Oerol Dagkrant, 21 juni 2006
![]() |
Mathijs Verboom (29): “Jøsenfjord/Lampedusa is een politiek stuk. Ik zeg vaak tegen mensen dat we een genuanceerd beeld geven. Dat proberen we ook, maar als ik mijn eigen teksten terughoor, dan merk ik dat we een behoorlijk politiek statement maken. Mijn voorstelling Jøsenfjord/Lampedusa bestaat uit twee monologen over Afrikaanse bootvluchtelingen die Europa willen bereiken. Je ziet ze op televisie, je leest erover in kranten, maar eigenlijk weten we niets van ze af. Ik raakte geïntrigeerd: waarom vluchten die mensen? Wat maken ze mee? Op een gegeven moment las ik een artikel over de reis van een Senegalese vluchteling, en wist ik dat ik daar een stuk over wilde maken. Zijn reisverslag vormt de basis van de monoloog in mijn voorstelling. De andere monoloog is gebaseerd op een reportage die ik las over Lampedusa, het Italiaanse eiland dat Europa’s beruchtste opvangkamp huisvest. Hier vertelt een kampbewaarder zijn kant van het verhaal, hoe de bootvluchtelingen hem als persoon raken. Met Jøsenfjord/Lampedusa wilde ik beide kanten van het verhaal laten zien.”
Toekomstige elite
Jeroen Kriek (45): “Van de Frisse is het tweede deel van mijn serie The Young Ones die ik maak met een wisselende, jonge, Europese cast. De culturele botsingen in Europa vormen een terugkerend thema. Van de Frisse speelt zich af in het huis van Utrechtse corpsballen, de toekomstige elite van Nederland. De onderlinge verhoudingen komen op scherp te staan als een Duitse en een Belgische student intrekken. Het studentenhuis is een metafoor voor de maatschappij en de discussies die momenteel in Nederland gaande zijn, over integratie, migratie, identiteit, nieuwe politiek, et cetera.”
Mathijs: “Daar heb ik een vraag over. Ik heb Van de Frisse gisteren gezien, en ik vind dat je een behoorlijk rake voorstelling hebt gemaakt. Maar ik vroeg me af: is de manier waarop de corpsballen met de Belg en de Duitser omgaan te vergelijken met de manier waarop Nederlanders met bijvoorbeeld Marokkanen omgaan? Over het algemeen kijken we tegen Belgen en Duitsers anders aan dