mensen die ons dwingen tot debat en reflectie.
Toch kan die naïeveling iets wat de wereldlijder niet kan: hij kan relativeren, en laat zich graag aansporen om het goede te doen. Ook als dat goede niet volledig doordacht is.
Als ik de wereld wilde veranderen (en waarom zou ik dat niet willen?) dan zou ik mijn geld eerder op de naïevelingen dan op de wereldlijders zetten. De wereldlijders vinden mijn initiatieven toch niet deugen, mijn plannen te weinig doordacht, de allianties die ik sluit moreel verwerpelijk en betichten me in het algemeen van vrijblijvendheid.
Maar van hoeveel vrijblijvendheid kun je een jongere beschuldigen die de kwalijke uitstoot van een vliegreis probeert te minimaliseren, die bereid is een politicus die voor meer geld voor de derde wereld pleit als een icoon toe te juichen? Waarom juichen ze die politicus toe? Omdat er nu eenmaal geen andere politicus in Nederland is die de moderne levensopvatting (je scheidt niet, maar een slippertje moet kunnen) verenigt met een politiek ideaal (minder oorlog, minder honger) dat breed wordt gedragen, dat evident is.
Als een politicus wil dat we van hem houden, dan moet hij van een feestje houden. Ruud Lubbers houdt van feestjes, Balkenende niet. (Balkenende wordt uitgekotst door de meeste jongeren behalve op de EO-jongerendag, dan pilst onze premier er eentje mee en wordt hij opeens toegejuicht. Terecht.) Wij houden trouwens niet van Lubbers: wij houden niet van de machtswellustige, niet delegerende no-nonsense recordpremier. Wij houden van Ruudje: de berustende grootvader die droomt van een betere wereld.
De generatie ‘70/’80 heeft nog geen oorlogen veroorzaakt, ze besluit niet over het sturen van vredesmachten, ze heeft geen bloed aan haar handen en niet de politieke beslissingen genomen over privatisering van collectieve goederen of de vluchtelingenpolitiek.
Ze wil een betere wereld. Wat mag je anders van haar verwachten dan dat zij dat ideaal viert? Feesten op een manier die voor oudere generaties als bedreigend of vervreemdend overkomt is de manier van jongeren om een politiek statement te maken. De provo-happenings rond het Lieverdje zijn legendarisch, de liefdeszomer van 1967 is er wereldberoemd mee geworden.
De geschiedenis kent veel voorbeelden van jongeren die vechten voor hun recht om feest te vieren. Er was niets voor ze te doen, dus bouwden ze een feestje. En hoewel er voor de gemiddelde tiener op dit moment waarschijnlijk meer te doen is dan voor de tiener die opgroeide in de jaren ‘60 is de behoefte om samen feest te vieren niet afgenomen. Er zijn overal feesten, elk weekeinde. Mooie, knap georganiseerde, overdonderende feesten. Maar, na het decadente house- nihilisme van de jaren ‘90, proberen we nu om ons er bewust te zijn van het feit dat we straks de leiders van dit land, van de wereld worden. We integreren dat bewustzijn in onze feesten. Je hoeft je kritiek niet te richten op die feesten, ga er liever naar toe. Breng de onderwerpen in die je wil bespreken, verhef het debat. Misschien word je ook wel toegejuicht.
Want wat verwacht je verder?
De idealen van de generatie ‘70/’80 mogen geen doordachte beginselen zijn, ze zijn wel bespreekbaar, en ze leiden niet tot de uitzichtloze botsing van principes die de polemieken in de jaren ‘70 en ‘80 kenmerkten. Discussies die terecht als dogmatisch en orthodox zijn afgeschilderd en die toen iedereen doodmoe was van het discussiëren bleken te leiden tot een technocratische uitverkoop van collectieve goederen (Paars 2) die ons land in een collectieve depressie hebben gestort. Met de ex-marxist Zalm als aanvoerder.
De vorige generatie heeft haar opvattingen over een zinvolle invulling van het leven ingeruild voor midweekjes Maladiven, aandelenfondsen en diners in sterrenrestaurants.
En wij?
Wij slaan die absurditeit gade, troosten onze gescheiden ouders en vieren feest. We proberen ons gevoel voor rechtvaardigheid een plaats te geven in ons uitgaansleven, en in ons consumptiegedrag. We rocken zoals erop Woodstock gerockt werd. Maar grootser, massaler en vooral zonder ontnuchterende kater achteraf. We waren al nuchter. We proberen om geen of-of generatie te zijn, maar een en-en generatie. Niet of geld verdienen, of naar onze idealen leven maar en genieten van het leven, en een betere wereld nastreven. Wij willen niet uitgediscussieerd zijn op het moment dat het er straks echt om gaat, als we de macht krijgen.
Wij zijn een geglobaliseerde generatie die pas later gaat regeren. Wij weten dat de grote wereldproblemen niet op te lossen zijn met een sit in. Wij worden ons als generatie bewust van onze toekomstige positie: we laten ons voorlichten over het fort Europa, over de oorzaken van oorlog, over de bestrijding van aids. We drinken er een peperdure cocktail bij in plaats van een verschraald biertje.
Natuurlijk moeten we ook met elkaar in debat gaan, meer en harder en vooral: we moeten elkaar op onze ‘lifestyle keuzes’ (zie Marcia Luyten hieronder) durven aanspreken. Maar de roep om meer debat, is geen roep om minder te feesten. De roep om meer debat, de noodzaak om een eigen morele taal uit te vinden (want hoe definieer je een betere wereld?) maakt de ‘creditcard-vrijgevigheid’ (idem) niet minder nodig. Geen of-of maar en-en.
We gaan het straks heel goed doen. Daar hoef je niet bang voor te zijn. Wij gaan voorbeeldig regeren! Prettig kerstfeest.

Menno van der Veen (26) studeerde rechten en wijsbegeerte en is medewerker van het Amsterdamse debatcentrum De Balie, de TU Delft en adviesbureau Taqt.

© Menno van der Veen


NEE
Marcia Luyten
de Volkskrant, 24 december 2005


Wij dertigers nemen deze dagen graag ons idealisme de maat: toont mijn generatie, geboren in de jaren zeventig, zich betrokken bij de wereld om zich heen? Nou en of, meent generatiegenoot Evert Nieuwenhuis, auteur van De Grote Globaliseringsgids: ‘Het nieuwe engagement bruist en borrelt overal.’
Nieuwenhuis schetste dat idealisme onlangs ook in NRC Handelsblad: meer dan duizend jongeren vieren in de Melkweg De Nacht van de VN en juichen Ruud Lubbers toe als ware hij Bono. Ze sturen protest-sms’jes naar Amnesty International en luisteren op een popfestival of MTV naar een politiek debat. We verbeteren feestend de wereld, klinkt zijn aanstekelijk credo.
Nieuwenhuis kent de kritiek die het nieuwe engagement uitlokt: ‘Het moet wel leuk blijven, anders zappen ze weg’, om vervolgens juist de vraag naar gedrag onbeantwoord te laten. ‘Schuif dit ‘idealisme à la carte’ niet terzijde – je bereikt er meer mee dan een strak keurslijf van idealen.’
Hier schetst Nieuwenhuis de verkeerde tegenstelling. Het gaat niet om de vraag welk soort idealen het meeste effect sorteert. Het gaat om de discrepantie tussen gedachte en gedrag. Met alleen idealen - à la carte of als een jaren-zestig-standaardmenu - bereik je niks. Het gaat om wat je doet. En nalaat.
Cool-idealisme hoort bij de lifestyle van jonge hoogopgeleiden. Nieuwenhuis verwijst dan ook naar een habitus, een die schuilgaat achter het mombakkes van idealisme. Het feest-engagement is een stijlicoon. Werkt het nieuwe engagement dan niet door in gedrag? Jazeker wel, zegt Nieuwenhuis, en hij somt op: betaal je iPod zonder schuldgevoel door ook geld over te maken aan een onderzoeksproject in Afrika. Vlieg naar New York maar laat ook 59 bomen planten. Koop niet automatisch de goedkoopste boontjes.
Precies daar lopen praktijk en idealisme uit elkaar. Wat blijkt? Wie in woord geëngageerd is, toont dat lang niet altijd in daad. Zo’n tachtig procent van de Nederlanders zegt Max Havelaar-koffie te steunen. Minder dan 3 procent koopt het. De consument wil goedkope koffie.
En is er dan iets mis met het storten van geld voor een goed doel? Integendeel. Of, zoals Nieuwenhuis vraagt: mag goeddoen soms niet leuk zijn? Tuurlijk wel. De tijd dat al wat goed was bitter moest smaken is echt wel voorbij. Alleen: een iPod kopen en ter geruststelling geld storten voor Afrika laat zich niet goed aanmerken als een daad van idealisme. Er is namelijk geen keuze gemaakt tussen alternatieven die met elkaar op gespannen voet staan.
Met zat geld op zak is goeddoen niet moeilijk. Dan kan het én-én: consumeren, genieten en de wereld verbeteren. Opnieuw: daar is niks mis mee, maar maak het niet mooier dan het is. Het feest-idealisme benadert zo de levenslust van de proto-katholiek: geniet van het leven en wees niet bang voor een beetje hypocrisie als dat heel maakt wat eigenlijk verscheurd is.
Ook al kan het soms win-win, dat doet niets af aan de realiteit dat we klimaatverandering alleen vertragen als we minder vliegen, autorijden, kopen, stoken, bouwen; daar helpen 59 troostbomen niet aan. Als we armoede in Afrika willen verminderen, moeten we aids en oorlog stoppen. Dat vraagt grote investeringen in artsen, medicijnen en militairen. Ook moeten veel Europese boeren failliet en moeten wij duurdere producten kopen. Waardoor we minder geld overhouden voor feestjes. En die uitruil, daar lijken dertigers niet toe bereid.
De charmante hink-stapsprong waarmee Evert Nieuwenhuis de tegenstelling tussen genieten en goeddoen overstijgt, staat niet op zichzelf. Wat geldt voor betrokkenheid bij leed ver weg, gaat ook dicht bij huis op. In hun boek Kiezen voor de kudde, lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid laten Jan Willem Duyvendak en Menno Hurenkamp de tegenstelling tussen individu en gemeenschap oplossen in ‘de lichte gemeenschap’. Het gaat dan om ‘lidmaatschappen die je kunt opzeggen, in plaats van verwantschappen voor het leven. Dat leidt tot vluchtiger banden, maar ook tot meer connecties.’ Belangrijk is dat deze gemeenschappen nieuwkomers toelaten, en dat je er ook weer uit kunt vertrekken. Zo’n gemeenschap is precies wat hij belooft: draaglijk licht. Die hoeft het individu niet in zijn vrijheid te belemmeren. Alleen is de vraag hoeveel ‘de gemeenschap’ - zo zonder adjectief staat het woord er ineens hulpeloos en ouderwets bij - opschiet met de onlosmakelijke vrijblijvendheid. Zetten de dertigers zich nog in voor een publieke zaak als dat niet onmiddellijk leuk of rendabel is?
Die maatschappelijke bindingsangst lijkt niet van alle tijden. In het dorp waar ik ben geboren, werden de laatste 33 zomers afgesloten met een feest. Kasteel Wijnandsrade is dan twee dagen in voorbije tijden: jonkvrouwen wiegen hun jurken vol brokaat als de minstreel zijn liefdeslied zingt. Een smid slaat een veldkruis. Aan tafels met schragen eten dorpsbewoners en duizenden bezoekers versgebakken brood met zure zult en drinken ze (natuurlijk Limburgse) wijn en bier.
Dagen tevoren rijdt de kasteelboer zijn wagens en machines de schuren uit. Ook de bewoners van het kasteel maken met hun auto’s en tuinmeubels plaats voor de honderden vrijwilligers die, onder aanvoering van een horde vijftigers, erf en hof innemen met bezems, marktkramen, snoeren en podiumblokken. Dat alles om de kas van de handbalvereniging te vullen. Ook al betalen de leden een minimale contributie, deze sportclub is goed uitgerust. Van de winst van het feest worden T-shirts, trainingspakken, ballen en andere feesten betaald.
Aan het folklorefestival doet een groot deel van de dorpelingen mee – ook mensen die niks met handbal hebben. Het feest voor de Limburgse cultuur bestaat
alleen dankzij al die mensen die ook komen opdagen als het eens niet helemaal of zelfs helemaal niet leuk is. Maar het dorp is eigentijdser dan het misschien zou willen. Jonge ouders hebben geen zin meer om het sportteam van hun zoon of dochter naar een uitwedstrijd te rijden. De handbalvereniging zag zich genoodzaakt eerder ongeschreven regels expliciet te maken: ouders moesten eens per seizoen met de auto mee. Een vrouw van begin dertig zei dat ze daar geen tijd voor had, maar dat ze graag meer contributie zou betalen. Over meewerken op het feest voor Limburgse cultuur maakt de voorzitter zich geen illusies meer. Hij snapt hoe het zit: ‘Dertigers kopen hun betrokkenheid af.’
Mijn generatie zoekt idealisme zonder altruïsme. Gemeenschappen lusten we alleen light, net als het feestidealisme. Goeddoen? Heel graag, als we er geen last van hoeven hebben. Dat is engagement in geest zonder betrokkenheid in gedrag.

Marcia Luyten (34) is cultuurwetenschapper en econoom en werkt als zelfstandig journalist. Ze woonde enkele jaren in Rwanda en schreef daarover het boek Witte geef geld.

© Marcia Luyten

Klik hier om een reactie van Evert Nieuwenhuis te lezen (de Volkskrant, Forum, 31 december 2005).
 

* * *

Geen ‘happy’ illusie, maar wat wel?
Eveline Lubbers
www.globalinfo.nl, 29 december 2005
Het nieuwe idealisme is niet anders dan feesten met een verantwoord jasje, stelt Kees Hudig terecht (NRC Handelsblad, 13 december). Nu hij de voorbeelden van Evert Nieuwenhuis overtuigend onderuit heeft gehaald, is het tijd om te kijken wat wél werkt.


Het feest-idealisme zien als een een reactie op de hemelbestormers van de vorige generatie met hun onbuigzame principes, is in mijn ogen te veel eer. Refereren aan een generatieconflict suggereert een verband dat er niet is. Feest-idealisme heeft helaas weinig te maken met het streven naar werkelijke veranderingen in de wereld. Het is cool om je de status van rebel aan te meten - zie de ruime keuze aan T-shirts met Che Guevara in de Kalverstraat - maar de gevestigde orde schrikt er niet van. Of, zoals de Canadese auteurs van het boek The Rebel Sell betogen, het succes van de tegencultuur heeft zich verzekerd van een eigen plek in de consumptiemaatschappij; en het bedrijfsleven is daar maar wat blij mee (Heath en Potter, 2005).
Deze flirt met verzet kan zich spiegelen met de trends in groen en maatschappelijk verantwoord ondernemen: het ziet er allemaal leuk en hoopgevend uit, maar of het echt wat oplevert is zeer de vraag.
Op z’n best lift de nieuwe generatie mee op het succes van de anti-globaliseringsbeweging die de laatste tien jaar internationaal enorm aan kracht gewonnen heeft (maar vreemd genoeg in Nederland niet de omvang heeft gekregen als elders in Europa). Deze beweging had vorig jaar zoveel momentum, dat een coalitie van arme landen het bij de WTO-onderhandelingen in Cancun aandurfde om nee te zeggen. Nee tegen de rijke landen die hun markten willen overspoelen met goedkope rotzooi, terwijl de economie van het Zuiden niet kan groeien door importheffingen van Amerika en landbouwsubsidies van de EU.
Deze overwinnig is echter niet alleen te danken aan de grote diversiteit van mensen die zich ook daar weer op straat manifesteerden. De kracht van deze beweging zit hem juist in het groeiend aantal netwerken tussen groepen overal ter wereld. Mensen die de gevolgen van de globalisering uit eigen ervaring ondervinden, mensen die informatie verzamelen over misstanden veroorzaakt door privatisering en deregulering, en mensen die de mogelijkheid en de vaardigheid hebben dit alles aan de kaak te stellen, op een plek waar er geluisterd wordt.
Het ondersteunen van deze wereldwijde beweging, of van specifieke groepen daarbinnen, is een vorm van idealisme die wel zin heeft. En dat is waar Solidariteitsfonds XminY van Kees Hudig zich hard voor maakt; en zij zijn gelukkig niet de enigen in Nederland.
Organisaties als de Schone Kleren Campagne, de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen SOMO, het Transnationaal Institute TNI, allemaal doen ze onderzoek naar wat zich grof laat samenvatten als de gevolgen van de globalisering. Ze voeren ze solidariteitsacties voor mensen die helemaal aan het eind van de productieketen onder de slechtste voorwaarden artikelen in elkaar zetten. Ze werken aan Codes of Conduct, regels waaraan de industrie zich dient te houden en onafhankelijke controle daarvan. Ze kijken hoe mensen zelf zich het best kunnen organiseren.
Dat is geen werk dat onmiddelijk resultaat oplevert; er is doorzettingsvermogen voor nodig, en een lange adem. Wie weet is voor sommige mensen het dragen van een wit armbandje uit solidariteit met de armoede in de wereld een opstapje naar dit soort werk - dat zou winst zijn.
Aandacht voor de strategiën van grote bedrijven is meer nodig dan ooit. Politieke beslissingen worden steeds meer bepaald door de belangen van het bedrijfsleven. En die beïnvloeding gaat op alle mogelijk denkbare manieren, zo blijkt uit een plan dat vorige week is uitgelekt via kranten in Engeland en België.
De milieumaatregelen van de EU komen onder vuur te liggen, als het aan de grote bedrijven ligt. In de VS is een informele coalitie er in geslaagd het invoeren van Kyoto-maatregelen tegen te houden. Het Competitive Enterprise Institute, een conservatieve door ExxonMobil gesponserde denktank, is daar trots op. Dat moet hier ook lukken, schrijft Chris Horner, een lobbyist die werkt voor de Brusselse afdeling van deze denktank. Blijkens een email (die nu op straat ligt) zoekt hij partners voor een vergelijkbare campagne in Europa, de “Sound Climate Policy Coalition”. ExxonMobil, Lufthansa en Ford toonden zich al geïnteresseerd voor deze frontale aanval op het EU-beleid tegen verdere opwarming van de aarde.
Het uitlekken van dit plan markeert de start van een invasie van Amerikaanse denktanks in Europa. Dat gaat gepaard met lobby-strategiën die we hier nog niet zo gewend zijn. Geen middel wordt geschuwd om de anti-Kyoto agenda te promoten, zo blijkt uit de stukken van Horner. Adverteren en het schrijven van ingezonden stukken is niet genoeg. Journalisten, politici, academici en politieke commentatoren moeten de juiste opinies naar voren brengen. Internet is belangrijk in de strategie. Politieke discussies beïnvloeden kan via eigen blogs, maar ook door het gebruik van ‘un-attributable quotes’, niet-traceerbare meningen van zg. onafhankelijke derden. Horner stelt voor om “NGO bijeenkomsten te bezoeken, en informatie uit te wisselen over interne tegenstellingen en taktieken”. Inlichtingen verzamelen via het al dan niet openlijk deelnemen aan mailinglisten is een andere optie.
Deze voorstellen doen meer denken aan een geheime operatie van een inlichtingendienst dan aan het voeren van een publiek debat. Nu dit plan is uitgelekt zal het wat moeilijker zijn om bedrijven bij deze coalitie te krijgen, maar de lobby gaat door.
Vorige week werd in Brussel de Worst Anti EU Lobby Award uitgereikt, om aandacht te vragen voor dit soort praktijken - maar dat is niet genoeg. Award-organisator Corporate Europe Observatory en SpinWatch.org gaan door met hun onderzoek naar het lobby-circuit in Brussel, en naar PR van bedrijven en politieke spin. Een beetje hulp daarbij kunnen we goed gebruiken. Het planten van een boom voor afgelegde vliegmijlen weegt niet op tegen de middelen die het grootkapitaal inzet, om maar eens een ouderwets woord te gebruiken. De invasie van Amerikaanse denktanks is nog maar net begonnen. Het zou goed zijn als onderzoeksjournalisten bij kranten, en freelancers als Evert Nieuwenhuis, hun aandacht hierop richtten.

Eveline Lubbers schreef het boek Schone Schijn, smerige streken in de strijd tussen burgers en bedrijfsleven en werkt nu aan een dissertatie over dit onderwerp. Ze is mede-oprichter van www.SpinWatch.org

© Eveline Lubbers

* * *

Feest geen uiting politieke betrokkenheid
Chris Aalberts
de Volkskrant, 5 januari 2006


Menno van der Veen is van mening dat feesten voor dertigers een nieuwe manier zijn om hun engagement te laten zien (de Volkskrant, het Betoog, 24 december). Dit optimisme is niet alleen ongeïnformeerd, maar ook naïef. Jonge burgers komen niet naar feesten om hun betrokkenheid te tonen, al willen de organisatoren het publiek graag iets anders laten geloven.
Mijn onderzoek naar popularisering van politiek laat zien dat jonge burgers zeer traditioneel denken over politiek. Zij keuren populaire initiatieven dan ook eensgezind af: ze zijn niet serieus, niet informatief en dragen niets bij aan een oplossing voor maatschappelijke problemen. Tegelijk herkennen jonge burgers zich in het optimisme van de voorstanders: zij menen dat feesten jonge mensen kunnen aantrekken en enthousiasmeren.
Jongeren vinden feest en vermaak weliswaar niet relevant voor hun politieke ontwikkeling, maar wel voor die van ‘anderen’. Zij verwachten dat anderen door popularisering politiek aantrekkelijker vinden en worden geïnformeerd. Dit is een cynische houding: hoewel op een feest politieke standpunten naar de achtergrond verdwijnen, weten leeftijdgenoten zo weinig van politiek dat een feest voor hen al snel leerzaam is. Ik heb bij de honderden jonge burgers die ik voor mijn onderzoek interviewde niemand kunnen vinden die zei zelf iets van een feest te leren of die beweerde hierdoor politiek betrokken te zijn geraakt. Wel projecteerde men dit vermoeden op anderen: een groep die men niet kent, nooit heeft ontmoet en waarvan het de vraag is of deze überhaupt bestaat. Ook de initiatiefnemers van politieke feesten beweren dat anderen op deze manier betrokken raken, maar kunnen dit niet onderbouwen, zelfs niet met eigen ervaringen: zij zijn zelf vele malen geïnteresseerder dan hun ongeïnteresseerde doelgroep en hebben geen feesten nodig om hun betrokkenheid te tonen. De hoge opkomst van jonge burgers bij deze feesten bewijst het gelijk van de organisatoren niet. De kans is groot dat de bezoekers andere redenen hebben dan het tonen van hun betrokkenheid. De uitdaging is écht te weten wat er onder (jonge) burgers leeft en hoe ze kunnen worden aangesproken, en niet af te gaan op misleidende aannames.

De auteur doet promotieonderzoek aan de Universiteit van Amsterdam naar jonge burgers en popularisering van politiek.


© Chris Aalberts

* * *

Het feestidealisme is opportunistisch en blijft hangen in hype en oppervlakkigheid
Frans Bieckmann
NRC Handelsblad, 14 januari 2006
In het zogenoemde ‘nieuwe engagement’ ontbreken politieke diepgang en begrip voor geopolitieke en economische belangen. Voor die zware verhalen heb je geen feestvierders nodig, maar wereldlijders.


Idealisme is weer in, getuige recente opiniestukken over het ‘nieuwe engagement’ onder jongeren. Freelance journalist Evert Nieuwenhuis betoogde onlangs in deze bijlage dat jongeren maar al te bereid zijn om al ‘feestend de wereld te verbeteren’. Gelukkig, want enig elan kan Nederland wel gebruiken. Op veel plekken in de wereld toonden mensen de afgelopen jaren hun betrokkenheid bij sociale en milieuvraagstukken en protesteerden tegen het – oostelijke en westelijke - fundamentalisme dat de wereldpolitiek beheerst. Maar ons land was naar binnen gericht en overmeesterd door angst, benepenheid en kleinzielig nationalisme. Nadere analyse van het nieuwe engagement stemt echter minder vrolijk. Misschien is het idealisme iets toegenomen in vergelijking met de jaren negentig. Maar het is een enorme achteruitgang in vergelijking met het decennium daarvoor, waarin ‘mijn’ generatie volwassen werd. Het heeft minder inhoud, vermijdt cruciale politieke stellingnamen, en de ‘naïevelingen’ – een van hen, Menno van der Veen, gebruikt het als een geuzennaam – laten een groot gebrek aan historisch inzicht zien en gooien daarmee nuttige lessen uit het verleden overboord.
Toen ik de betogen las, voelde ik (1963) mij plots heel oud. Ik word op één hoop geveegd met de babyboomers waar ik al mijn halve leven zoveel last van heb. Met dezelfde verwijten als ik de jaren zestig generatie altijd gemaakt heb. Zou het toeval zijn, dat ik nu voorbijgestreefd wordt door de kinderen van diezelfde babyboomers? Door een generatie van blije optimisten zonder ideologische last. Die zich nu, getuige de slotwoorden van Van der Veen in de Volkskrant (‘Wij gaan voorbeeldig regeren!’), ook al weer voorbereiden op het pluche. Zou zijn naïviteit gespeeld zijn? Hun ‘levenslust’ lijkt vooral met hun ambities en mogelijkheden te maken te hebben.
In ieder geval is het flinterdunne ‘idealisme’ van Van der Veen helemaal niet uitzonderlijk. In zijn onbenulligheid doet het aan D66 denken: vlees noch vis. Of aan de pretpunks uit het begin van de jaren tachtig: ‘als je haar maar goed zit’. Al tientallen jaren feesten jongeren, roepen af en toe dat ze voor een betere wereld zijn, doen een goede daad als het zo uitkomt, en juichen gehypte politici toe. Niets mis mee, maar pretendeer niet dat je nu iets bijzonders aan het doen bent. Integendeel: niet het feesten is het verschil tussen de generaties, maar het gebrek aan inhoud. De huidige oppervlakkigheid is een grote stap terug in vergelijking met de – soms langdradige, maar wel degelijk relevante – bespiegelingen van vroeger. Ook de pogingen om idealen in de praktijk te brengen (de essentie van praktisch idealisme) gingen vroeger verder dan nu.
Laat één ding duidelijk zijn. Het gaat niet om een wedstrijd tussen generaties. Elk engagement is goed, of dat nou feestend, liggend of vissend wordt betracht. Als Coolpolitics en anderen met gebruik van slimme reclametechnieken jongeren weten te interesseren en zo op eigentijdse manier complexe verhalen weten over te brengen, is dat winst. Niet als het betekent dat je blijft hangen aan de oppervlakte. Nieuwenhuis’ oproep om ter compensatie van de CO2-uitstoot van een New York-vlucht 59 bomen te planten, legt verbanden. En het biedt een concreet, zij het weinig substantieel, perspectief tot idealistisch handelen. Het wekt echter ook associaties op met het Trees for Peace-initiatief van minister Van Ardenne. Misschien dacht zij zo ook meer jongeren te bereiken, maar het lijkt wel erg naïef om te denken dat het planten van bomen op de grens tussen Eritrea en Ethiopië de legers daar van vechten weerhoudt.
Heijne’s verwijt dat het nieuwe engagement vooral tot doel heeft ‘jezelf beter te voelen’, snijdt geen hout. Het ‘lijden aan de wereld’ (Van der Veen) is een kwaal die ik herken, die waarschijnlijk vooral mensen van Heijne’s (en mijn, en Hudigs) no-future generatie treft. Maar dat is niet maatgevend. Ik betrap mezelf ook vaak op de zure toon die doorklinkt in Heijne’s stuk; het ‘we have seen it all’ doodt alle creativiteit en vernieuwing. In dat opzicht moeten we vooral het naïeve optimisme van de praktisch idealisten opsnuiven.
We moeten geen discussie over de vorm (snel en hip) of motivatie hebben, maar over de inhoud en de effectiviteit. Het is ook onzin om je boos te maken over de zoveelste one-issue-NGO of al die doe-het-zelf-ontwikkelingsprojecten: enthousiaste amateurs die op eigen houtje een schooltje gaan bouwen, in hun vrije zomermaanden operaties gaan uitvoeren, een bedrijfje helpen opzetten in een Afrikaans land. Op welke grond kun je al die duizenden mensen het recht ontzeggen een ideaal zelf in de praktijk te realiseren? Al denk ik dat ook hier in veel gevallen opnieuw het wiel wordt uitgevonden en ervaringen uit decennia ontwikkelingssamenwerking genegeerd worden. Het gaat erom of het huidige feestengagement verder gaat dan liefdadigheid en mooie intenties en voortbouwt op inzichten van eerdere generaties. En dat waag ik te betwijfelen.
De nieuwe naïevelingen zetten zich af tegen de voorgaande generaties. Dat is van alle tijden en schudt de boel een beetje op. Maar zij vergeten – of weten niet – hoe groot het verschil is tussen de generaties die opgroeiden in de jaren 60-70 en in de jaren 80. In de jaren zestig was er een ongebreideld vooruitgangsgeloof en alles werd anders. Met een stevige duw viel alles om en werd ook flink wat bereikt. Dan is het makkelijk idealist te zijn. Was er een groter feest dan ‘Mei 68’, Woodstock of de Provotijd? Mijn vroege tienerjaren werden bepaald door de spijt dat ik daar niet bij had kunnen zijn. Het zijn maar een paar voorbeelden uit de tijd waarin de babyboomers de macht kregen aangereikt. De generatie die haar lange mars door de instituties al snel inwisselde voor carrière en geld, met daardoor wel genoeg ruimte voor stevige donaties aan goede doelen. Een relatief kleine groep van deze generatie sloot zich op in communistische keurslijven en raakte verstrikt in starre marxistische interpretaties.
In de jaren tachtig daarentegen overheerste een zwaar pessimisme: economische crisis, kernraketten, Tsjernobyl, verval, uitzichtloosheid. ‘Mijn’ jaren tachtig waren zo bezien slechts het grauwe intermezzo tussen het optimistische tijdperk waarin de babyboomers de leiding kregen en de even zo rooskleurige jaren negentig, het post-Muur-tijdperk. De jaren waarin de aandelenkoersen tot in de hemel schoten en een einde aan de geschiedenis leek te komen. De periode dus waarin de nieuw geëngageerden van nu opgroeiden.
Maar in de jaren tachtig waren er ook heel veel idealisten. Die zich heel anders opstelden dan hun voorgangers. Juist de combinatie van het opportunisme en de verstarring van de babyboom-generatie wekte een tegenreactie op. Het was de tijd waarin het postmodernisme populair was, de ultieme relativering van het ‘grote verhaal’. In antwoord op de grote ideologieën werd een – soms te – praktisch idealisme ontwikkeld: niet lullen maar doen. Er was genoeg gefilosofeerd over de wereldrevolutie, we gingen het gewoon in de praktijk brengen. In het dagelijks leven, in kraakpanden, in collectieven, biologische winkels, met eigen kranten, radio, uitgeverijen, drukkerijen, et cetera. Het idealisme werd in alle aspecten van het dagelijks handelen geïntegreerd, inclusief alle fouten en mislukkingen die zulke sociale experimenten met zich mee brengen. Veel van de zaken die de meer verlichte varianten van het hedendaagse praktisch idealisme propageren, zijn in die jaren ontstaan. Het is uitstekend dat dat nu uitgebouwd en gemoderniseerd wordt, door verantwoord consumeren te combineren met marketingtechnieken – de instrumenten van het vermaledijde kapitalisme.
Maar in de jaren tachtig gingen dit soort praktische handelingen vergezeld van politieke stellingnamen, en alleen dan bieden ze zicht op verandering. Er werd in die jaren op allerlei niveaus actie gevoerd. Het begrip autonomie werd gebruikt om onder de verstikkende ideologische deken uit te komen van de communistische voormannen, die vergeefs probeerden de beweging onder hun schitterende leiderschap te brengen. Er waren geen leiders, ieder deed zijn ding. Alle vormen van actie (uitgezonderd geweld tegen personen) konden naast elkaar bestaan, ieder droeg bij wat hij of zij zich wilde veroorloven. Er waren alleen algemene – idealistische - doelen. Een goed voorbeeld vormden de acties tegen de apartheid in Zuid-Afrika. Van handtekeningenacties, partijpolitieke amendementen, kerkbijeenkomsten, via demonstraties en boycots, tot de omsingeling van het Shell-laboratorium in Amsterdam-Noord en het slangensnijden bij Shell-pompstations.
Het lijkt een beetje op de andersglobalistische beweging die elders in de wereld bestaat. Voor veel mensen werkt die associatie als een lap op een rode stier, maar voor mij is de huidige beweging niets anders dan een internationaal netwerk van autonome mensen en groepen die zich allemaal voor een andere en rechtvaardige mondialisering inzetten. Dat zijn duizenden kleine en grote initiatieven in de hele wereld, waarvan de meest in het oog springende en voor sommigen beangstigende vernielingen van McDonalds slechts een heel klein onderdeel zijn. Wie even verder kijkt, herkent in de andersglobalisten veel van de positieve aspecten van het praktische idealisme. En wie ooit bij het Wereld Sociaal Forum in Porto Alegre geweest is, weet hoe ze kunnen feesten! Met wat meer politieke visie zouden kritische consumenten of praktisch idealisten in Nederland er ook bij kunnen horen.
Het was in de jaren tachtig overigens niet allemaal zwaar en serieus. Reken maar dat er gefeest werd in de jaren tachtig. Veel minder braaf, minstens zo spectaculair en creatief. En niet gesubsidieerd of georganiseerd door ingehuurde bureaus als Globalicious. Een van de termen die toen gebruikt werd om dit praktisch idealisme te omschrijven was overgedreven uit de punkbeweging: Do it yourself. Het lijkt veel op de term die Nieuwenhuis gebruikt: Just do it. Dat is, niet toevallig, de leus van Nike, een van de multinationals die jarenlang doelwit waren van andersglobalisten. In drie woorden stelt hij daarmee subtiel het strakke ideologische verzet tegen multinationals ter discussie. En dat is goed, want er zitten veel kanten aan het gedrag van multinationals in ontwikkelingslanden. Het zijn niet alleen de belangrijkste betalers van smeergeld aan corrupte elites en meedogenloze concurrenten van lokale bedrijven die, na gebruik van belastingvoordelen en zonder iets achter te laten, doorhoppen naar het volgende lage-lonen-land. Zij betalen ook net iets meer salaris, letten ietsje beter op arbeidsomstandigheden en hanteren betere milieucriteria, al was het maar omdat een misstap hen veel onnodige publiciteit oplevert. Deze nuances ontbreken soms bij de antiglobalisten – de minderheid binnen de mondiale beweging die meer nationalistische trekken vertoont. Als het pragmatisme van het nieuwe engagement voor dit soort relativering zou worden gebruikt, zou ik het van harte toejuichen. Ik vermoed dat Nieuwenhuis, gezien zijn zojuist verschenen degelijke en genuanceerde De Grote Globaliseringsgids, dit ook voor ogen heeft.
Het voorbeeld van Just do it (of van de reclamecampagne van T-Mobile: For a better world for you) geeft aan hoe bedrijven inspelen op dezelfde sentimenten die de idealisten inspireren. Het geeft ook aan hoe nauw de scheidslijn ligt, hoe subtiel de verschillen liggen, hoe snel iets in zijn tegendeel kan omslaan, positief of negatief. Het vergt dus enige reflectie en overzicht om de politieke gevolgen van bepaalde uitingen en gedrag te doorgronden.
Juist die politieke diepgang – die veel verder gaat dan het Haagse gedoe, maar maatschappelijke processen in een bredere, internationale context zet – ontbreekt totaal in het nieuwe engagement. Het feestidealisme in Nederland is niet pragmatisch en reflexief, maar opportunistisch. Het blijft hangen in hype en oppervlakkigheid. Het spreekt zich niet uit tegen bepaalde politieke ontwikkelingen, probeert niet de maatschappelijke druk te verhogen. Het ontkent de botsing tussen belangen en de noodzaak van moeilijke keuzes die essentieel zijn voor het bevorderen van een rechtvaardiger wereld.
Naïviteit leidt ertoe dat iedereen met je aan de haal kan gaan. Minister Van Ardenne stelde de praktische idealisten eind november in een speech voor UvA-studenten gelijk aan ‘sociale ondernemers’ en tegenover ‘de cynici’ en ‘de utopisten’. ‘Misschien wel de beroemdste sociale ondernemer is Mister Microsoft himself, Bill Gates’, aldus onze minister. Gates, die zoveel geld uitgeeft voor de bestrijding van ziektes als malaria en aids. Het pragmatisme van de feestgeneratie slaat om in ignorantie als zij de liefdadigheid van Gates loskoppelen van de keiharde zakenstrategieën waarmee hij dat geld verdiende: vergelijkbaar met die van de farmaceutische industrie die de markt van aidsmedicijnen monopoliseert. Gates, die samen met zijn vrouw en popster Bono in de VS is uitgeroepen tot ‘Mens van het Jaar’. Het sluit naadloos aan bij het Live8-denken. Ontwikkelingshulp is mainstream geworden. Met verfijnde PR-technieken, oneliners en eendimensionale boodschappen is het gelukt vele miljoenen mensen weer voor het lot van de armen te interesseren.
Dat is mooi, maar idealisten willen verder dan de mainstream, lijkt mij. Zij zijn niet tevreden met het niveau van ‘bewustzijn’ dat al tientallen jaren boven de maatschappij zweeft. Zij willen dat de mooie beloften echt ingewilligd worden en proberen schijnoplossingen en hypocrisie te ontmaskeren. Het gaat om begrip van de ingewikkelde samenhangen in de wereld, over de geopolitieke en economische belangen; een veel complexere boodschap dan ooit tijdens een biertje op de dansvloer kan worden geconsumeerd. Daar heb je de ‘wereldlijders’ voor nodig: de mensen die de zware verhalen vertellen.
 
Waar gaat de discussie over?
De discussie ontstond door de felle column van Bas Heijne (NRC Handelsblad, 24 september 2005: De burger als potentaat’), die zich verzette tegen de ondraaglijke lichtheid van het engagement van mensen als Cindy Pielstrom met haar initiatief Globalicious: ‘Het idealisme van Cindy is van het nieuwe soort, het soort dat iedere inhoudelijkheid overboord zet in naam van de klantvriendelijkheid.’
Freelance journalist Evert Nieuwenhuis (NRC Handelsblad, 19 november 2005: ‘Feestend verbeteren wij de wereld’ & ‘Liever een praktische idealist dan helemaal geen’, de Volkskrant, Forum, 31 december 2005) pleitte in reactie daarop juist voor het ‘idealisme à la carte’ van de twintigers en dertigers van nu, en onderscheidde dat van de ijzeren principes van de hemelbestormers van vorige generaties. Het nieuwe engagement zou overal ‘bruisen en borrelen’: op popfestivals wordt gediscussieerd over politiek, honderden jongerenbezoeken De Nacht van de VN, miljarden kijken naar Live 8, veel mensen verlaten huis en haard om zelfstandig in een ontwikkelingsland een kleinschalig hulpproject op te zetten. Just do it, aldus Nieuwenhuis, in plaats van het storten van geld op een gironummer - zoals bij Live Aid in 1985.
Kees Hudig, voorman van het XminY Solidariteitsfonds in Amsterdam, heeft veel kritiek op de zienswijze van Nieuwenhuis. In het artikel ‘Hiphop-idealisme is vals’ (NRC Handelsblad, 13 december) schrijft hij dat het praktische idealisme ‘in feite vooral blijkt te bestaan uit het in nemen van een vriendelijke allemansvriendpositie waarin je bedrijfsleven en rijkelanden te vriend houdt en wat kruimels probeert af te troggelen. Hij pleit voor aansluiting bij meer confronterende bewegingen ‘die niet wars zijn van een keuze meer of minder’. Hudig acht het vooral belangrijk dat er wel degelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen degenen die de problemen veroorzaken en hen die ze zouden kunnen helpen oplossen.
Menno van der Veen (de Volkskrant, 24 december 2005) werkt het argument van Nieuwenhuis nog verder uit door de tegenstelling te schetsen tussentwee soorten jongeren: de ‘wereldlijders’ die boos zijn vanwege al het onrecht en vinden dat alles anders moet, versus de ‘naïevelingen’ waaronder hij zichzelf en Nieuwenhuis schaart. Zij staan ‘volop in het leven’, genieten van vakanties en feesten vooral veel. Deze jongeren, geboren in de jaren 70/80, onderscheiden zich door hun grote relativeringsvermogen van vorige generaties, die in diezelfde decennia ‘dogmatisch en orthodox’ discussieerden. Inmiddels zou die oudere generatie de idealen hebben ingeruild voor midweekjes Malediven en worden zij na hunscheiding door hun kinderen getroost.
Van der Veen wijst verontwaardigd het verwijt van ‘vrijblijvendheid’ van de hand, want de jongeren zijn toch bereid om ‘een politicus die voor meergeld voor de derde wereld pleit als een icoon toe te juichen?’ Van der Veen doelt op Ruud Lubbers. ‘Ruudje’, wel te verstaan, de berustende grootvader die droomt van een betere wereld. Niet ‘Lubbers’, de ‘machtswellustige, niet delegerende no-nonsense recordpremier.’
 
Frans Bieckmann is politicoloog en publicist, gespecialiseerd in ontwikkeling en globalisering en schrijver van De wereld volgens prins Claus. Hij is verbonden aan www.wereldinwoorden.nl.

© Frans Bieckmann

* * *

Idealistische jongeren
Anil Ramdas
NRC Handelsblad, 16 januari 2006


Het meest irritante aan mijn generatie is dat ze ontzettend kan snoeven over het eigen falen. Zo van: als het ons niet is gelukt, zal het niemand lukken. Neem nou de discussie die op het ogenblik woedt in NRC Handelsblad en de Volkskrant tussen ouderen en jongeren over de vraag waarom en hoe je de wereld zou moeten verbeteren.
Het begon een paar jaar geleden met een studentenclub die onder de titel ‘Coolpolitics’ feestelijke debatten organiseerde over politieke onderwerpen en een boek van Natasja van den Berg en Sophie Koers met als titel: Praktisch Idealisme. Geen doorwrochte politiek-wetenschappelijke verhandeling, maar zoals de ondertitel luidt: ‘een handboek voor de beginnende wereldverbeteraar’.
Mensen van mijn generatie, ik ben van 1958, reageerden knorrig. De suggestie zou namelijk zijn dat wij ouderen, in onze hoedanigheid van ‘gevorderde wereldverbeteraars’, onpraktische idealen hadden gekoesterd en dat die daarom niets hadden opgeleverd. Als wereldverbeteraars zijn we mislukt, want zie hoeveel ellende er nog is.
In plaats van blij te zijn dat jongeren het nog eens probeerden, maakten we smalende opmerkingen over wereldverbeteraars met iPods en Nikes en Diesel-jeans, die op feesten de muziek drie minuten zachter zetten om te luisteren naar een praatje over vluchtelingen, en daarna weer dansen. Alleen het eigen schuldgevoel probeerden de jongeren te temperen.
Het grappige is dat de jongeren helemaal geen geheim maken van de behoefte om zichzelf prettiger te voelen. Ze zeggen juist dat zij de wereld niet willen verbeteren uit schuldgevoel, maar uit verantwoordelijkheid. Help de armen, redt het milieu uit menselijkheid, uit meevoelendheid, uit naastenliefde.
Vooral die diepchristelijke ondertoon van naastenliefde ergerde ons, alsof schuldgevoel minder diepchristelijk is. En dat ze zo oppervlakkig waren en alleen naar hiphop luisterden en naar muziekclips keken en van die dunne gidsjes lazen, alsof wij oudere wereldverbeteraars vroeger allemaal de Grundrisse der Kritik der Politischen Ökonomie van Marx aan het uitpluizen waren.
Maar terug naar de kernvragen: waarom je de wereld wilt verbeteren en of het nut heeft daartoe een poging te wagen. Is het waar dat wij oudere wereldverbeteraars het alleen maar deden voor de verworpenen der aarde en daarbij grote persoonlijke offers brachten? Onze vergaderingen waren een stuk minder gezellig, dat is zo, we waren het ontzettend met elkaar eens en we moesten toch uren luisteren naar de betogen van onze mede-actievoerders, om daarna te besluiten tot een speldje voor op de wollen trui.
De jongeren van tegenwoordig zijn misschien meer consumenten dan activisten en wij ouderen kunnen nu makkelijk zeggen dat ze dat geld beter kunnen overmaken aan de armen, alsof wij dat ook gedaan hebben. Dat hebben wij niet, in de eerste plaats omdat wij zelf toen minder te besteden hadden, maar vooral omdat er, zeker in de jaren zeventig, goede mogelijkheden waren om bij de overheid subsidie aan te vragen: bijna alle actiecomités werden gesubsidieerd door de toenmalige Nationale Commissie voor Ontwikkelingssamenwerking.
Nogmaals, we vergaderden urenlang en we plakten posters in de stad en we voelden ons daar verschrikkelijk fijn bij, alleen zeiden we het nooit hardop. Later werd de stelling geponeerd dat het juist in je eigen belang is om de wereld te verbeteren. Armen zijn een bedreiging voor onze levensstijl en voor de wereldvrede, daarom is het praktisch en verstandig om armoede te bestrijden. Dat was voor ons een hele opluchting: hoefden wij ons niet meer zo schuldig te voelen over het feit dat wij het zelf prettig vonden als we een keer flink actie hadden gevoerd tegen het grootkapitaal en het militair-industrieel complex.
De tweede vraag is die van het nut van het willen verbeteren van de wereld, en hier treedt pas echt de arrogantie van mijn generatie aan het licht. Wij roepen het hardst dat al onze moeite voor niets is geweest, dat ontwikkelingshulp in een bodemloze put terechtkwam, dat wij allerlei onderwerpen zoals handelsbarrières en de schuldenproblematiek over het hoofd zagen.
Het is een hardnekkige mythe en wij ouderen geloven daar gretig in, maar is het waar dat in de afgelopen dertig jaar niets is bereikt op het gebied van armoede en milieu? Je kunt net zo goed het tegendeel beweren en zeggen dat alles wat door de gevorderde wereldverbeteraars geprobeerd is, min of meer is gelukt. Je kunt dan lukraak de verminderde nucleaire dreiging noemen tussen Oost en West, de beëindiging van de Vietnamoorlog, de afschaffing van de apartheid en de economische groei van India, die als geen ander heeft geprofiteerd van de Groene Revolutie, van nieuwe landbouwtechnieken die door westerse wereldverbeteraars waren ontwikkeld.
Trouwens, hoe zou het komen dat ondernemers tegenwoordig zo veel socialer zijn, dat multinationals zo veel minder vervuilend zijn, dat er zoiets is ontstaan als maatschappelijk verantwoord ondernemen, dat er een Kyoto-verdrag is, dat er millenniumdoelen zijn en dat walvissen en olifanten nog bestaan? Komt het niet door het eindeloos aan de kaak stellen van het wangedrag van het grootkapitaal en het wijzen van consumenten op het feit dat hun voetballen waren genaaid door kinderhandjes?
Het publiekelijk tonen van wangedrag is nu nog veel makkelijker dan vroeger, nu we het internet hebben. De beginnende wereldverbeteraars moeten daar hun voordeel mee doen, maar ze moeten niet komen met de gedachte dat zij de wereld beter zullen verbeteren dan de ouderen dat hebben gekund.
Je kunt het nog scherper zeggen: de beginnende wereldverbeteraars hebben nu zelfs de extra opdracht om het verbeteren van de wereld niet te zien als een monopolie van het Westen. Jongeren in de Derde Wereld laten nu ook van zich horen, ze zijn niet meer met bloedige revoluties bezig, ze zijn ook praktische idealisten geworden. Ze willen ook dvd’s en mobieltjes, zoals de jongeren hier, ze willen een prettig leven en ze willen zich fijn voelen. Ik denk dat het een formidabele beweging oplevert als de praktische idealisten aller landen zich verenigen.
Mijn advies aan beginnende wereldverbeteraars is: begin maar. Luister niet naar de knorrige opmerkingen van de gevorderde wereldverbeteraars. De wereld valt te verbeteren, dat moeten jullie blijven geloven. Hoe zeer wij ouderen ook denken beter te weten.

© Anil Ramdas / NRC Handelsblad
  
* * *
 
Idealisme, wat is dat?
Evert-Jan Quak
www.noticias.nl, 25 januari 2006


De discussie over het gebrek aan idealisme bij de jeugd steekt eens in de zoveel tijd de kop op. Nu ook weer. Er is een nieuwe hausse aan columns en ingezonden artikelen over de feestende, consumptief ingestelde hedendaagse jongeren. Freelance journalist Evert Nieuwenhuis hield op 19 november een betoog in het NRC Handelsblad ten faveure van het ‘praktisch’ idealisme van deze jongeren. Sindsdien kruisen voor- en tegenstanders de degens.
Grappig aan deze discussie is dat volledig voorbij wordt gegaan aan de werkelijke inhoud van het woord idealisme. Idealisme in de letterlijke betekenis van het woord is de opvatting dat alleen ideeën de ware werkelijkheid vormen. Dat kan dus vele verschillende gedaanten aannemen. Een fanatiek moslim die het ideaal van een theocratische samenleving nastreeft, is net zo goed idealist als een fanatiek milieuactivist die in bomen klimt om de boskap tegen te gaan. Hetzelfde geldt voor het woord ‘wereldverbeteraar’. Een vervent voorstander van vrijhandel als Jagdish Bhagwati vindt zichzelf waarschijnlijk net zo goed een wereldverbeteraar als Noreena Hertz. Ik wil maar zeggen dat de argumentatie achter een idee en de manier waarop iemand een ideaal wil verwezenlijken veel belangrijker zijn dan de naam die je het beestje geeft.
Het woord ‘idealisme’ heeft een positieve klank, maar als waarde op zich is het eigenlijk een leeg vat. Toch wordt er veel geld en energie gestoken in de promotie van Het Idealisme onder de jeugd..
Het Idealisme moet verkocht worden, aan de man worden gebracht. Hele teams, die daar goed voor worden betaald, buigen zich elke dag weer over nieuwe initiatieven om de jeugd te beïnvloeden. De trucjes zijn dezelfde die het bedrijfsleven hanteert: mensen het gevoel geven dat ze met het ‘product’ een betere status krijgen. Het is dan ook niet vreemd dat er veel geld omgaat achter de schermen van Coolpolitics of Dance 4 Life. Vaak worden dit soort nieuwe initiatieven gefinancierd vanuit het bedrijfsleven of organisaties die hun ‘positie’ in het maatschappelijke debat willen behouden.
Laten we het lege woord ‘idealisme’ liever vergeten. Laten we niet in de valkuil van de modegevoeligheid trappen, door kortzichtig de trucjes van het bedrijfsleven over te nemen. Een rechte rug tonen is op de lange termijn veel belangrijker. En dat betekent werkelijk staan voor je ideaal en daar iets voor willen opofferen. Dat dwingt op den duur meer respect af dan zapgedrag.
Een voorbeeld. Het enige gemeenschappelijke ideaal van de andersglobalisten is dat zij willen dat het huidige neoliberale dogma uit de wereld verdwijnt. Welk alternatief ze nastreven is niet eenduidig. Daar wordt heftig over gediscussieerd. Bijvoorbeeld tijdens het World Social Forum dat dit jaar in Carácas plaatsvond . Daar ontstaan netwerken, gelegenheidscoalities en wordt informatie uitgewisseld. Die informatie kan worden gebruikt om goede campagnes te starten. Dat klinkt misschien niet erg sexy of ‘cool’, maar dat zet uiteindelijk wel zoden aan de dijk.
Gelukkig kan bij dit soort serieuze aangelegenheden ook worden gedanst en gelachen, niet met gesponsord bier en zonder gesponsorde bands. Maar wel met een rechte rug.
 
© Evert-Jan Quak / www.noticias.nl
 
* * *

Ontwikkelingshulp gedijt bij globalisering
Ralf Bodelier
NRC Handelsblad, 31 januari 2006

Zowel de 'feestidealisten' als de 'wereldlijders' willen daadwerkelijk iets doen aan de hartverscheurende armoede in landen die vandaag per lijnvlucht te bereiken zijn. En daarin staan ze niet meer alleen. We lijken aanbeland in de volgende globaliseringsronde. Die van morele globalisering, meent Ralf Bodelier.

Wanneer voor ons huis een kind met zijn fiets valt, zullen we het helpen om weer overeind te komen. Wanneer het kind gewond is, besparen we ons kosten noch moeite om het naar huis te brengen of 112 te bellen. Want medelijden, compassie met mensen die in de problemen zitten, is voor de meesten van ons vanzelfsprekend.
Geldt dit ook voor hulp aan de mensen in de Derde Wereld? Ogenschijnlijk niet. Want in hetzelfde tijdsbestek waarin we hier een kind naar het ziekenhuis brengen, sterven in Afrika tientallen kinderen. Kinderen die we met evenzoveel kosten en moeite kunnen redden. De harde werkelijkheid is nog steeds die van H=E:A. ‘Hulp is Ellende gedeeld door Afstand’. Niet minder relevant is het feit dat velen denken dat armoede in Afrika een complex probleem is dat al even complexe oplossingen vereist.
Precies met deze vooronderstelling breken de zogenaamde ‘feestidealisten’. Zij menen dat je met praktische hulp wel degelijk veel kunt doen. Ze stoten daarbij op de ‘wereldlijders’ die veel politieke en economische beren op de weg zien. Toch is er iets wat beide partijen met elkaar verbindt. Zowel de feestidealisten als de wereldlijders willen daadwerkelijk iets doen aan de hartverscheurende armoede in landen die vandaag per lijnvlucht te bereiken zijn. En daarin staan ze niet meer alleen.
Want in deze prille 21e eeuw is er sprake van tendens die zich buiten de publieke discussie afspeelt maar niet minder interessant is. Zij kwam helder aan licht tijdens de golf van liefdadigheid die na de tsunami van 26 december 2004 over de wereld spoelde. Althans over dat deel van de wereld dat economisch, technologisch en cultureel met elkaar is verweven: het geglobaliseerde deel van de wereld.
Maar liefst tien miljard dollar schonken de burgers van deze geglobaliseerde wereld aan de slachtoffers van de zeebeving. De gemiddelde Nederlander gaf 31 dollar aan acties, die door meer dan één miljoen landgenoten op touw werden gezet. Dat was minder dan de 66 dollar die de gemiddelde Australiër gaf, of de 57 dollar van de gemiddelde Noor. Maar het was veel meer dan mensen gaven in rijke landen die zich afsluiten voor de rest van de wereld. Zoals de Saoedi's die iets meer dan één dollar schonken. Of de burgers van het in zichzelf opgesloten Frankrijk, die gemiddeld 94 dollarcent gaven.
Sceptici wijzen erop dat de tsunamislachtoffers deze miljarden onder meer te danken hadden aan de roezige kerstsfeer en het feit dat velen de vakantieparadijzen van Thailand en Sri Lanka kennen. Toch wijst de goedgeefsheid op een breder verschijnsel, een fenomeen dat de Britse historicus Timothy Garton Ash 'morele globalisering' noemt. Hij constateerde na de inzamelingsacties dat ‘burgers uit de rijke wereld zich in toenemende mate identificeren met mensen van ver weg, en menen dat ze tegenover hen een morele verantwoording hebben.’ Ash’ constatering lijkt terecht.
Wat deze morele globalisering aanjaagt, is het feit dat we steeds meer verre reizen maken. We stuiten op zieken, daklozen, bedelaars. Op mensen die ook gezond, gehuisvest en aan het werk hadden kunnen zijn. Mensen voor wie wij iets kunnen doen. En voor wie we in toenemende mate ook iets willen doen. Overigens ontkomen ook de thuisblijvers steeds minder aan de wereld. De globale media zorgen er wel voor dat we dag in, dag uit, het leed meemaken dat anderen treft.
Dat was dertig jaar geleden wel anders. KRO-journalist Aad van den Heuvel beschrijft in zijn recent verschenen journalistieke memoires, hoe het Chinese Tanshan in 1976 getroffen werd door een aardbeving die tussen de 225- en 650 duizend mensen het leven kostte. Uit het communistische China kwamen geen beelden van de ramp, de wereld hoorde er dus niets van en daarom was ook niemand betrokken. Vergelijk dit met de aardbeving in Kasjmir van afgelopen oktober. Na enkele uren later had CNN al de eerste beelden. Eind november was bijna zes miljard dollar aan hulp toegezegd. En nu waren het geen vakantieparadijzen die tijdens ons kerstdiner werden getroffen, maar baardige, orthodoxe moslims in een ruig berglandschap waar toeristen zich maar amper vertonen.
Wanneer inderdaad sprake is van een nieuwe, morele ronde in de globalisering, dan stemt dat optimistisch. Want door de toenemende welvaart in het geglobaliseerde deel, werd de kloof met het achterblijvende alleen maar groter. Daarom hebben we niet minder, maar méér globalisering nodig. Niet minder, maar meer bemoeienis met de armen. En daaraan hangt een prijskaartje. Gelukkig blijken we bereid om die prijs te betalen. Zo geeft de Nederlandse overheid dit jaar bijna vier miljard euro aan ontwikkelingshulp. En hoewel bijna vier op de tien Nederlanders vindt dat veel van deze hulp slecht wordt besteed, meent ruim tachtig procent dat er niet op bezuinigd mag worden. Vond in 1990 nog twintig procent van alle Nederlanders dat de overheid méér moet uitgeven aan hulp, inmiddels is dat 34 procent.
Daarin staat Nederland niet alleen. Vrijwel alle landen in het geglobaliseerde deel van de wereld verhogen op dit moment hun ontwikkelingshulp. En dat doen ze fors. Dat blijkt uit nieuwe cijfers die de OECD, de club van de rijkste dertig landen, afgelopen maand presenteerde. In 2003 gaven we zeventig miljard dollar, in 2004 bijna 80 miljard, en dit jaar zullen we doorstomen richting 100 miljard. De OECD verwacht dat we in 2010 niet minder dan 130 miljard dollar vrijmaken voor ontwikkelingshulp.
Met de acties die wij na de tsunami ondernamen, kwam bovendien iets aan de oppervlakte wat al langer sluimerde. Wij accepteren niet alleen dat een deel van ons nationaal budget opgaat aan ontwikkelingssamenwerking. We doen ook zélf graag aan ontwikkelingshulp. Zo is de Nederlandse minister van Ontwikkelingssamenwerking weliswaar de belangrijkste geldschieter, de enige is ze allang niet meer. Ook lagere overheden, kerken en vakbewegingen zetten ontwikkelingshulp op de agenda. Gemeenten knopen stedenbanden aan in Afrika, Azië of Latijns-Amerika. Vakbonden maken zich sterk voor betere arbeidsomstandigheden in ontwikkelingslanden. En het bedrijfsleven krijgt oog voor de Derde Wereld onder het motto van 'maatschappelijk verantwoord ondernemen'. Bovendien telt Nederland zo'n 350 formele particuliere ontwikkelingsorganisaties, waaronder de Leprastichting of het Rode Kruis.
Vervolgens zijn hier naar schatting meer dan tienduizend clubjes die zich direct inspannen voor concrete projecten in het Zuiden. Daaronder 'Stichting Kinder-hulp Burkina Faso', in het leven geroepen door Monique Wolters uit Roermond. En de stichting 'Nabuur' van de kunstenaar Siegfried Woldhek uit Amersfoort die Nederlandse dorpen via internet in contact brengt met dorpen in Equador, India of Kenia. En wat te denken van de jonge Nederlandse arts Nienke Sonneveld? Zij ontdekte in het Malawiaanse stadje Mangochi dat de zwaar ontstoken huid van albino's geneest met simpele zonnebrandcrème. Zij richtte de stichting 'Afrikaanse Albino's' op en stuurt nu vele honderden liters crème richting Malawi, Zambia, Mali en Senegal.
Het is de Hollandse variant van de morele globalisering, recht uit het hart, overwogen, goedkoop en uiterst effectief. Projecten als deze waren tot voor twintig, dertig jaar geleden maar amper uit te voeren. En hoewel H=E:A nog steeds geldt, neemt het belang van de factor Afstand snel af. En dat is winst voor de H van Hulp.

Ralf Bodelier is journalist en schrijver. Vorig jaar verscheen van hem 'Tegen de Angst. Optimisme als opdracht voor de 21e eeuw'. Hij werkt nu aan een boek over de toekomst van de ontwikkelingshulp.

© Ralf Bodelier / Words Unlimited

* * *
 
Jong!
Raoul de Jong 
Internationale Samenwerking, feb 2006

Er was een tijd dat ik wilde dat ik jong was in de jaren zestig. Vanwege de kleren, de kleuren en de muziek, maar waarschijnlijk toch het meest vanwege al dat idealisme. Dat er nog wat was om voor te vechten enzo, en dan allemaal samen. Helaas: tegen de tijd dat ik geboren werd had men wel begrepen hoe verstikkend idealen kunnen zijn en dus waren het niet Janis Joplin, Jimy Hendrix en The Doors met wie ik opgroeide, maar Michael Jackson, Madonna en Beverly Hills 90210. ‘Rijk en beroemd worden!’, schreeuwden zij. Pakken wat je pakken kan en hou het lekker voor jezelf. Maar, let op: de tijden zijn veranderd. Zoals journalist Evert Nieuwenhuis opmerkt in een artikel in NRC Handelsblad: “Goed nieuws: jongeren zijn weer geëngageerd.”
Er zijn weer idealisten, ‘praktische idealisten’ noemt hij ze. Idealisten die zich onderscheiden van de andere idealisten, door geen ‘ijzeren principes’ aan te hangen. Ja, ze willen de wereld verbeteren, maar dan zonder er hun hele leven voor om te gooien, feestend zeg maar. Relaxed. Gewoon een iPod kopen, maar dan wel wat geld overmaken naar Afrika. Gewoon naar New York vliegen, maar dan wel ergens wat bomen laten planten via internet. Je laveloos zuipen en je volvreten, maar dan wel voor een goed doel. “Het nieuwe engagement bruist en borrelt overal”, zegt Nieuwenhuis, en inderdaad: de Dansen voor Tsunami-, Pakistan- en Darfurparties waren niet uit de lucht de afgelopen tijd. Overal zag je polsbandjes, voor liefde, tegen armoede, voor respect, overal zaten jongeren met elkaar te debatteren en alle zichzelf respecterende popgroepen namen geëngageerde liedjes op. Krezip deed het voor Novib, Ali B. deed het met Marco voor War Child en in zijn uppie voor Plan en Lange Frans en Baas B. deden het helemaal uit zichzelf. Het moge duidelijk zijn: feestend de wereld verbeteren is het nieuwe cool.
Maar helpt het ook, dat is de vraag.
Ja, zegt Nieuwenhuis, juist omdat het zo weinig vraagt van de mensen, dat ze het op deze manier ook vol kunnen houden. Nee, denk ik, omdat dit nieuwe idealisme toch vooral een noodoplossing lijkt, voortkomend uit onzekerheid. God die was het niet en al die idealen met ijzeren principes die hem moesten vervangen, waren het ook niet. Zelfs het kapitalisme heeft gefaald. We rennen er nog wel achteraan, de roem en het fortuin, maar we weten van tevoren al dat het ons niet alles brengen zal. Wat het dan wel is, dat weten we niet.
En dus is dit het maar. Een halfbakken compromis dat de praktische idealisten zelf in elk geval een gevoel van zekerheid geeft, het gevoel dat ze goed bezig zijn. Wat helemaal niet erg kwalijk is natuurlijk, ware het niet dat mensen die denken dat ze goed bezig zijn, die denken te weten hoe het moet, meestal niet zo veel begrip hebben voor andersdenkenden. Ik voel hem in elk geval wel, die druk. Dat je niet cool bent als je niks over politiek te zeggen hebt, dat je geen goed mens bent als je niet op 555 stort, dat je geen goed mens bent als je niet 59 bomen plant nadat je naar New York bent gevlogen. En zo wordt dit praktische idealisme, hoe vrij en weinig eisend het ook moge zijn, toch eigenlijk weer een idealisme als alle anderen, van ijzer, een beetje dictatoriaal.
Er was een tijd dat ik wilde dat jong was in de jaren zestig, inmiddels is die tijd wel weer voorbij. Omdat dit eigenlijk een hele mooie tijd is om jong te zijn. Gister drong dat voor jet eerst tot me door, toen ik het erover had met wat mensen in een klein kamertje in New York. Juist omdat het ook heel mooi kan zijn om het allemaal niet te weten. We willen wel, maar we weten niet hoe. Onzeker zijn we, iedereen is zoekende en daar worden mensen mooie mensen van. Nederig, kwetsbaar en open. Laten we dat vooral nog even blijven tot we iets hebben gevonden waar de wereld echt beter van wordt.
 
© Raoul de Jong

* * *

Maatwerkidealen verlossen ons van de kuddegeest
Gustaaf Haan
de Volkskrant, 24 februari 2007
Natuurlijk hebben jongeren nog wel idealen, maar ze belijden ze op een heel andere manier dan de generaties voor hen. Geen geitenwol of hanekam, maar ieder zijn eigen idealen in een internettijdperk, bepleit Gustaaf Haan.

Politiek is iets voor mensen met idealen. De Wiardi Beckman Stichting (WBS), het wetenschappelijk bureau van de PvdA, vroeg ons, elf onderzoekers in de leeftijd tussen de twintig en de dertig jaar, op zoek te gaan naar de idealen van onze generatie.
Onze eerste indruk was verrassend: het lijkt wel alsof we ons nergens boos over maken. We consumeren en communiceren ons te pletter, maar ons organiseren doen we nauwelijks en zeker niet voor de Goede Zaak. Erger: we begrijpen ook niet zo goed wat onze ouders daar in het Maagdenhuis deden, en waarom we nog steeds overal die stickertjes tegenkomen: ‘Kernenergie? Nee bedankt’. Wij hebben dat idealisme lijkt het niet meegekregen.

Boring Nineties
Misschien komt het door de zorgeloze jaren ’90. De maatschappij had in de tweede helft van de vorige eeuw grote stappen gemaakt, juist door de inspanningen van eerdere generaties. De verzorgingsstaat was opgebouwd, vrouwen geëmancipeerd, instituties gedemocratiseerd, noem maar op. Op internationaal niveau waren de Verenigde Naties en het verschijnsel ontwikkelingssamenwerking ontstaan en in 1989 werd met de val van de Berlijnse muur het laatste grote probleem opgelost dat de wereldpolitiek had gedomineerd. De maatschappij was af. In de jaren ’90 leek het of iedereen een huis had, genoeg te eten en werk, veel werk.
Wie toen opgroeide, leerde dat geld makkelijk te verdienen was en dat de weekends er waren om het met handenvol weer uit te geven. Het was de tijd van de houseparty’s tot maandagochtendvroeg, zuipfeesten voor tieners en studenten, coke en pillen. Natuurlijk gebeurde er wel eens wat in de wereld, maar niet in de onze. Het oorlogje in de golf, Monica Lewinsky, de dood van Rabin en Diana: het waren berichten uit een andere werkelijkheid. Met ons eigen leven had het even weinig te maken als de drama’s in Melrose Place. Niemand had problemen, iedereen had aandelen.
De economische verwachtingen die internet had gewekt, zakten pas aan het eind van de jaren ’90 weer in, en 9/11 gaf de nekslag. In korte tijd maakte een sufgefeeste generatie alsnog kennis met het fenomeen ‘maatschappelijk vraagstuk’. Islamisme, xenofobie, werkloosheid en politieke aanslagen: nieuws gebeurde opeens op de hoek van de straat, en eiste een standpunt.
De generatie van die boring nineties heeft dus een inhaalslag moeten maken.
En nog steeds is idealisme niet onze grootste hobby. Althans, niet het idealisme van vroeger. We gaan voor weinig de straat op en compromisloze wereldverbeteraars zijn een anachronisme. Dat lijkt een ongeïnspireerde houding, maar misschien komt die wel voort uit optimisme. Juist omdat stabiliteit en overvloed voor ons zo normaal waren, zien we recessies en conflicten als tijdelijke akkefietjes. Problemen zijn er om op te lossen, niet om een leven lang tegen te strijden. Want voor de jaren ’90 geldt misschien wel méér dan voor elke andere periode: toen was geluk nog heel gewoon.
Waarom heeft dat ‘klassieke’ idealisme afgedaan? Een andere typering zegt dat wij de netwerkgeneratie zijn. De netwerkgeneratie zet zich wel degelijk in om de maatschappij een stukje verder te helpen, maar zonder zich langdurig te verbinden aan één stroming of instituut. Neem de leegloop van de vakbonden: alleen wie een concreet probleem met zijn werkgever moet oplossen, wordt nog lid. Kranten, omroepen en verenigingen merken het allemaal: de netwerkgeneratie leeft van proefabonnement naar proefabonnement. Onvoorwaardelijke saamhorigheid is ons vreemd.
Dat betekent nog niet dat het verschijnsel ‘groep’ verleden tijd is. In zijn boek Kiezen voor de kudde signaleert Menno Hurenkamp het ontstaan van nieuwe sociale verbanden in ‘lichte gemeenschappen’: de jongens die op zondag voetballen in het Vondelpark, de moeders die om de beurt elkaars kinderen van school halen en de student die zijn onderbuurman Nederlandse les geeft. Lichte gemeenschappen zijn informeel, tijdelijk en vaak ad hoc. In plaats van vaste structuren vormen wij liever een uitgebreid maar flexibel netwerk van losse contacten. Onze generatie was de eerste die opgroeide met internet als alledaags handigheidje, en voor wie het leven zonder mobiele telefoon ondenkbaar is. Want daar bestaat ons netwerk: op Hyves, Skype, msn, in Outlook en via sms.
En zoals ons adressenbestand groter, maar ook meer diffuus wordt, zo gaat dat met ons beeld van een betere wereld. Voor vorige generaties was die ‘betere wereld’ nog een overkoepelend ideaal waar alles overzichtelijk in paste. Je kon best demonstreren vóór democratie en vrouwenrechten, en tégen woningnood en kernenergie tegelijk, want je streed altijd voor de Goede Zaak. Voor ons is dat containeridealisme niks. We lossen problemen liever per stuk op. Dat moet ook wel, omdat sommige idealen onverenigbaar blijken.
De lawaaiactie op de Dam na de moord op Theo van Gogh in 2004 liet dat goed zien: niet iedereen die opkwam voor de vrijheid van meningsuiting stond ook achter de mening die Van Gogh in zijn werk had uitgedrukt. Sommige demonstranten wilden hun afkeer van islamisme tonen, anderen wilden juist de dialoog redden die Mohammed B. had verstoord. Over de problemen waren we het eens, over de oplossing steeds minder. Goedbeschouwd is elke demonstratie een ratjetoe van meningen waarin niemand zich nog helemaal thuis voelt, in plaats van iedereen een beetje. Idealisme is persoonlijk, dus maatwerk.

Commercie
In de netwerkgeneratie zijn grote groepen niet meer op de been te brengen met een beroep op loyaliteit aan de kudde. Daar is meer voor nodig. We verwachten er iets voor terug: een handige werkervaring, een nieuw netwerk of desnoods een goed feest. En zo gaan we naar een hip Dance4life (Start dancing, stop aids), vragen we op 3FM plaatjes aan tegen landmijnen, en organiseren we een Diner tegen Honger – zonder enige ironie. Evert Nieuwenhuis noemde dat zelfs heel enthousiast ‘Nieuw Idealisme’. Anderen wezen hem erop dat idealisme méér moet zijn dan een onvergetelijke ervaring die past in de reeks bungeejumpen en backpacken door Australië. Wie de wereld echt verder wil helpen, moet ook offers brengen. Zonder omzien.
Daar zit wat in. En toch is het onterecht om dat ‘consumerend weldoen’ als huichelarij af te doen. Het is juist een hele opluchting dat de argwaan tegen commercie is verdwenen. Het ‘Nieuw Idealisme’ van Nieuwenhuis is daar maar één kant van. De andere kant is bijvoorbeeld het besef dat eerlijke koffie niet alleen eerlijk moet zijn, maar ook betaalbaar en vooral: te drinken. Eindelijk begrijpen verantwoorde kledingmerken dat hoogstens 2 procent van de klanten geïnteresseerd is in een ecologisch keurmerk; de rest wil er gewoon goed uitzien. Ben and Jerry’s ijs verkoopt niet alleen zo goed vanwege de verantwoorde ingrediënten, maar vooral omdat het lekker is. De drempel om goed te doen, is minder hoog en per saldo levert dat meer op. Idealisme hoeft geen geitenwol of hanenkam meer, en dat is pure winst.
Netwerken, consumeren en de boring nineties: niet iedereen zal zich evenveel in elke typering herkennen. Uiteindelijk is dat minder belangrijk dan het feit dat de idealen van onze generatie blijkbaar aan het zicht worden onttrokken door pragmatisme en ongebondenheid. Is dat erg? Natuurlijk niet. Het is lariekoek dat een ‘geïndividualiseerde samenleving’ haaks zou staan op streven naar verbetering. De WBS Werkplaats vindt juist dat idealen beter haalbaar zijn als ze niet meer zo samenklonteren als vroeger. In het boek Politiek van de Netwerkgeneratie schetst de WBS Werkplaats ideeën voor een nieuwe politieke generatie. Een paar voorbeelden.
Eén thema dat moet losweken uit een kluwen idealen, is energiebeleid. Van oudsher is het de milieulobby die het energievraagstuk claimde en het heeft ingebed in haar bekende verhaal over de waarde van natuur en de zorg voor onze planeet. Maar juist door dat etiket bleef het onderwerp altijd buiten het zicht van de enorme groep kiezers die ongevoelig is voor zulke argumenten.

Klimaatverandering
Onze generatie ziet energiebesparing ook als een economische noodzaak. We nemen klimaatverandering veel serieuzer dan het regeerakkoord dat doet. Maar zelfs dat is geen puur ‘groen’ thema meer: ook wie beschermde diersoorten en natuurgebieden saai vindt, mag zich zorgen maken over het klimaat. Iedereen die geen zonnepanelen op zijn dak heeft mag tóch meedenken over een oplossing. En het belangrijkste: onbeschaamd eigenbelang is geen verboden argument. Ook als de olie níet opraakt en de dijken het wél houden, zou duurzaamheid in de toekomst wel eens heel lucratief kunnen blijken.
Of neem integratie. Voor ons is het geen halszaak dat allochtonen genoeg feitjes over Willem van Oranje in hun hoofd kunnen stampen om voor een inburgeringstoets te slagen. Normen en waarden bestaan niet in meerkeuzevragen, maar in de dagelijkse praktijk. Wat we wél willen, is dat alle Nederlanders (mee)werken, dat ze weten hoe een Nederlands ziekenhuis of school werkt. Om dat te leren is het niet genoeg een boekje te bestuderen, daarvoor is het nodig om méé te doen. Daar mag best wat dwang bij, zolang het doel niet uitsluiting, maar opname in de maatschappij is.
Maar is de samenhang in die maatschappij zélf niet aan het verwateren? Een slecht teken is dat jongeren relatief weinig vrijwilligerswerk doen. De WBS Werkplaats heeft daarom voorgesteld om jongeren een Sociale Beurs te bieden; een redelijke vergoeding waartegen ze zich buiten school nuttig kunnen maken in delen van de maatschappij waar ze anders niet snel komen. Want als jongeren zich voor een kleine toelage of een officieel certificaat wél willen inzetten, waarom niet? Dat de ChristenUnie in het regeerakkoord een verplichte jongerenstage heeft kunnen opnemen, is dan ook een gemiste kans. Voor een meer eigentijdse variant verwijzen we minister Rouvoet graag naar ons boek.
De generatie van de boring nineties, kortom, gaat inderdaad op een andere manier met de maatschappij om. Feit is dat er geen massa’s krakers, provo’s en studenten zijn die als één man de barricades opgaan. Maar daarmee zijn de idealen nog niet verdwenen. Zoals sinds de Ipod ieder voor zich bepaalt welke nummers ‘Alle Dertien Goed’ zijn, zo heeft ieder nu zijn eigen beeld van de Goede Zaak. Misschien weten we ieder voor zich wel beter wat er aan schort, dan de idealistenkuddes van vroeger.

© Gustaaf Haan
 

Meer weten?
  • Klik hier om de uitzending van het televisieprogramma VPRO’s Boeken&cetera te bekijken, waarin Chris van der Heijden en Evert Nieuwenhuis debatteren over idealisme onder jongeren.
  • Luister ook naar een gesprek over dit onderwerp in het radioprogramma 747 Live tussen presentatrice Mieke Spaans, Hans Eenhoorn (hongerbestrijder voor de VN en oud-topman van Unilever) en Evert Nieuwenhuis.
  • Mei Li Vos, Frans Bieckmann en Evert Nieuwenhuis debatteerden in het radioprogramma 1 Op de Middag over idealisme onder jongeren.
  • Weekblad Vrij Nederland publiceerde op 22 oktober 2005 een kloek achtergrondartikel over idealisme onder jongeren. Klik hier om het te lezen.

Reacties op het artikel “Vlieg lekker naar New York, maar plant ook 59 bomen - feestend verbeteren wij de wereld”

NRC Handelsblad, de Volkskrant & De Groene Amsterdammer, 25 november 2005
Overzicht van reacties op het artikel “Vlieg lekker naar new york, maar plant ook 59 bomen - feestend verbeteren wij de wereld” van Evert Nieuwenhuis (NRC Handelsbald, 19 november 2005).
Hieronder staan de volgende artikelen:
  • Menno Hurenkamp: Nieuwe idealisten zijn fatsoenrakkers (De Groene Amsterdammer, 25 november 2005)
  • Kees Hudig: Hiphop-idealisme is vals (NRC Handelsblad, 13 december 2005)
  • Menno van der Veen: Ja, feesten kunnen de wereld redden (de Volkskrant, 24 december 2005)
  • Marcia Luyten: Nee, feesten kunnen de wereld niet redden (de Volkskrant, 24 december 2005)
  • Eveline Lubbers: Geen ‘happy’ illusie, maar wat wel? (www.globalinfo.nl, 29 december 2005)
  • Chris Aalberts: Feest geen uiting van politieke betrokkenheid (de Volkskrant, 4 januari 2006)
  • Frans Bieckmann: Het feestidealisme is opportunistisch en blijft hangen in hype en oppervlakkigheid (NRC Handelsblad, 14 januari 2006)
  • Anil Ramdas: Idealistische jongeren (NRC Handelsblad, 16 januari 2006)
  • Evert-Jan Quak: Idealisme, wat is dat? (www.noticias.nl, 25 januari 2006)
  • Ralf Bodelier: Ontwikkelingshulp gedijt bij globalisering (NRC Handelsblad, 31 januari 2006)
  • Raoul de Jong: Jong! (Internationale Samenwerking, februari 2006)
  • Gustaaf Haan: Maatwerkidealen verlossen ons van de kuddegeest (de Volkskrant, 24 februari 2006)

* * *

Nieuwe idealisten zijn fatsoenrakkers
Menno Hurenkamp
De Groene Amsterdammer, 25 november 2005


De journalist Evert Nieuwenhuis schreef De Grote Globaliseringsgids, een mooi boek dat zonder vooringenomenheid feiten en meningen duidt over de internationale politiek. Die geserreerde houding legde Nieuwenhuis af voor een essay in NRC Handelsblad waarin hij zijn (en mijn) generatie typeert als ‘nieuwe idealisten’. Dat zijn wereldverbeteraars die solidair zijn met de verdrukten der aarden terwijl ze een weekendje New York doen. Idealisme is voor hen ‘een grabbelton’: ze geven met hetzelfde gemak geld uit aan een goed doel als aan Prada-schoenen. De kans bestaat zelfs dat nieuwe idealisten helemaal niks geven voor het goede doel, maar alleen naar een concert gaan dat een mondiale kwestie onder de aandacht brengt.
Nieuwenhuis gaat tekeer tegen critici die vinden dat dit geen idealisme maar ouderwetse liefdadigheid is – of misschien nog minder dan dat, omdat de idealistische jeugd tegenwoordig zijn portemonnee hooguit trekt voor een drankje op een anti-onrechtfeest. Volgens de nieuwe idealisten kun je misstanden veel beter te lijf met oppassend gedrag in het dagelijks leven dan met de ijzeren principes van de jaren zestig. Dus je kunt best met het vliegtuig, als je maar wat stort om ergens een boom te planten. Je kunt best een iPod kopen, mits je daarna wat geld naar Afrika stuurt. Onwillekeurig dringt zich hier de nog altijd levendige praktijk van de katholieke aflaten op: zondigen mag, maar je moet betalen om niet in de hel te komen.
Sierlijk is dat nieuwe idealisten geen ‘Groot Gelijk’ claimen. Ze zeggen niet – zoals de jaren-zestiggeneratie wél deed – op alle problemen een antwoord te hebben. Dat scheelt bombast vooraf en cynisme achteraf. Potsierlijk aan het nieuwe idealisme is dat het geen pijn mag doen. Het zoekt nergens ruzie en loopt volledig in de pas met de verlangens van de kapitalistische economie. Ook ‘sterrenactivisten’ als Marco Borsato of Bono lijken afkerig van conflicten met zichzelf of anderen. Zolang bedrijven als Nike en Ikea letten op wat voor kritieken de jeugd hun geeft, hoeven ze voor hun voort bestaan niet te vrezen. En daar is ook iets voor te zeggen. Maar idealistisch is het niet. Het streven om je eigen verlangens te vervullen zonder anderen te schaden is ‘fatsoenlijk’, niet idealistisch. Idealisme, in filosofische zin, schat ideeën hoger dan de realiteit, en wil, in politieke zin, de werkelijkheid ombuigen richting de droom. Idealisme kan niet anders dan met offers. Daar hebben nieuwe idealisten een broertje dood aan. Ze doen netjes, zonder pretenties te hebben, maar ook zonder plezier in te leveren. Het is een fatsoenlijke houding, en je kunt ermee integreren in elke Vinexwijk.
Begrijpelijk is de kreet wel. Door te poseren als ‘nieuwe idealist’ creëert men een media genieke generatiekloof. Lekker kibbelen met de perfide babyboomers. Wij waren de echte idealisten! Nee wij! En natuurlijk bekt ‘fatsoen’ minder dan ‘ideaal’. Maar de realiteit is dat er door (linkse en rechtse) idealen heel wat meer mis is gegaan in de wereld dan door fatsoen. Nieuwenhuis benoemt niet voor niets de afkeer van ideologische zuiverheid als waterscheiding tussen de nieuwe idealisten en de protestgeneratie van de jaren zestig. Maar ondertussen blijft de jeugd zich wel spiegelen aan de types die de kampen in Goelag goedpraatten. Als ‘nieuwe fatsoensrakkers’ door het leven gaan zou feitelijk juister zijn, en heldhaftiger.

© Menno Hurenkamp / De Groene Amsterdammer

* * *

Hiphop-idealisme is vals
Kees Hudig
NRC Handelsblad, 13 december 2005
Wat ‘praktisch idealisme’ wordt genoemd, bestaat uit het innemen van een vriendelijke allemansvriendpositie waarin het bedrijfsleven en de rijke landen te vriend worden gehouden, betoogt Kees Hudig.


Sinds kort verschijnen berichten over een golf van nieuw idealisme. In Opinie & Debat (NRC Handelsblad, 19 november) hield freelance journalist Evert Nieuwenhuis een betoog waarin hij stelde dat de huidige generatie jongeren al feestend de wereld kan verbeteren. Volgens hem is dit effectiever dan wat “de hemelbestormers van vorige generaties’’ wisten te bereiken met hun onbuigzame principes. De ‘nieuwe generatie’ zou wars zijn van ideologische moeilijkdoenerij en vooral praktisch en vrolijk aan de slag willen. Resultaten in plaats van politieke haarkloverij en daarbij nog permanente lol beleven ook. Wie kan daar tegen zijn?
Maar wie de aangehaalde voorbeelden goed bestudeert, merkt al snel dat er sprake is van nogal veel geblaat om weinig wol. Wie de moeite neemt om te bedenken wat de resultaten zouden zijn van het doorvoeren van deze denkwijze op de langere termijn, zoals de door Nieuwenhuis aangevallen columnist Bas Heijne deed, wordt ook niet vrolijker.
Het beeld van een brave new world doemt op waarin vooral de zakenmannen goed zullen boeren en geen enkele van de grote problemen op het gebied van armoede en milieu fundamenteel opgelost zullen worden.
Het mooiste voorbeeld geeft Nieuwenhuis zelf. Zowel in zijn eigen stuk als in een interview, dat een paar weken daarvoor in Vrij Nederland verscheen, komt hij aanzetten met de oplossing voor het probleem dat het drastisch toegenomen vliegverkeer veroorzaakt. Anders dan de zuurpruimen van de milieubeweging kiest hij voor de ‘praktische oplossing’: je vliegt zoveel je wilt, maar betaalt een paar centen extra voor je ticket zodat één of andere stichting ergens in een ontwikkelingsland wat bomen kan planten. Die bomen - en dat zal best goed uitgerekend zijn - nemen dan precies dat deel van de CO2-uitstoot op dat jouw aandeel in de vliegtocht veroorzaakt heeft. Voor het gemak vergeet Nieuwenhuis dat zijn gevlieg nog veel meer schadelijke effecten heeft. Zoals lawaai, gebruik van schaarse grondstoffen, ruimtegebruik door vliegvelden en aantasting van de stratosfeer.
Daarnaast stoten vliegtuigen natuurlijk nog veel meer schadelijke stoffen uit dan alleen CO2. Al die zaken worden niet ongedaan gemaakt door die paar bomen elders. Bovendien veroorzaken die bomen zelfs nieuwe problemen, die we onder het etiket milieuimperialisme zouden kunnen scharen. Bewoners van armere landen beginnen last te krijgen van dergelijke idealistische productiebossen, die hen van hun bestaansgrond verdrijven en waarvoor soms zelfs oerwoud wordt gekapt.
Uiteindelijk snapt iedereen dat je de schade die wordt veroorzaakt door het vliegverkeer alleen kan beperken door minder te gaan vliegen. Noem het maar zo’n ‘ijzeren principe’ waar Nieuwenhuis zich tegen afzet (hemelbestormend is het in ieder geval niet).
En eigenlijk geldt dat voor alle ‘happy’ voorbeelden die in dergelijke verhalen voorkomen. Dat een boekje als Praktisch Idealisme een bestseller is geworden, is geen sterk argument. Er gaan wel meer boekjes snel over de toonbank. Fastfood consumeert nu eenmaal makkelijk.
Een ander veelgeroemd voorbeeld van dit ‘happy’ idealisme, ook door Nieuwenhuis aangehaald, is het organisatiebureau Coolpolitics. Dat zou erin geslaagd zijn massaal jongeren te interesseren voor politieke onderwerpen. Sceptische waarnemers zouden kunnen stellen dat ze er vooral in geslaagd zijn om uitgebluste politici als Ruud Lubbers op het poppodium te hijsen. Het is inderdaad politiek, maar een stokoude variant ervan en niet bepaald revolutionair.
Dat is ook niet vreemd als je ziet waar dat allemaal van wordt betaald. Want het lijkt misschien of dit allemaal door ‘de jongeren’ zelf wordt georganiseerd en bedacht, maar in werkelijkheid zit er gewoon een hoop geld achter van ‘oude’ ontwikkelingsorganisaties en commerciële media als MTV, de Nieuwe Revu of de Volkskrant. De gevestigde macht, zou je kunnen zeggen. Met een hoop geld een populaire band inhuren en daarmee een zaal vol jongeren lokken, is minder spectaculair dan het lijkt.
Summum van alle heisa is natuurlijk het Live 8-gebeuren van afgelopen zomer, verzorgd door de popmiljonairs Bono en Geldof. De meest symbolische gebeurtenis van dat spektakel, die meestal door Nieuwenhuis en consorten buiten beeld wordt gelaten, was echter het moment dat Geldof superzakenman Bill Gates op het podium hees en uitriep tot de grootste weldoener aller tijden.
Hoeveel gekker zou dit nog kunnen worden? De hele campagne van Bono en Geldof was in nauw overleg met de regering Blair en onder sterke invloed van het bedrijfsleven opgezet. De boodschap was dan ook dat armoede bestreden zou moeten worden door meer te privatiseren. Het publiek zou dat verder kunnen bekrachtigen door een wit polsbandje te kopen. Geen wonder dat dergelijke verhalen enthousiast onthaald worden in kringen van machtige regeringen en bedrijven.
Wat ‘praktisch idealisme’ wordt genoemd, blijkt in feite vooral te bestaan uit het innemen van een vriendelijke allemansvriendpositie waarin je bedrijfsleven en rijke landen te vriend houdt en wat kruimels probeert af te troggelen. Met die kruimels wordt vervolgens een schaamteloze liefdadigheid georganiseerd die een vlag van jong en hip opgeplakt krijgt, maar die vooral lijkt te dienen om eventuele schaamtegevoelens te verdringen.
Zo kun je dan toch lekker naar een Braziliaans strand vliegen om te gaan surfen, aangezien de reis verzorgd is door een commercieel bureau dat ook een tochtje door een krottenwijk ingepland heeft. Het is de ideologie van de absolute ‘win-win’-situatie, waarbij je je nergens meer zorgen over hoeft te maken en waar dansen en consumeren naadloos overgaan in wereldverbeteren. Als dat nou zou werken, of betere resultaten zou opleveren dán het werk van de generatie van de zogenaamde ‘ijzeren principes’, zou het nog tot daar aan toe zijn. Maar voorlopig ontbreken ook de bewijzen daarvoor.
Tot die tijd is het beter om inspiratie te zoeken bij meer confronterende bewegingen die niet wars zijn van een keuze meer of minder en die wel onderscheid durven maken tussen degenen die de problemen veroorzaken en hen die ze zouden kunnen helpen oplossen.
Ver weg van het grote geld en het spektakel van Coolpolitics-partner Mojo (eigendom van de rabiaat rechtse multinational Clearchannel) en MTV zijn dergelijke bewegingen ook in volle ontwikkeling. Gefeest en gedanst wordt daar trouwens ook volop. Maar dan op, bijvoorbeeld, de tonen van Casey Neil’s ‘Dancing on the Ruins of Corporate Multinatonals’.

Kees Hudig is voorman van het XminY Solidariteitsfonds in Amsterdam.

© Kees Hudig

* * *


Kunnen feesten de wereld redden?
de Volkskrant, het Betoog, 24 december 2005
Dertigers verbeteren feestend de wereld, jubelende coole idealisten. Lekker met het vliegtuig, maar dan wel een paar bomen laten planten. Maar moeten we wel zo blij zijn met een generatie die alleen een bijdrage wil leveren aan een betere wereld als zij er zelf lol aan beleeft? Nee, meent Marcia Luyten, want waarachtig engagement blijkt alleen uit gedrag. Dus pak wat minder vaak de auto of het vliegtuig. Jawel, vindt Menno van der Veen. Feesten voor een goed doel is een manier van jongeren om een politiek statement te maken.
Een debat.


JA

Menno van der Veen
de Volkskrant, 24 december 2005

Er zijn twee soorten jongeren. De ene soort staat ernstig in het leven. Hij verwijt zijn generatiegenoten dat die te weinig nadenken, de snelle kicks en vrijblijvende chatboxen verkiezen boven zware gesprekken. Hij is boos op de wereld, vindt dat alles anders moet en vindt vooral dat hij een van de weinigen is die die verandering kunnen brengen. Als er maar eens naar hem geluisterd werd... Die jongere lijdt zwaar aan de wereld, hij meet zichzelf een verleden aan dat zich tot ver voor zijn geboorte uitstrekt. Hij lijdt aan de Vietnamoorlog, de Tweede Wereldoorlog, de kruistochten. Het is een wereldlijder die graag een wereldleider zou zijn. Die jongere is schitterend geportretteerd in Vaders en Zonen van Toergenjev.
De andere soort staat volop in het leven, geniet van vakanties, denkt niet veel na over de toekomst maar is overal voor in. Als er een feest georganiseerd wordt dat in het teken staat van wereldproblemen komt hij graag opdraven. Als het maar een leuk feest is... De andere soort staat naïef in het leven, geniet en is voor de wereldlijder in alles ‘de verwijtbare ander’.
De wereldlijders heb je hard nodig. Ze discussiëren en reflecteren en maken je bewust van de gebreken in je denken, in je handelen. Misschien ervaart de generatie ‘70/’80 wel een gebrek aan wereldlijders, aan mensen die ons dwingen tot debat en reflectie.
Toch kan die naïeveling iets wat de wereldlijder niet kan: hij kan relativeren, en laat zich graag aansporen om het goede te doen. Ook als dat goede niet volledig doordacht is.
Als ik de wereld wilde veranderen (en waarom zou ik dat niet willen?) dan zou ik mijn geld eerder op de naïevelingen dan op de wereldlijders zetten. De wereldlijders vinden mijn initiatieven toch niet deugen, mijn plannen te weinig doordacht, de allianties die ik sluit moreel verwerpelijk en betichten me in het algemeen van vrijblijvendheid.
Maar van hoeveel vrijblijvendheid kun je een jongere beschuldigen die de kwalijke uitstoot van een vliegreis probeert te minimaliseren, die bereid is een politicus die voor meer geld voor de derde wereld pleit als een icoon toe te juichen? Waarom juichen ze die politicus toe? Omdat er nu eenmaal geen andere politicus in Nederland is die de moderne levensopvatting (je scheidt niet, maar een slippertje moet kunnen) verenigt met een politiek ideaal (minder oorlog, minder honger) dat breed wordt gedragen, dat evident is.
Als een politicus wil dat we van hem houden, dan moet hij van een feestje houden. Ruud Lubbers houdt van feestjes, Balkenende niet. (Balkenende wordt uitgekotst door de meeste jongeren behalve op de EO-jongerendag, dan pilst onze premier er eentje mee en wordt hij opeens toegejuicht. Terecht.) Wij houden trouwens niet van Lubbers: wij houden niet van de machtswellustige, niet delegerende no-nonsense recordpremier. Wij houden van Ruudje: de berustende grootvader die droomt van een betere wereld.
De generatie ‘70/’80 heeft nog geen oorlogen veroorzaakt, ze besluit niet over het sturen van vredesmachten, ze heeft geen bloed aan haar handen en niet de politieke beslissingen genomen over privatisering van collectieve goederen of de vluchtelingenpolitiek.
Ze wil een betere wereld. Wat mag je anders van haar verwachten dan dat zij dat ideaal viert? Feesten op een manier die voor oudere generaties als bedreigend of vervreemdend overkomt is de manier van jongeren om een politiek statement te maken. De provo-happenings rond het Lieverdje zijn legendarisch, de liefdeszomer van 1967 is er wereldberoemd mee geworden.
De geschiedenis kent veel voorbeelden van jongeren die vechten voor hun recht om feest te vieren. Er was niets voor ze te doen, dus bouwden ze een feestje. En hoewel er voor de gemiddelde tiener op dit moment waarschijnlijk meer te doen is dan voor de tiener die opgroeide in de jaren ‘60 is de behoefte om samen feest te vieren niet afgenomen. Er zijn overal feesten, elk weekeinde. Mooie, knap georganiseerde, overdonderende feesten. Maar, na het decadente house- nihilisme van de jaren ‘90, proberen we nu om ons er bewust te zijn van het feit dat we straks de leiders van dit land, van de wereld worden. We integreren dat bewustzijn in onze feesten. Je hoeft je kritiek niet te richten op die feesten, ga er liever naar toe. Breng de onderwerpen in die je wil bespreken, verhef het debat. Misschien word je ook wel toegejuicht.
Want wat verwacht je verder?
De idealen van de generatie ‘70/’80 mogen geen doordachte beginselen zijn, ze zijn wel bespreekbaar, en ze leiden niet tot de uitzichtloze botsing van principes die de polemieken in de jaren ‘70 en ‘80 kenmerkten. Discussies die terecht als dogmatisch en orthodox zijn afgeschilderd en die toen iedereen doodmoe was van het discussiëren bleken te leiden tot een technocratische uitverkoop van collectieve goederen (Paars 2) die ons land in een collectieve depressie hebben gestort. Met de ex-marxist Zalm als aanvoerder.
De vorige generatie heeft haar opvattingen over een zinvolle invulling van het leven ingeruild voor midweekjes Maladiven, aandelenfondsen en diners in sterrenrestaurants.
En wij?
Wij slaan die absurditeit gade, troosten onze gescheiden ouders en vieren feest. We proberen ons gevoel voor rechtvaardigheid een plaats te geven in ons uitgaansleven, en in ons consumptiegedrag. We rocken zoals erop Woodstock gerockt werd. Maar grootser, massaler en vooral zonder ontnuchterende kater achteraf. We waren al nuchter. We proberen om geen of-of generatie te zijn, maar een en-en generatie. Niet of geld verdienen, of naar onze idealen leven maar en genieten van het leven, en een betere wereld nastreven. Wij willen niet uitgediscussieerd zijn op het moment dat het er straks echt om gaat, als we de macht krijgen.
Wij zijn een geglobaliseerde generatie die pas later gaat regeren. Wij weten dat de grote wereldproblemen niet op te lossen zijn met een sit in. Wij worden ons als generatie bewust van onze toekomstige positie: we laten ons voorlichten over het fort Europa, over de oorzaken van oorlog, over de bestrijding van aids. We drinken er een peperdure cocktail bij in plaats van een verschraald biertje.
Natuurlijk moeten we ook met elkaar in debat gaan, meer en harder en vooral: we moeten elkaar op onze ‘lifestyle keuzes’ (zie Marcia Luyten hieronder) durven aanspreken. Maar de roep om meer debat, is geen roep om minder te feesten. De roep om meer debat, de noodzaak om een eigen morele taal uit te vinden (want hoe definieer je een betere wereld?) maakt de ‘creditcard-vrijgevigheid’ (idem) niet minder nodig. Geen of-of maar en-en.
We gaan het straks heel goed doen. Daar hoef je niet bang voor te zijn. Wij gaan voorbeeldig regeren! Prettig kerstfeest.

Menno van der Veen (26) studeerde rechten en wijsbegeerte en is medewerker van het Amsterdamse debatcentrum De Balie, de TU Delft en adviesbureau Taqt.

© Menno van der Veen


NEE
Marcia Luyten
de Volkskrant, 24 december 2005


Wij dertigers nemen deze dagen graag ons idealisme de maat: toont mijn generatie, geboren in de jaren zeventig, zich betrokken bij de wereld om zich heen? Nou en of, meent generatiegenoot Evert Nieuwenhuis, auteur van De Grote Globaliseringsgids: ‘Het nieuwe engagement bruist en borrelt overal.’
Nieuwenhuis schetste dat idealisme onlangs ook in NRC Handelsblad: meer dan duizend jongeren vieren in de Melkweg De Nacht van de VN en juichen Ruud Lubbers toe als ware hij Bono. Ze sturen protest-sms’jes naar Amnesty International en luisteren op een popfestival of MTV naar een politiek debat. We verbeteren feestend de wereld, klinkt zijn aanstekelijk credo.
Nieuwenhuis kent de kritiek die het nieuwe engagement uitlokt: ‘Het moet wel leuk blijven, anders zappen ze weg’, om vervolgens juist de vraag naar gedrag onbeantwoord te laten. ‘Schuif dit ‘idealisme à la carte’ niet terzijde – je bereikt er meer mee dan een strak keurslijf van idealen.’
Hier schetst Nieuwenhuis de verkeerde tegenstelling. Het gaat niet om de vraag welk soort idealen het meeste effect sorteert. Het gaat om de discrepantie tussen gedachte en gedrag. Met alleen idealen - à la carte of als een jaren-zestig-standaardmenu - bereik je niks. Het gaat om wat je doet. En nalaat.
Cool-idealisme hoort bij de lifestyle van jonge hoogopgeleiden. Nieuwenhuis verwijst dan ook naar een habitus, een die schuilgaat achter het mombakkes van idealisme. Het feest-engagement is een stijlicoon. Werkt het nieuwe engagement dan niet door in gedrag? Jazeker wel, zegt Nieuwenhuis, en hij somt op: betaal je iPod zonder schuldgevoel door ook geld over te maken aan een onderzoeksproject in Afrika. Vlieg naar New York maar laat ook 59 bomen planten. Koop niet automatisch de goedkoopste boontjes.
Precies daar lopen praktijk en idealisme uit elkaar. Wat blijkt? Wie in woord geëngageerd is, toont dat lang niet altijd in daad. Zo’n tachtig procent van de Nederlanders zegt Max Havelaar-koffie te steunen. Minder dan 3 procent koopt het. De consument wil goedkope koffie.
En is er dan iets mis met het storten van geld voor een goed doel? Integendeel. Of, zoals Nieuwenhuis vraagt: mag goeddoen soms niet leuk zijn? Tuurlijk wel. De tijd dat al wat goed was bitter moest smaken is echt wel voorbij. Alleen: een iPod kopen en ter geruststelling geld storten voor Afrika laat zich niet goed aanmerken als een daad van idealisme. Er is namelijk geen keuze gemaakt tussen alternatieven die met elkaar op gespannen voet staan.
Met zat geld op zak is goeddoen niet moeilijk. Dan kan het én-én: consumeren, genieten en de wereld verbeteren. Opnieuw: daar is niks mis mee, maar maak het niet mooier dan het is. Het feest-idealisme benadert zo de levenslust van de proto-katholiek: geniet van het leven en wees niet bang voor een beetje hypocrisie als dat heel maakt wat eigenlijk verscheurd is.
Ook al kan het soms win-win, dat doet niets af aan de realiteit dat we klimaatverandering alleen vertragen als we minder vliegen, autorijden, kopen, stoken, bouwen; daar helpen 59 troostbomen niet aan. Als we armoede in Afrika willen verminderen, moeten we aids en oorlog stoppen. Dat vraagt grote investeringen in artsen, medicijnen en militairen. Ook moeten veel Europese boeren failliet en moeten wij duurdere producten kopen. Waardoor we minder geld overhouden voor feestjes. En die uitruil, daar lijken dertigers niet toe bereid.
De charmante hink-stapsprong waarmee Evert Nieuwenhuis de tegenstelling tussen genieten en goeddoen overstijgt, staat niet op zichzelf. Wat geldt voor betrokkenheid bij leed ver weg, gaat ook dicht bij huis op. In hun boek Kiezen voor de kudde, lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid laten Jan Willem Duyvendak en Menno Hurenkamp de tegenstelling tussen individu en gemeenschap oplossen in ‘de lichte gemeenschap’. Het gaat dan om ‘lidmaatschappen die je kunt opzeggen, in plaats van verwantschappen voor het leven. Dat leidt tot vluchtiger banden, maar ook tot meer connecties.’ Belangrijk is dat deze gemeenschappen nieuwkomers toelaten, en dat je er ook weer uit kunt vertrekken. Zo’n gemeenschap is precies wat hij belooft: draaglijk licht. Die hoeft het individu niet in zijn vrijheid te belemmeren. Alleen is de vraag hoeveel ‘de gemeenschap’ - zo zonder adjectief staat het woord er ineens hulpeloos en ouderwets bij - opschiet met de onlosmakelijke vrijblijvendheid. Zetten de dertigers zich nog in voor een publieke zaak als dat niet onmiddellijk leuk of rendabel is?
Die maatschappelijke bindingsangst lijkt niet van alle tijden. In het dorp waar ik ben geboren, werden de laatste 33 zomers afgesloten met een feest. Kasteel Wijnandsrade is dan twee dagen in voorbije tijden: jonkvrouwen wiegen hun jurken vol brokaat als de minstreel zijn liefdeslied zingt. Een smid slaat een veldkruis. Aan tafels met schragen eten dorpsbewoners en duizenden bezoekers versgebakken brood met zure zult en drinken ze (natuurlijk Limburgse) wijn en bier.
Dagen tevoren rijdt de kasteelboer zijn wagens en machines de schuren uit. Ook de bewoners van het kasteel maken met hun auto’s en tuinmeubels plaats voor de honderden vrijwilligers die, onder aanvoering van een horde vijftigers, erf en hof innemen met bezems, marktkramen, snoeren en podiumblokken. Dat alles om de kas van de handbalvereniging te vullen. Ook al betalen de leden een minimale contributie, deze sportclub is goed uitgerust. Van de winst van het feest worden T-shirts, trainingspakken, ballen en andere feesten betaald.
Aan het folklorefestival doet een groot deel van de dorpelingen mee – ook mensen die niks met handbal hebben. Het feest voor de Limburgse cultuur bestaat
alleen dankzij al die mensen die ook komen opdagen als het eens niet helemaal of zelfs helemaal niet leuk is. Maar het dorp is eigentijdser dan het misschien zou willen. Jonge ouders hebben geen zin meer om het sportteam van hun zoon of dochter naar een uitwedstrijd te rijden. De handbalvereniging zag zich genoodzaakt eerder ongeschreven regels expliciet te maken: ouders moesten eens per seizoen met de auto mee. Een vrouw van begin dertig zei dat ze daar geen tijd voor had, maar dat ze graag meer contributie zou betalen. Over meewerken op het feest voor Limburgse cultuur maakt de voorzitter zich geen illusies meer. Hij snapt hoe het zit: ‘Dertigers kopen hun betrokkenheid af.’
Mijn generatie zoekt idealisme zonder altruïsme. Gemeenschappen lusten we alleen light, net als het feestidealisme. Goeddoen? Heel graag, als we er geen last van hoeven hebben. Dat is engagement in geest zonder betrokkenheid in gedrag.

Marcia Luyten (34) is cultuurwetenschapper en econoom en werkt als zelfstandig journalist. Ze woonde enkele jaren in Rwanda en schreef daarover het boek Witte geef geld.

© Marcia Luyten

Klik hier om een reactie van Evert Nieuwenhuis te lezen (de Volkskrant, Forum, 31 december 2005).
 

* * *

Geen ‘happy’ illusie, maar wat wel?
Eveline Lubbers
www.globalinfo.nl, 29 december 2005
Het nieuwe idealisme is niet anders dan feesten met een verantwoord jasje, stelt Kees Hudig terecht (NRC Handelsblad, 13 december). Nu hij de voorbeelden van Evert Nieuwenhuis overtuigend onderuit heeft gehaald, is het tijd om te kijken wat wél werkt.


Het feest-idealisme zien als een een reactie op de hemelbestormers van de vorige generatie met hun onbuigzame principes, is in mijn ogen te veel eer. Refereren aan een generatieconflict suggereert een verband dat er niet is. Feest-idealisme heeft helaas weinig te maken met het streven naar werkelijke veranderingen in de wereld. Het is cool om je de status van rebel aan te meten - zie de ruime keuze aan T-shirts met Che Guevara in de Kalverstraat - maar de gevestigde orde schrikt er niet van. Of, zoals de Canadese auteurs van het boek The Rebel Sell betogen, het succes van de tegencultuur heeft zich verzekerd van een eigen plek in de consumptiemaatschappij; en het bedrijfsleven is daar maar wat blij mee (Heath en Potter, 2005).
Deze flirt met verzet kan zich spiegelen met de trends in groen en maatschappelijk verantwoord ondernemen: het ziet er allemaal leuk en hoopgevend uit, maar of het echt wat oplevert is zeer de vraag.
Op z’n best lift de nieuwe generatie mee op het succes van de anti-globaliseringsbeweging die de laatste tien jaar internationaal enorm aan kracht gewonnen heeft (maar vreemd genoeg in Nederland niet de omvang heeft gekregen als elders in Europa). Deze beweging had vorig jaar zoveel momentum, dat een coalitie van arme landen het bij de WTO-onderhandelingen in Cancun aandurfde om nee te zeggen. Nee tegen de rijke landen die hun markten willen overspoelen met goedkope rotzooi, terwijl de economie van het Zuiden niet kan groeien door importheffingen van Amerika en landbouwsubsidies van de EU.
Deze overwinnig is echter niet alleen te danken aan de grote diversiteit van mensen die zich ook daar weer op straat manifesteerden. De kracht van deze beweging zit hem juist in het groeiend aantal netwerken tussen groepen overal ter wereld. Mensen die de gevolgen van de globalisering uit eigen ervaring ondervinden, mensen die informatie verzamelen over misstanden veroorzaakt door privatisering en deregulering, en mensen die de mogelijkheid en de vaardigheid hebben dit alles aan de kaak te stellen, op een plek waar er geluisterd wordt.
Het ondersteunen van deze wereldwijde beweging, of van specifieke groepen daarbinnen, is een vorm van idealisme die wel zin heeft. En dat is waar Solidariteitsfonds XminY van Kees Hudig zich hard voor maakt; en zij zijn gelukkig niet de enigen in Nederland.
Organisaties als de Schone Kleren Campagne, de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen SOMO, het Transnationaal Institute TNI, allemaal doen ze onderzoek naar wat zich grof laat samenvatten als de gevolgen van de globalisering. Ze voeren ze solidariteitsacties voor mensen die helemaal aan het eind van de productieketen onder de slechtste voorwaarden artikelen in elkaar zetten. Ze werken aan Codes of Conduct, regels waaraan de industrie zich dient te houden en onafhankelijke controle daarvan. Ze kijken hoe mensen zelf zich het best kunnen organiseren.
Dat is geen werk dat onmiddelijk resultaat oplevert; er is doorzettingsvermogen voor nodig, en een lange adem. Wie weet is voor sommige mensen het dragen van een wit armbandje uit solidariteit met de armoede in de wereld een opstapje naar dit soort werk - dat zou winst zijn.
Aandacht voor de strategiën van grote bedrijven is meer nodig dan ooit. Politieke beslissingen worden steeds meer bepaald door de belangen van het bedrijfsleven. En die beïnvloeding gaat op alle mogelijk denkbare manieren, zo blijkt uit een plan dat vorige week is uitgelekt via kranten in Engeland en België.
De milieumaatregelen van de EU komen onder vuur te liggen, als het aan de grote bedrijven ligt. In de VS is een informele coalitie er in geslaagd het invoeren van Kyoto-maatregelen tegen te houden. Het Competitive Enterprise Institute, een conservatieve door ExxonMobil gesponserde denktank, is daar trots op. Dat moet hier ook lukken, schrijft Chris Horner, een lobbyist die werkt voor de Brusselse afdeling van deze denktank. Blijkens een email (die nu op straat ligt) zoekt hij partners voor een vergelijkbare campagne in Europa, de “Sound Climate Policy Coalition”. ExxonMobil, Lufthansa en Ford toonden zich al geïnteresseerd voor deze frontale aanval op het EU-beleid tegen verdere opwarming van de aarde.
Het uitlekken van dit plan markeert de start van een invasie van Amerikaanse denktanks in Europa. Dat gaat gepaard met lobby-strategiën die we hier nog niet zo gewend zijn. Geen middel wordt geschuwd om de anti-Kyoto agenda te promoten, zo blijkt uit de stukken van Horner. Adverteren en het schrijven van ingezonden stukken is niet genoeg. Journalisten, politici, academici en politieke commentatoren moeten de juiste opinies naar voren brengen. Internet is belangrijk in de strategie. Politieke discussies beïnvloeden kan via eigen blogs, maar ook door het gebruik van ‘un-attributable quotes’, niet-traceerbare meningen van zg. onafhankelijke derden. Horner stelt voor om “NGO bijeenkomsten te bezoeken, en informatie uit te wisselen over interne tegenstellingen en taktieken”. Inlichtingen verzamelen via het al dan niet openlijk deelnemen aan mailinglisten is een andere optie.
Deze voorstellen doen meer denken aan een geheime operatie van een inlichtingendienst dan aan het voeren van een publiek debat. Nu dit plan is uitgelekt zal het wat moeilijker zijn om bedrijven bij deze coalitie te krijgen, maar de lobby gaat door.
Vorige week werd in Brussel de Worst Anti EU Lobby Award uitgereikt, om aandacht te vragen voor dit soort praktijken - maar dat is niet genoeg. Award-organisator Corporate Europe Observatory en SpinWatch.org gaan door met hun onderzoek naar het lobby-circuit in Brussel, en naar PR van bedrijven en politieke spin. Een beetje hulp daarbij kunnen we goed gebruiken. Het planten van een boom voor afgelegde vliegmijlen weegt niet op tegen de middelen die het grootkapitaal inzet, om maar eens een ouderwets woord te gebruiken. De invasie van Amerikaanse denktanks is nog maar net begonnen. Het zou goed zijn als onderzoeksjournalisten bij kranten, en freelancers als Evert Nieuwenhuis, hun aandacht hierop richtten.

Eveline Lubbers schreef het boek Schone Schijn, smerige streken in de strijd tussen burgers en bedrijfsleven en werkt nu aan een dissertatie over dit onderwerp. Ze is mede-oprichter van www.SpinWatch.org

© Eveline Lubbers

* * *

Feest geen uiting politieke betrokkenheid
Chris Aalberts
de Volkskrant, 5 januari 2006


Menno van der Veen is van mening dat feesten voor dertigers een nieuwe manier zijn om hun engagement te laten zien (de Volkskrant, het Betoog, 24 december). Dit optimisme is niet alleen ongeïnformeerd, maar ook naïef. Jonge burgers komen niet naar feesten om hun betrokkenheid te tonen, al willen de organisatoren het publiek graag iets anders laten geloven.
Mijn onderzoek naar popularisering van politiek laat zien dat jonge burgers zeer traditioneel denken over politiek. Zij keuren populaire initiatieven dan ook eensgezind af: ze zijn niet serieus, niet informatief en dragen niets bij aan een oplossing voor maatschappelijke problemen. Tegelijk herkennen jonge burgers zich in het optimisme van de voorstanders: zij menen dat feesten jonge mensen kunnen aantrekken en enthousiasmeren.
Jongeren vinden feest en vermaak weliswaar niet relevant voor hun politieke ontwikkeling, maar wel voor die van ‘anderen’. Zij verwachten dat anderen door popularisering politiek aantrekkelijker vinden en worden geïnformeerd. Dit is een cynische houding: hoewel op een feest politieke standpunten naar de achtergrond verdwijnen, weten leeftijdgenoten zo weinig van politiek dat een feest voor hen al snel leerzaam is. Ik heb bij de honderden jonge burgers die ik voor mijn onderzoek interviewde niemand kunnen vinden die zei zelf iets van een feest te leren of die beweerde hierdoor politiek betrokken te zijn geraakt. Wel projecteerde men dit vermoeden op anderen: een groep die men niet kent, nooit heeft ontmoet en waarvan het de vraag is of deze überhaupt bestaat. Ook de initiatiefnemers van politieke feesten beweren dat anderen op deze manier betrokken raken, maar kunnen dit niet onderbouwen, zelfs niet met eigen ervaringen: zij zijn zelf vele malen geïnteresseerder dan hun ongeïnteresseerde doelgroep en hebben geen feesten nodig om hun betrokkenheid te tonen. De hoge opkomst van jonge burgers bij deze feesten bewijst het gelijk van de organisatoren niet. De kans is groot dat de bezoekers andere redenen hebben dan het tonen van hun betrokkenheid. De uitdaging is écht te weten wat er onder (jonge) burgers leeft en hoe ze kunnen worden aangesproken, en niet af te gaan op misleidende aannames.

De auteur doet promotieonderzoek aan de Universiteit van Amsterdam naar jonge burgers en popularisering van politiek.


© Chris Aalberts

* * *

Het feestidealisme is opportunistisch en blijft hangen in hype en oppervlakkigheid
Frans Bieckmann
NRC Handelsblad, 14 januari 2006
In het zogenoemde ‘nieuwe engagement’ ontbreken politieke diepgang en begrip voor geopolitieke en economische belangen. Voor die zware verhalen heb je geen feestvierders nodig, maar wereldlijders.


Idealisme is weer in, getuige recente opiniestukken over het ‘nieuwe engagement’ onder jongeren. Freelance journalist Evert Nieuwenhuis betoogde onlangs in deze bijlage dat jongeren maar al te bereid zijn om al ‘feestend de wereld te verbeteren’. Gelukkig, want enig elan kan Nederland wel gebruiken. Op veel plekken in de wereld toonden mensen de afgelopen jaren hun betrokkenheid bij sociale en milieuvraagstukken en protesteerden tegen het – oostelijke en westelijke - fundamentalisme dat de wereldpolitiek beheerst. Maar ons land was naar binnen gericht en overmeesterd door angst, benepenheid en kleinzielig nationalisme. Nadere analyse van het nieuwe engagement stemt echter minder vrolijk. Misschien is het idealisme iets toegenomen in vergelijking met de jaren negentig. Maar het is een enorme achteruitgang in vergelijking met het decennium daarvoor, waarin ‘mijn’ generatie volwassen werd. Het heeft minder inhoud, vermijdt cruciale politieke stellingnamen, en de ‘naïevelingen’ – een van hen, Menno van der Veen, gebruikt het als een geuzennaam – laten een groot gebrek aan historisch inzicht zien en gooien daarmee nuttige lessen uit het verleden overboord.
Toen ik de betogen las, voelde ik (1963) mij plots heel oud. Ik word op één hoop geveegd met de babyboomers waar ik al mijn halve leven zoveel last van heb. Met dezelfde verwijten als ik de jaren zestig generatie altijd gemaakt heb. Zou het toeval zijn, dat ik nu voorbijgestreefd wordt door de kinderen van diezelfde babyboomers? Door een generatie van blije optimisten zonder ideologische last. Die zich nu, getuige de slotwoorden van Van der Veen in de Volkskrant (‘Wij gaan voorbeeldig regeren!’), ook al weer voorbereiden op het pluche. Zou zijn naïviteit gespeeld zijn? Hun ‘levenslust’ lijkt vooral met hun ambities en mogelijkheden te maken te hebben.
In ieder geval is het flinterdunne ‘idealisme’ van Van der Veen helemaal niet uitzonderlijk. In zijn onbenulligheid doet het aan D66 denken: vlees noch vis. Of aan de pretpunks uit het begin van de jaren tachtig: ‘als je haar maar goed zit’. Al tientallen jaren feesten jongeren, roepen af en toe dat ze voor een betere wereld zijn, doen een goede daad als het zo uitkomt, en juichen gehypte politici toe. Niets mis mee, maar pretendeer niet dat je nu iets bijzonders aan het doen bent. Integendeel: niet het feesten is het verschil tussen de generaties, maar het gebrek aan inhoud. De huidige oppervlakkigheid is een grote stap terug in vergelijking met de – soms langdradige, maar wel degelijk relevante – bespiegelingen van vroeger. Ook de pogingen om idealen in de praktijk te brengen (de essentie van praktisch idealisme) gingen vroeger verder dan nu.
Laat één ding duidelijk zijn. Het gaat niet om een wedstrijd tussen generaties. Elk engagement is goed, of dat nou feestend, liggend of vissend wordt betracht. Als Coolpolitics en anderen met gebruik van slimme reclametechnieken jongeren weten te interesseren en zo op eigentijdse manier complexe verhalen weten over te brengen, is dat winst. Niet als het betekent dat je blijft hangen aan de oppervlakte. Nieuwenhuis’ oproep om ter compensatie van de CO2-uitstoot van een New York-vlucht 59 bomen te planten, legt verbanden. En het biedt een concreet, zij het weinig substantieel, perspectief tot idealistisch handelen. Het wekt echter ook associaties op met het Trees for Peace-initiatief van minister Van Ardenne. Misschien dacht zij zo ook meer jongeren te bereiken, maar het lijkt wel erg naïef om te denken dat het planten van bomen op de grens tussen Eritrea en Ethiopië de legers daar van vechten weerhoudt.
Heijne’s verwijt dat het nieuwe engagement vooral tot doel heeft ‘jezelf beter te voelen’, snijdt geen hout. Het ‘lijden aan de wereld’ (Van der Veen) is een kwaal die ik herken, die waarschijnlijk vooral mensen van Heijne’s (en mijn, en Hudigs) no-future generatie treft. Maar dat is niet maatgevend. Ik betrap mezelf ook vaak op de zure toon die doorklinkt in Heijne’s stuk; het ‘we have seen it all’ doodt alle creativiteit en vernieuwing. In dat opzicht moeten we vooral het naïeve optimisme van de praktisch idealisten opsnuiven.
We moeten geen discussie over de vorm (snel en hip) of motivatie hebben, maar over de inhoud en de effectiviteit. Het is ook onzin om je boos te maken over de zoveelste one-issue-NGO of al die doe-het-zelf-ontwikkelingsprojecten: enthousiaste amateurs die op eigen houtje een schooltje gaan bouwen, in hun vrije zomermaanden operaties gaan uitvoeren, een bedrijfje helpen opzetten in een Afrikaans land. Op welke grond kun je al die duizenden mensen het recht ontzeggen een ideaal zelf in de praktijk te realiseren? Al denk ik dat ook hier in veel gevallen opnieuw het wiel wordt uitgevonden en ervaringen uit decennia ontwikkelingssamenwerking genegeerd worden. Het gaat erom of het huidige feestengagement verder gaat dan liefdadigheid en mooie intenties en voortbouwt op inzichten van eerdere generaties. En dat waag ik te betwijfelen.
De nieuwe naïevelingen zetten zich af tegen de voorgaande generaties. Dat is van alle tijden en schudt de boel een beetje op. Maar zij vergeten – of weten niet – hoe groot het verschil is tussen de generaties die opgroeiden in de jaren 60-70 en in de jaren 80. In de jaren zestig was er een ongebreideld vooruitgangsgeloof en alles werd anders. Met een stevige duw viel alles om en werd ook flink wat bereikt. Dan is het makkelijk idealist te zijn. Was er een groter feest dan ‘Mei 68’, Woodstock of de Provotijd? Mijn vroege tienerjaren werden bepaald door de spijt dat ik daar niet bij had kunnen zijn. Het zijn maar een paar voorbeelden uit de tijd waarin de babyboomers de macht kregen aangereikt. De generatie die haar lange mars door de instituties al snel inwisselde voor carrière en geld, met daardoor wel genoeg ruimte voor stevige donaties aan goede doelen. Een relatief kleine groep van deze generatie sloot zich op in communistische keurslijven en raakte verstrikt in starre marxistische interpretaties.
In de jaren tachtig daarentegen overheerste een zwaar pessimisme: economische crisis, kernraketten, Tsjernobyl, verval, uitzichtloosheid. ‘Mijn’ jaren tachtig waren zo bezien slechts het grauwe intermezzo tussen het optimistische tijdperk waarin de babyboomers de leiding kregen en de even zo rooskleurige jaren negentig, het post-Muur-tijdperk. De jaren waarin de aandelenkoersen tot in de hemel schoten en een einde aan de geschiedenis leek te komen. De periode dus waarin de nieuw geëngageerden van nu opgroeiden.
Maar in de jaren tachtig waren er ook heel veel idealisten. Die zich heel anders opstelden dan hun voorgangers. Juist de combinatie van het opportunisme en de verstarring van de babyboom-generatie wekte een tegenreactie op. Het was de tijd waarin het postmodernisme populair was, de ultieme relativering van het ‘grote verhaal’. In antwoord op de grote ideologieën werd een – soms te – praktisch idealisme ontwikkeld: niet lullen maar doen. Er was genoeg gefilosofeerd over de wereldrevolutie, we gingen het gewoon in de praktijk brengen. In het dagelijks leven, in kraakpanden, in collectieven, biologische winkels, met eigen kranten, radio, uitgeverijen, drukkerijen, et cetera. Het idealisme werd in alle aspecten van het dagelijks handelen geïntegreerd, inclusief alle fouten en mislukkingen die zulke sociale experimenten met zich mee brengen. Veel van de zaken die de meer verlichte varianten van het hedendaagse praktisch idealisme propageren, zijn in die jaren ontstaan. Het is uitstekend dat dat nu uitgebouwd en gemoderniseerd wordt, door verantwoord consumeren te combineren met marketingtechnieken – de instrumenten van het vermaledijde kapitalisme.
Maar in de jaren tachtig gingen dit soort praktische handelingen vergezeld van politieke stellingnamen, en alleen dan bieden ze zicht op verandering. Er werd in die jaren op allerlei niveaus actie gevoerd. Het begrip autonomie werd gebruikt om onder de verstikkende ideologische deken uit te komen van de communistische voormannen, die vergeefs probeerden de beweging onder hun schitterende leiderschap te brengen. Er waren geen leiders, ieder deed zijn ding. Alle vormen van actie (uitgezonderd geweld tegen personen) konden naast elkaar bestaan, ieder droeg bij wat hij of zij zich wilde veroorloven. Er waren alleen algemene – idealistische - doelen. Een goed voorbeeld vormden de acties tegen de apartheid in Zuid-Afrika. Van handtekeningenacties, partijpolitieke amendementen, kerkbijeenkomsten, via demonstraties en boycots, tot de omsingeling van het Shell-laboratorium in Amsterdam-Noord en het slangensnijden bij Shell-pompstations.
Het lijkt een beetje op de andersglobalistische beweging die elders in de wereld bestaat. Voor veel mensen werkt die associatie als een lap op een rode stier, maar voor mij is de huidige beweging niets anders dan een internationaal netwerk van autonome mensen en groepen die zich allemaal voor een andere en rechtvaardige mondialisering inzetten. Dat zijn duizenden kleine en grote initiatieven in de hele wereld, waarvan de meest in het oog springende en voor sommigen beangstigende vernielingen van McDonalds slechts een heel klein onderdeel zijn. Wie even verder kijkt, herkent in de andersglobalisten veel van de positieve aspecten van het praktische idealisme. En wie ooit bij het Wereld Sociaal Forum in Porto Alegre geweest is, weet hoe ze kunnen feesten! Met wat meer politieke visie zouden kritische consumenten of praktisch idealisten in Nederland er ook bij kunnen horen.
Het was in de jaren tachtig overigens niet allemaal zwaar en serieus. Reken maar dat er gefeest werd in de jaren tachtig. Veel minder braaf, minstens zo spectaculair en creatief. En niet gesubsidieerd of georganiseerd door ingehuurde bureaus als Globalicious. Een van de termen die toen gebruikt werd om dit praktisch idealisme te omschrijven was overgedreven uit de punkbeweging: Do it yourself. Het lijkt veel op de term die Nieuwenhuis gebruikt: Just do it. Dat is, niet toevallig, de leus van Nike, een van de multinationals die jarenlang doelwit waren van andersglobalisten. In drie woorden stelt hij daarmee subtiel het strakke ideologische verzet tegen multinationals ter discussie. En dat is goed, want er zitten veel kanten aan het gedrag van multinationals in ontwikkelingslanden. Het zijn niet alleen de belangrijkste betalers van smeergeld aan corrupte elites en meedogenloze concurrenten van lokale bedrijven die, na gebruik van belastingvoordelen en zonder iets achter te laten, doorhoppen naar het volgende lage-lonen-land. Zij betalen ook net iets meer salaris, letten ietsje beter op arbeidsomstandigheden en hanteren betere milieucriteria, al was het maar omdat een misstap hen veel onnodige publiciteit oplevert. Deze nuances ontbreken soms bij de antiglobalisten – de minderheid binnen de mondiale beweging die meer nationalistische trekken vertoont. Als het pragmatisme van het nieuwe engagement voor dit soort relativering zou worden gebruikt, zou ik het van harte toejuichen. Ik vermoed dat Nieuwenhuis, gezien zijn zojuist verschenen degelijke en genuanceerde De Grote Globaliseringsgids, dit ook voor ogen heeft.
Het voorbeeld van Just do it (of van de reclamecampagne van T-Mobile: For a better world for you) geeft aan hoe bedrijven inspelen op dezelfde sentimenten die de idealisten inspireren. Het geeft ook aan hoe nauw de scheidslijn ligt, hoe subtiel de verschillen liggen, hoe snel iets in zijn tegendeel kan omslaan, positief of negatief. Het vergt dus enige reflectie en overzicht om de politieke gevolgen van bepaalde uitingen en gedrag te doorgronden.
Juist die politieke diepgang – die veel verder gaat dan het Haagse gedoe, maar maatschappelijke processen in een bredere, internationale context zet – ontbreekt totaal in het nieuwe engagement. Het feestidealisme in Nederland is niet pragmatisch en reflexief, maar opportunistisch. Het blijft hangen in hype en oppervlakkigheid. Het spreekt zich niet uit tegen bepaalde politieke ontwikkelingen, probeert niet de maatschappelijke druk te verhogen. Het ontkent de botsing tussen belangen en de noodzaak van moeilijke keuzes die essentieel zijn voor het bevorderen van een rechtvaardiger wereld.
Naïviteit leidt ertoe dat iedereen met je aan de haal kan gaan. Minister Van Ardenne stelde de praktische idealisten eind november in een speech voor UvA-studenten gelijk aan ‘sociale ondernemers’ en tegenover ‘de cynici’ en ‘de utopisten’. ‘Misschien wel de beroemdste sociale ondernemer is Mister Microsoft himself, Bill Gates’, aldus onze minister. Gates, die zoveel geld uitgeeft voor de bestrijding van ziektes als malaria en aids. Het pragmatisme van de feestgeneratie slaat om in ignorantie als zij de liefdadigheid van Gates loskoppelen van de keiharde zakenstrategieën waarmee hij dat geld verdiende: vergelijkbaar met die van de farmaceutische industrie die de markt van aidsmedicijnen monopoliseert. Gates, die samen met zijn vrouw en popster Bono in de VS is uitgeroepen tot ‘Mens van het Jaar’. Het sluit naadloos aan bij het Live8-denken. Ontwikkelingshulp is mainstream geworden. Met verfijnde PR-technieken, oneliners en eendimensionale boodschappen is het gelukt vele miljoenen mensen weer voor het lot van de armen te interesseren.
Dat is mooi, maar idealisten willen verder dan de mainstream, lijkt mij. Zij zijn niet tevreden met het niveau van ‘bewustzijn’ dat al tientallen jaren boven de maatschappij zweeft. Zij willen dat de mooie beloften echt ingewilligd worden en proberen schijnoplossingen en hypocrisie te ontmaskeren. Het gaat om begrip van de ingewikkelde samenhangen in de wereld, over de geopolitieke en economische belangen; een veel complexere boodschap dan ooit tijdens een biertje op de dansvloer kan worden geconsumeerd. Daar heb je de ‘wereldlijders’ voor nodig: de mensen die de zware verhalen vertellen.
 
Waar gaat de discussie over?
De discussie ontstond door de felle column van Bas Heijne (NRC Handelsblad, 24 september 2005: De burger als potentaat’), die zich verzette tegen de ondraaglijke lichtheid van het engagement van mensen als Cindy Pielstrom met haar initiatief Globalicious: ‘Het idealisme van Cindy is van het nieuwe soort, het soort dat iedere inhoudelijkheid overboord zet in naam van de klantvriendelijkheid.’
Freelance journalist Evert Nieuwenhuis (NRC Handelsblad, 19 november 2005: ‘Feestend verbeteren wij de wereld’ & ‘Liever een praktische idealist dan helemaal geen’, de Volkskrant, Forum, 31 december 2005) pleitte in reactie daarop juist voor het ‘idealisme à la carte’ van de twintigers en dertigers van nu, en onderscheidde dat van de ijzeren principes van de hemelbestormers van vorige generaties. Het nieuwe engagement zou overal ‘bruisen en borrelen’: op popfestivals wordt gediscussieerd over politiek, honderden jongerenbezoeken De Nacht van de VN, miljarden kijken naar Live 8, veel mensen verlaten huis en haard om zelfstandig in een ontwikkelingsland een kleinschalig hulpproject op te zetten. Just do it, aldus Nieuwenhuis, in plaats van het storten van geld op een gironummer - zoals bij Live Aid in 1985.
Kees Hudig, voorman van het XminY Solidariteitsfonds in Amsterdam, heeft veel kritiek op de zienswijze van Nieuwenhuis. In het artikel ‘Hiphop-idealisme is vals’ (NRC Handelsblad, 13 december) schrijft hij dat het praktische idealisme ‘in feite vooral blijkt te bestaan uit het in nemen van een vriendelijke allemansvriendpositie waarin je bedrijfsleven en rijkelanden te vriend houdt en wat kruimels probeert af te troggelen. Hij pleit voor aansluiting bij meer confronterende bewegingen ‘die niet wars zijn van een keuze meer of minder’. Hudig acht het vooral belangrijk dat er wel degelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen degenen die de problemen veroorzaken en hen die ze zouden kunnen helpen oplossen.
Menno van der Veen (de Volkskrant, 24 december 2005) werkt het argument van Nieuwenhuis nog verder uit door de tegenstelling te schetsen tussentwee soorten jongeren: de ‘wereldlijders’ die boos zijn vanwege al het onrecht en vinden dat alles anders moet, versus de ‘naïevelingen’ waaronder hij zichzelf en Nieuwenhuis schaart. Zij staan ‘volop in het leven’, genieten van vakanties en feesten vooral veel. Deze jongeren, geboren in de jaren 70/80, onderscheiden zich door hun grote relativeringsvermogen van vorige generaties, die in diezelfde decennia ‘dogmatisch en orthodox’ discussieerden. Inmiddels zou die oudere generatie de idealen hebben ingeruild voor midweekjes Malediven en worden zij na hunscheiding door hun kinderen getroost.
Van der Veen wijst verontwaardigd het verwijt van ‘vrijblijvendheid’ van de hand, want de jongeren zijn toch bereid om ‘een politicus die voor meergeld voor de derde wereld pleit als een icoon toe te juichen?’ Van der Veen doelt op Ruud Lubbers. ‘Ruudje’, wel te verstaan, de berustende grootvader die droomt van een betere wereld. Niet ‘Lubbers’, de ‘machtswellustige, niet delegerende no-nonsense recordpremier.’
 
Frans Bieckmann is politicoloog en publicist, gespecialiseerd in ontwikkeling en globalisering en schrijver van De wereld volgens prins Claus. Hij is verbonden aan www.wereldinwoorden.nl.

© Frans Bieckmann

* * *

Idealistische jongeren
Anil Ramdas
NRC Handelsblad, 16 januari 2006


Het meest irritante aan mijn generatie is dat ze ontzettend kan snoeven over het eigen falen. Zo van: als het ons niet is gelukt, zal het niemand lukken. Neem nou de discussie die op het ogenblik woedt in NRC Handelsblad en de Volkskrant tussen ouderen en jongeren over de vraag waarom en hoe je de wereld zou moeten verbeteren.
Het begon een paar jaar geleden met een studentenclub die onder de titel ‘Coolpolitics’ feestelijke debatten organiseerde over politieke onderwerpen en een boek van Natasja van den Berg en Sophie Koers met als titel: Praktisch Idealisme. Geen doorwrochte politiek-wetenschappelijke verhandeling, maar zoals de ondertitel luidt: ‘een handboek voor de beginnende wereldverbeteraar’.
Mensen van mijn generatie, ik ben van 1958, reageerden knorrig. De suggestie zou namelijk zijn dat wij ouderen, in onze hoedanigheid van ‘gevorderde wereldverbeteraars’, onpraktische idealen hadden gekoesterd en dat die daarom niets hadden opgeleverd. Als wereldverbeteraars zijn we mislukt, want zie hoeveel ellende er nog is.
In plaats van blij te zijn dat jongeren het nog eens probeerden, maakten we smalende opmerkingen over wereldverbeteraars met iPods en Nikes en Diesel-jeans, die op feesten de muziek drie minuten zachter zetten om te luisteren naar een praatje over vluchtelingen, en daarna weer dansen. Alleen het eigen schuldgevoel probeerden de jongeren te temperen.
Het grappige is dat de jongeren helemaal geen geheim maken van de behoefte om zichzelf prettiger te voelen. Ze zeggen juist dat zij de wereld niet willen verbeteren uit schuldgevoel, maar uit verantwoordelijkheid. Help de armen, redt het milieu uit menselijkheid, uit meevoelendheid, uit naastenliefde.
Vooral die diepchristelijke ondertoon van naastenliefde ergerde ons, alsof schuldgevoel minder diepchristelijk is. En dat ze zo oppervlakkig waren en alleen naar hiphop luisterden en naar muziekclips keken en van die dunne gidsjes lazen, alsof wij oudere wereldverbeteraars vroeger allemaal de Grundrisse der Kritik der Politischen Ökonomie van Marx aan het uitpluizen waren.
Maar terug naar de kernvragen: waarom je de wereld wilt verbeteren en of het nut heeft daartoe een poging te wagen. Is het waar dat wij oudere wereldverbeteraars het alleen maar deden voor de verworpenen der aarde en daarbij grote persoonlijke offers brachten? Onze vergaderingen waren een stuk minder gezellig, dat is zo, we waren het ontzettend met elkaar eens en we moesten toch uren luisteren naar de betogen van onze mede-actievoerders, om daarna te besluiten tot een speldje voor op de wollen trui.
De jongeren van tegenwoordig zijn misschien meer consumenten dan activisten en wij ouderen kunnen nu makkelijk zeggen dat ze dat geld beter kunnen overmaken aan de armen, alsof wij dat ook gedaan hebben. Dat hebben wij niet, in de eerste plaats omdat wij zelf toen minder te besteden hadden, maar vooral omdat er, zeker in de jaren zeventig, goede mogelijkheden waren om bij de overheid subsidie aan te vragen: bijna alle actiecomités werden gesubsidieerd door de toenmalige Nationale Commissie voor Ontwikkelingssamenwerking.
Nogmaals, we vergaderden urenlang en we plakten posters in de stad en we voelden ons daar verschrikkelijk fijn bij, alleen zeiden we het nooit hardop. Later werd de stelling geponeerd dat het juist in je eigen belang is om de wereld te verbeteren. Armen zijn een bedreiging voor onze levensstijl en voor de wereldvrede, daarom is het praktisch en verstandig om armoede te bestrijden. Dat was voor ons een hele opluchting: hoefden wij ons niet meer zo schuldig te voelen over het feit dat wij het zelf prettig vonden als we een keer flink actie hadden gevoerd tegen het grootkapitaal en het militair-industrieel complex.
De tweede vraag is die van het nut van het willen verbeteren van de wereld, en hier treedt pas echt de arrogantie van mijn generatie aan het licht. Wij roepen het hardst dat al onze moeite voor niets is geweest, dat ontwikkelingshulp in een bodemloze put terechtkwam, dat wij allerlei onderwerpen zoals handelsbarrières en de schuldenproblematiek over het hoofd zagen.
Het is een hardnekkige mythe en wij ouderen geloven daar gretig in, maar is het waar dat in de afgelopen dertig jaar niets is bereikt op het gebied van armoede en milieu? Je kunt net zo goed het tegendeel beweren en zeggen dat alles wat door de gevorderde wereldverbeteraars geprobeerd is, min of meer is gelukt. Je kunt dan lukraak de verminderde nucleaire dreiging noemen tussen Oost en West, de beëindiging van de Vietnamoorlog, de afschaffing van de apartheid en de economische groei van India, die als geen ander heeft geprofiteerd van de Groene Revolutie, van nieuwe landbouwtechnieken die door westerse wereldverbeteraars waren ontwikkeld.
Trouwens, hoe zou het komen dat ondernemers tegenwoordig zo veel socialer zijn, dat multinationals zo veel minder vervuilend zijn, dat er zoiets is ontstaan als maatschappelijk verantwoord ondernemen, dat er een Kyoto-verdrag is, dat er millenniumdoelen zijn en dat walvissen en olifanten nog bestaan? Komt het niet door het eindeloos aan de kaak stellen van het wangedrag van het grootkapitaal en het wijzen van consumenten op het feit dat hun voetballen waren genaaid door kinderhandjes?
Het publiekelijk tonen van wangedrag is nu nog veel makkelijker dan vroeger, nu we het internet hebben. De beginnende wereldverbeteraars moeten daar hun voordeel mee doen, maar ze moeten niet komen met de gedachte dat zij de wereld beter zullen verbeteren dan de ouderen dat hebben gekund.
Je kunt het nog scherper zeggen: de beginnende wereldverbeteraars hebben nu zelfs de extra opdracht om het verbeteren van de wereld niet te zien als een monopolie van het Westen. Jongeren in de Derde Wereld laten nu ook van zich horen, ze zijn niet meer met bloedige revoluties bezig, ze zijn ook praktische idealisten geworden. Ze willen ook dvd’s en mobieltjes, zoals de jongeren hier, ze willen een prettig leven en ze willen zich fijn voelen. Ik denk dat het een formidabele beweging oplevert als de praktische idealisten aller landen zich verenigen.
Mijn advies aan beginnende wereldverbeteraars is: begin maar. Luister niet naar de knorrige opmerkingen van de gevorderde wereldverbeteraars. De wereld valt te verbeteren, dat moeten jullie blijven geloven. Hoe zeer wij ouderen ook denken beter te weten.

© Anil Ramdas / NRC Handelsblad
  
* * *
 
Idealisme, wat is dat?
Evert-Jan Quak
www.noticias.nl, 25 januari 2006


De discussie over het gebrek aan idealisme bij de jeugd steekt eens in de zoveel tijd de kop op. Nu ook weer. Er is een nieuwe hausse aan columns en ingezonden artikelen over de feestende, consumptief ingestelde hedendaagse jongeren. Freelance journalist Evert Nieuwenhuis hield op 19 november een betoog in het NRC Handelsblad ten faveure van het ‘praktisch’ idealisme van deze jongeren. Sindsdien kruisen voor- en tegenstanders de degens.
Grappig aan deze discussie is dat volledig voorbij wordt gegaan aan de werkelijke inhoud van het woord idealisme. Idealisme in de letterlijke betekenis van het woord is de opvatting dat alleen ideeën de ware werkelijkheid vormen. Dat kan dus vele verschillende gedaanten aannemen. Een fanatiek moslim die het ideaal van een theocratische samenleving nastreeft, is net zo goed idealist als een fanatiek milieuactivist die in bomen klimt om de boskap tegen te gaan. Hetzelfde geldt voor het woord ‘wereldverbeteraar’. Een vervent voorstander van vrijhandel als Jagdish Bhagwati vindt zichzelf waarschijnlijk net zo goed een wereldverbeteraar als Noreena Hertz. Ik wil maar zeggen dat de argumentatie achter een idee en de manier waarop iemand een ideaal wil verwezenlijken veel belangrijker zijn dan de naam die je het beestje geeft.
Het woord ‘idealisme’ heeft een positieve klank, maar als waarde op zich is het eigenlijk een leeg vat. Toch wordt er veel geld en energie gestoken in de promotie van Het Idealisme onder de jeugd..
Het Idealisme moet verkocht worden, aan de man worden gebracht. Hele teams, die daar goed voor worden betaald, buigen zich elke dag weer over nieuwe initiatieven om de jeugd te beïnvloeden. De trucjes zijn dezelfde die het bedrijfsleven hanteert: mensen het gevoel geven dat ze met het ‘product’ een betere status krijgen. Het is dan ook niet vreemd dat er veel geld omgaat achter de schermen van Coolpolitics of Dance 4 Life. Vaak worden dit soort nieuwe initiatieven gefinancierd vanuit het bedrijfsleven of organisaties die hun ‘positie’ in het maatschappelijke debat willen behouden.
Laten we het lege woord ‘idealisme’ liever vergeten. Laten we niet in de valkuil van de modegevoeligheid trappen, door kortzichtig de trucjes van het bedrijfsleven over te nemen. Een rechte rug tonen is op de lange termijn veel belangrijker. En dat betekent werkelijk staan voor je ideaal en daar iets voor willen opofferen. Dat dwingt op den duur meer respect af dan zapgedrag.
Een voorbeeld. Het enige gemeenschappelijke ideaal van de andersglobalisten is dat zij willen dat het huidige neoliberale dogma uit de wereld verdwijnt. Welk alternatief ze nastreven is niet eenduidig. Daar wordt heftig over gediscussieerd. Bijvoorbeeld tijdens het World Social Forum dat dit jaar in Carácas plaatsvond . Daar ontstaan netwerken, gelegenheidscoalities en wordt informatie uitgewisseld. Die informatie kan worden gebruikt om goede campagnes te starten. Dat klinkt misschien niet erg sexy of ‘cool’, maar dat zet uiteindelijk wel zoden aan de dijk.
Gelukkig kan bij dit soort serieuze aangelegenheden ook worden gedanst en gelachen, niet met gesponsord bier en zonder gesponsorde bands. Maar wel met een rechte rug.
 
© Evert-Jan Quak / www.noticias.nl
 
* * *

Ontwikkelingshulp gedijt bij globalisering
Ralf Bodelier
NRC Handelsblad, 31 januari 2006

Zowel de 'feestidealisten' als de 'wereldlijders' willen daadwerkelijk iets doen aan de hartverscheurende armoede in landen die vandaag per lijnvlucht te bereiken zijn. En daarin staan ze niet meer alleen. We lijken aanbeland in de volgende globaliseringsronde. Die van morele globalisering, meent Ralf Bodelier.

Wanneer voor ons huis een kind met zijn fiets valt, zullen we het helpen om weer overeind te komen. Wanneer het kind gewond is, besparen we ons kosten noch moeite om het naar huis te brengen of 112 te bellen. Want medelijden, compassie met mensen die in de problemen zitten, is voor de meesten van ons vanzelfsprekend.
Geldt dit ook voor hulp aan de mensen in de Derde Wereld? Ogenschijnlijk niet. Want in hetzelfde tijdsbestek waarin we hier een kind naar het ziekenhuis brengen, sterven in Afrika tientallen kinderen. Kinderen die we met evenzoveel kosten en moeite kunnen redden. De harde werkelijkheid is nog steeds die van H=E:A. ‘Hulp is Ellende gedeeld door Afstand’. Niet minder relevant is het feit dat velen denken dat armoede in Afrika een complex probleem is dat al even complexe oplossingen vereist.
Precies met deze vooronderstelling breken de zogenaamde ‘feestidealisten’. Zij menen dat je met praktische hulp wel degelijk veel kunt doen. Ze stoten daarbij op de ‘wereldlijders’ die veel politieke en economische beren op de weg zien. Toch is er iets wat beide partijen met elkaar verbindt. Zowel de feestidealisten als de wereldlijders willen daadwerkelijk iets doen aan de hartverscheurende armoede in landen die vandaag per lijnvlucht te bereiken zijn. En daarin staan ze niet meer alleen.
Want in deze prille 21e eeuw is er sprake van tendens die zich buiten de publieke discussie afspeelt maar niet minder interessant is. Zij kwam helder aan licht tijdens de golf van liefdadigheid die na de tsunami van 26 december 2004 over de wereld spoelde. Althans over dat deel van de wereld dat economisch, technologisch en cultureel met elkaar is verweven: het geglobaliseerde deel van de wereld.
Maar liefst tien miljard dollar schonken de burgers van deze geglobaliseerde wereld aan de slachtoffers van de zeebeving. De gemiddelde Nederlander gaf 31 dollar aan acties, die door meer dan één miljoen landgenoten op touw werden gezet. Dat was minder dan de 66 dollar die de gemiddelde Australiër gaf, of de 57 dollar van de gemiddelde Noor. Maar het was veel meer dan mensen gaven in rijke landen die zich afsluiten voor de rest van de wereld. Zoals de Saoedi's die iets meer dan één dollar schonken. Of de burgers van het in zichzelf opgesloten Frankrijk, die gemiddeld 94 dollarcent gaven.
Sceptici wijzen erop dat de tsunamislachtoffers deze miljarden onder meer te danken hadden aan de roezige kerstsfeer en het feit dat velen de vakantieparadijzen van Thailand en Sri Lanka kennen. Toch wijst de goedgeefsheid op een breder verschijnsel, een fenomeen dat de Britse historicus Timothy Garton Ash 'morele globalisering' noemt. Hij constateerde na de inzamelingsacties dat ‘burgers uit de rijke wereld zich in toenemende mate identificeren met mensen van ver weg, en menen dat ze tegenover hen een morele verantwoording hebben.’ Ash’ constatering lijkt terecht.
Wat deze morele globalisering aanjaagt, is het feit dat we steeds meer verre reizen maken. We stuiten op zieken, daklozen, bedelaars. Op mensen die ook gezond, gehuisvest en aan het werk hadden kunnen zijn. Mensen voor wie wij iets kunnen doen. En voor wie we in toenemende mate ook iets willen doen. Overigens ontkomen ook de thuisblijvers steeds minder aan de wereld. De globale media zorgen er wel voor dat we dag in, dag uit, het leed meemaken dat anderen treft.
Dat was dertig jaar geleden wel anders. KRO-journalist Aad van den Heuvel beschrijft in zijn recent verschenen journalistieke memoires, hoe het Chinese Tanshan in 1976 getroffen werd door een aardbeving die tussen de 225- en 650 duizend mensen het leven kostte. Uit het communistische China kwamen geen beelden van de ramp, de wereld hoorde er dus niets van en daarom was ook niemand betrokken. Vergelijk dit met de aardbeving in Kasjmir van afgelopen oktober. Na enkele uren later had CNN al de eerste beelden. Eind november was bijna zes miljard dollar aan hulp toegezegd. En nu waren het geen vakantieparadijzen die tijdens ons kerstdiner werden getroffen, maar baardige, orthodoxe moslims in een ruig berglandschap waar toeristen zich maar amper vertonen.
Wanneer inderdaad sprake is van een nieuwe, morele ronde in de globalisering, dan stemt dat optimistisch. Want door de toenemende welvaart in het geglobaliseerde deel, werd de kloof met het achterblijvende alleen maar groter. Daarom hebben we niet minder, maar méér globalisering nodig. Niet minder, maar meer bemoeienis met de armen. En daaraan hangt een prijskaartje. Gelukkig blijken we bereid om die prijs te betalen. Zo geeft de Nederlandse overheid dit jaar bijna vier miljard euro aan ontwikkelingshulp. En hoewel bijna vier op de tien Nederlanders vindt dat veel van deze hulp slecht wordt besteed, meent ruim tachtig procent dat er niet op bezuinigd mag worden. Vond in 1990 nog twintig procent van alle Nederlanders dat de overheid méér moet uitgeven aan hulp, inmiddels is dat 34 procent.
Daarin staat Nederland niet alleen. Vrijwel alle landen in het geglobaliseerde deel van de wereld verhogen op dit moment hun ontwikkelingshulp. En dat doen ze fors. Dat blijkt uit nieuwe cijfers die de OECD, de club van de rijkste dertig landen, afgelopen maand presenteerde. In 2003 gaven we zeventig miljard dollar, in 2004 bijna 80 miljard, en dit jaar zullen we doorstomen richting 100 miljard. De OECD verwacht dat we in 2010 niet minder dan 130 miljard dollar vrijmaken voor ontwikkelingshulp.
Met de acties die wij na de tsunami ondernamen, kwam bovendien iets aan de oppervlakte wat al langer sluimerde. Wij accepteren niet alleen dat een deel van ons nationaal budget opgaat aan ontwikkelingssamenwerking. We doen ook zélf graag aan ontwikkelingshulp. Zo is de Nederlandse minister van Ontwikkelingssamenwerking weliswaar de belangrijkste geldschieter, de enige is ze allang niet meer. Ook lagere overheden, kerken en vakbewegingen zetten ontwikkelingshulp op de agenda. Gemeenten knopen stedenbanden aan in Afrika, Azië of Latijns-Amerika. Vakbonden maken zich sterk voor betere arbeidsomstandigheden in ontwikkelingslanden. En het bedrijfsleven krijgt oog voor de Derde Wereld onder het motto van 'maatschappelijk verantwoord ondernemen'. Bovendien telt Nederland zo'n 350 formele particuliere ontwikkelingsorganisaties, waaronder de Leprastichting of het Rode Kruis.
Vervolgens zijn hier naar schatting meer dan tienduizend clubjes die zich direct inspannen voor concrete projecten in het Zuiden. Daaronder 'Stichting Kinder-hulp Burkina Faso', in het leven geroepen door Monique Wolters uit Roermond. En de stichting 'Nabuur' van de kunstenaar Siegfried Woldhek uit Amersfoort die Nederlandse dorpen via internet in contact brengt met dorpen in Equador, India of Kenia. En wat te denken van de jonge Nederlandse arts Nienke Sonneveld? Zij ontdekte in het Malawiaanse stadje Mangochi dat de zwaar ontstoken huid van albino's geneest met simpele zonnebrandcrème. Zij richtte de stichting 'Afrikaanse Albino's' op en stuurt nu vele honderden liters crème richting Malawi, Zambia, Mali en Senegal.
Het is de Hollandse variant van de morele globalisering, recht uit het hart, overwogen, goedkoop en uiterst effectief. Projecten als deze waren tot voor twintig, dertig jaar geleden maar amper uit te voeren. En hoewel H=E:A nog steeds geldt, neemt het belang van de factor Afstand snel af. En dat is winst voor de H van Hulp.

Ralf Bodelier is journalist en schrijver. Vorig jaar verscheen van hem 'Tegen de Angst. Optimisme als opdracht voor de 21e eeuw'. Hij werkt nu aan een boek over de toekomst van de ontwikkelingshulp.

© Ralf Bodelier / Words Unlimited

* * *
 
Jong!
Raoul de Jong 
Internationale Samenwerking, feb 2006

Er was een tijd dat ik wilde dat ik jong was in de jaren zestig. Vanwege de kleren, de kleuren en de muziek, maar waarschijnlijk toch het meest vanwege al dat idealisme. Dat er nog wat was om voor te vechten enzo, en dan allemaal samen. Helaas: tegen de tijd dat ik geboren werd had men wel begrepen hoe verstikkend idealen kunnen zijn en dus waren het niet Janis Joplin, Jimy Hendrix en The Doors met wie ik opgroeide, maar Michael Jackson, Madonna en Beverly Hills 90210. ‘Rijk en beroemd worden!’, schreeuwden zij. Pakken wat je pakken kan en hou het lekker voor jezelf. Maar, let op: de tijden zijn veranderd. Zoals journalist Evert Nieuwenhuis opmerkt in een artikel in NRC Handelsblad: “Goed nieuws: jongeren zijn weer geëngageerd.”
Er zijn weer idealisten, ‘praktische idealisten’ noemt hij ze. Idealisten die zich onderscheiden van de andere idealisten, door geen ‘ijzeren principes’ aan te hangen. Ja, ze willen de wereld verbeteren, maar dan zonder er hun hele leven voor om te gooien, feestend zeg maar. Relaxed. Gewoon een iPod kopen, maar dan wel wat geld overmaken naar Afrika. Gewoon naar New York vliegen, maar dan wel ergens wat bomen laten planten via internet. Je laveloos zuipen en je volvreten, maar dan wel voor een goed doel. “Het nieuwe engagement bruist en borrelt overal”, zegt Nieuwenhuis, en inderdaad: de Dansen voor Tsunami-, Pakistan- en Darfurparties waren niet uit de lucht de afgelopen tijd. Overal zag je polsbandjes, voor liefde, tegen armoede, voor respect, overal zaten jongeren met elkaar te debatteren en alle zichzelf respecterende popgroepen namen geëngageerde liedjes op. Krezip deed het voor Novib, Ali B. deed het met Marco voor War Child en in zijn uppie voor Plan en Lange Frans en Baas B. deden het helemaal uit zichzelf. Het moge duidelijk zijn: feestend de wereld verbeteren is het nieuwe cool.
Maar helpt het ook, dat is de vraag.
Ja, zegt Nieuwenhuis, juist omdat het zo weinig vraagt van de mensen, dat ze het op deze manier ook vol kunnen houden. Nee, denk ik, omdat dit nieuwe idealisme toch vooral een noodoplossing lijkt, voortkomend uit onzekerheid. God die was het niet en al die idealen met ijzeren principes die hem moesten vervangen, waren het ook niet. Zelfs het kapitalisme heeft gefaald. We rennen er nog wel achteraan, de roem en het fortuin, maar we weten van tevoren al dat het ons niet alles brengen zal. Wat het dan wel is, dat weten we niet.
En dus is dit het maar. Een halfbakken compromis dat de praktische idealisten zelf in elk geval een gevoel van zekerheid geeft, het gevoel dat ze goed bezig zijn. Wat helemaal niet erg kwalijk is natuurlijk, ware het niet dat mensen die denken dat ze goed bezig zijn, die denken te weten hoe het moet, meestal niet zo veel begrip hebben voor andersdenkenden. Ik voel hem in elk geval wel, die druk. Dat je niet cool bent als je niks over politiek te zeggen hebt, dat je geen goed mens bent als je niet op 555 stort, dat je geen goed mens bent als je niet 59 bomen plant nadat je naar New York bent gevlogen. En zo wordt dit praktische idealisme, hoe vrij en weinig eisend het ook moge zijn, toch eigenlijk weer een idealisme als alle anderen, van ijzer, een beetje dictatoriaal.
Er was een tijd dat ik wilde dat jong was in de jaren zestig, inmiddels is die tijd wel weer voorbij. Omdat dit eigenlijk een hele mooie tijd is om jong te zijn. Gister drong dat voor jet eerst tot me door, toen ik het erover had met wat mensen in een klein kamertje in New York. Juist omdat het ook heel mooi kan zijn om het allemaal niet te weten. We willen wel, maar we weten niet hoe. Onzeker zijn we, iedereen is zoekende en daar worden mensen mooie mensen van. Nederig, kwetsbaar en open. Laten we dat vooral nog even blijven tot we iets hebben gevonden waar de wereld echt beter van wordt.
 
© Raoul de Jong

* * *

Maatwerkidealen verlossen ons van de kuddegeest
Gustaaf Haan
de Volkskrant, 24 februari 2007
Natuurlijk hebben jongeren nog wel idealen, maar ze belijden ze op een heel andere manier dan de generaties voor hen. Geen geitenwol of hanekam, maar ieder zijn eigen idealen in een internettijdperk, bepleit Gustaaf Haan.

Politiek is iets voor mensen met idealen. De Wiardi Beckman Stichting (WBS), het wetenschappelijk bureau van de PvdA, vroeg ons, elf onderzoekers in de leeftijd tussen de twintig en de dertig jaar, op zoek te gaan naar de idealen van onze generatie.
Onze eerste indruk was verrassend: het lijkt wel alsof we ons nergens boos over maken. We consumeren en communiceren ons te pletter, maar ons organiseren doen we nauwelijks en zeker niet voor de Goede Zaak. Erger: we begrijpen ook niet zo goed wat onze ouders daar in het Maagdenhuis deden, en waarom we nog steeds overal die stickertjes tegenkomen: ‘Kernenergie? Nee bedankt’. Wij hebben dat idealisme lijkt het niet meegekregen.

Boring Nineties
Misschien komt het door de zorgeloze jaren ’90. De maatschappij had in de tweede helft van de vorige eeuw grote stappen gemaakt, juist door de inspanningen van eerdere generaties. De verzorgingsstaat was opgebouwd, vrouwen geëmancipeerd, instituties gedemocratiseerd, noem maar op. Op internationaal niveau waren de Verenigde Naties en het verschijnsel ontwikkelingssamenwerking ontstaan en in 1989 werd met de val van de Berlijnse muur het laatste grote probleem opgelost dat de wereldpolitiek had gedomineerd. De maatschappij was af. In de jaren ’90 leek het of iedereen een huis had, genoeg te eten en werk, veel werk.
Wie toen opgroeide, leerde dat geld makkelijk te verdienen was en dat de weekends er waren om het met handenvol weer uit te geven. Het was de tijd van de houseparty’s tot maandagochtendvroeg, zuipfeesten voor tieners en studenten, coke en pillen. Natuurlijk gebeurde er wel eens wat in de wereld, maar niet in de onze. Het oorlogje in de golf, Monica Lewinsky, de dood van Rabin en Diana: het waren berichten uit een andere werkelijkheid. Met ons eigen leven had het even weinig te maken als de drama’s in Melrose Place. Niemand had problemen, iedereen had aandelen.
De economische verwachtingen die internet had gewekt, zakten pas aan het eind van de jaren ’90 weer in, en 9/11 gaf de nekslag. In korte tijd maakte een sufgefeeste generatie alsnog kennis met het fenomeen ‘maatschappelijk vraagstuk’. Islamisme, xenofobie, werkloosheid en politieke aanslagen: nieuws gebeurde opeens op de hoek van de straat, en eiste een standpunt.
De generatie van die boring nineties heeft dus een inhaalslag moeten maken.
En nog steeds is idealisme niet onze grootste hobby. Althans, niet het idealisme van vroeger. We gaan voor weinig de straat op en compromisloze wereldverbeteraars zijn een anachronisme. Dat lijkt een ongeïnspireerde houding, maar misschien komt die wel voort uit optimisme. Juist omdat stabiliteit en overvloed voor ons zo normaal waren, zien we recessies en conflicten als tijdelijke akkefietjes. Problemen zijn er om op te lossen, niet om een leven lang tegen te strijden. Want voor de jaren ’90 geldt misschien wel méér dan voor elke andere periode: toen was geluk nog heel gewoon.
Waarom heeft dat ‘klassieke’ idealisme afgedaan? Een andere typering zegt dat wij de netwerkgeneratie zijn. De netwerkgeneratie zet zich wel degelijk in om de maatschappij een stukje verder te helpen, maar zonder zich langdurig te verbinden aan één stroming of instituut. Neem de leegloop van de vakbonden: alleen wie een concreet probleem met zijn werkgever moet oplossen, wordt nog lid. Kranten, omroepen en verenigingen merken het allemaal: de netwerkgeneratie leeft van proefabonnement naar proefabonnement. Onvoorwaardelijke saamhorigheid is ons vreemd.
Dat betekent nog niet dat het verschijnsel ‘groep’ verleden tijd is. In zijn boek Kiezen voor de kudde signaleert Menno Hurenkamp het ontstaan van nieuwe sociale verbanden in ‘lichte gemeenschappen’: de jongens die op zondag voetballen in het Vondelpark, de moeders die om de beurt elkaars kinderen van school halen en de student die zijn onderbuurman Nederlandse les geeft. Lichte gemeenschappen zijn informeel, tijdelijk en vaak ad hoc. In plaats van vaste structuren vormen wij liever een uitgebreid maar flexibel netwerk van losse contacten. Onze generatie was de eerste die opgroeide met internet als alledaags handigheidje, en voor wie het leven zonder mobiele telefoon ondenkbaar is. Want daar bestaat ons netwerk: op Hyves, Skype, msn, in Outlook en via sms.
En zoals ons adressenbestand groter, maar ook meer diffuus wordt, zo gaat dat met ons beeld van een betere wereld. Voor vorige generaties was die ‘betere wereld’ nog een overkoepelend ideaal waar alles overzichtelijk in paste. Je kon best demonstreren vóór democratie en vrouwenrechten, en tégen woningnood en kernenergie tegelijk, want je streed altijd voor de Goede Zaak. Voor ons is dat containeridealisme niks. We lossen problemen liever per stuk op. Dat moet ook wel, omdat sommige idealen onverenigbaar blijken.
De lawaaiactie op de Dam na de moord op Theo van Gogh in 2004 liet dat goed zien: niet iedereen die opkwam voor de vrijheid van meningsuiting stond ook achter de mening die Van Gogh in zijn werk had uitgedrukt. Sommige demonstranten wilden hun afkeer van islamisme tonen, anderen wilden juist de dialoog redden die Mohammed B. had verstoord. Over de problemen waren we het eens, over de oplossing steeds minder. Goedbeschouwd is elke demonstratie een ratjetoe van meningen waarin niemand zich nog helemaal thuis voelt, in plaats van iedereen een beetje. Idealisme is persoonlijk, dus maatwerk.

Commercie
In de netwerkgeneratie zijn grote groepen niet meer op de been te brengen met een beroep op loyaliteit aan de kudde. Daar is meer voor nodig. We verwachten er iets voor terug: een handige werkervaring, een nieuw netwerk of desnoods een goed feest. En zo gaan we naar een hip Dance4life (Start dancing, stop aids), vragen we op 3FM plaatjes aan tegen landmijnen, en organiseren we een Diner tegen Honger – zonder enige ironie. Evert Nieuwenhuis noemde dat zelfs heel enthousiast ‘Nieuw Idealisme’. Anderen wezen hem erop dat idealisme méér moet zijn dan een onvergetelijke ervaring die past in de reeks bungeejumpen en backpacken door Australië. Wie de wereld echt verder wil helpen, moet ook offers brengen. Zonder omzien.
Daar zit wat in. En toch is het onterecht om dat ‘consumerend weldoen’ als huichelarij af te doen. Het is juist een hele opluchting dat de argwaan tegen commercie is verdwenen. Het ‘Nieuw Idealisme’ van Nieuwenhuis is daar maar één kant van. De andere kant is bijvoorbeeld het besef dat eerlijke koffie niet alleen eerlijk moet zijn, maar ook betaalbaar en vooral: te drinken. Eindelijk begrijpen verantwoorde kledingmerken dat hoogstens 2 procent van de klanten geïnteresseerd is in een ecologisch keurmerk; de rest wil er gewoon goed uitzien. Ben and Jerry’s ijs verkoopt niet alleen zo goed vanwege de verantwoorde ingrediënten, maar vooral omdat het lekker is. De drempel om goed te doen, is minder hoog en per saldo levert dat meer op. Idealisme hoeft geen geitenwol of hanenkam meer, en dat is pure winst.
Netwerken, consumeren en de boring nineties: niet iedereen zal zich evenveel in elke typering herkennen. Uiteindelijk is dat minder belangrijk dan het feit dat de idealen van onze generatie blijkbaar aan het zicht worden onttrokken door pragmatisme en ongebondenheid. Is dat erg? Natuurlijk niet. Het is lariekoek dat een ‘geïndividualiseerde samenleving’ haaks zou staan op streven naar verbetering. De WBS Werkplaats vindt juist dat idealen beter haalbaar zijn als ze niet meer zo samenklonteren als vroeger. In het boek Politiek van de Netwerkgeneratie schetst de WBS Werkplaats ideeën voor een nieuwe politieke generatie. Een paar voorbeelden.
Eén thema dat moet losweken uit een kluwen idealen, is energiebeleid. Van oudsher is het de milieulobby die het energievraagstuk claimde en het heeft ingebed in haar bekende verhaal over de waarde van natuur en de zorg voor onze planeet. Maar juist door dat etiket bleef het onderwerp altijd buiten het zicht van de enorme groep kiezers die ongevoelig is voor zulke argumenten.

Klimaatverandering
Onze generatie ziet energiebesparing ook als een economische noodzaak. We nemen klimaatverandering veel serieuzer dan het regeerakkoord dat doet. Maar zelfs dat is geen puur ‘groen’ thema meer: ook wie beschermde diersoorten en natuurgebieden saai vindt, mag zich zorgen maken over het klimaat. Iedereen die geen zonnepanelen op zijn dak heeft mag tóch meedenken over een oplossing. En het belangrijkste: onbeschaamd eigenbelang is geen verboden argument. Ook als de olie níet opraakt en de dijken het wél houden, zou duurzaamheid in de toekomst wel eens heel lucratief kunnen blijken.
Of neem integratie. Voor ons is het geen halszaak dat allochtonen genoeg feitjes over Willem van Oranje in hun hoofd kunnen stampen om voor een inburgeringstoets te slagen. Normen en waarden bestaan niet in meerkeuzevragen, maar in de dagelijkse praktijk. Wat we wél willen, is dat alle Nederlanders (mee)werken, dat ze weten hoe een Nederlands ziekenhuis of school werkt. Om dat te leren is het niet genoeg een boekje te bestuderen, daarvoor is het nodig om méé te doen. Daar mag best wat dwang bij, zolang het doel niet uitsluiting, maar opname in de maatschappij is.
Maar is de samenhang in die maatschappij zélf niet aan het verwateren? Een slecht teken is dat jongeren relatief weinig vrijwilligerswerk doen. De WBS Werkplaats heeft daarom voorgesteld om jongeren een Sociale Beurs te bieden; een redelijke vergoeding waartegen ze zich buiten school nuttig kunnen maken in delen van de maatschappij waar ze anders niet snel komen. Want als jongeren zich voor een kleine toelage of een officieel certificaat wél willen inzetten, waarom niet? Dat de ChristenUnie in het regeerakkoord een verplichte jongerenstage heeft kunnen opnemen, is dan ook een gemiste kans. Voor een meer eigentijdse variant verwijzen we minister Rouvoet graag naar ons boek.
De generatie van de boring nineties, kortom, gaat inderdaad op een andere manier met de maatschappij om. Feit is dat er geen massa’s krakers, provo’s en studenten zijn die als één man de barricades opgaan. Maar daarmee zijn de idealen nog niet verdwenen. Zoals sinds de Ipod ieder voor zich bepaalt welke nummers ‘Alle Dertien Goed’ zijn, zo heeft ieder nu zijn eigen beeld van de Goede Zaak. Misschien weten we ieder voor zich wel beter wat er aan schort, dan de idealistenkuddes van vroeger.

© Gustaaf Haan
 

Meer weten?
  • Klik hier om de uitzending van het televisieprogramma VPRO’s Boeken&cetera te bekijken, waarin Chris van der Heijden en Evert Nieuwenhuis debatteren over idealisme onder jongeren.
  • Luister ook naar een gesprek over dit onderwerp in het radioprogramma 747 Live tussen presentatrice Mieke Spaans, Hans Eenhoorn (hongerbestrijder voor de VN en oud-topman van Unilever) en Evert Nieuwenhuis.
  • Mei Li Vos, Frans Bieckmann en Evert Nieuwenhuis debatteerden in het radioprogramma 1 Op de Middag over idealisme onder jongeren.
  • Weekblad Vrij Nederland publiceerde op 22 oktober 2005 een kloek achtergrondartikel over idealisme onder jongeren. Klik hier om het te lezen.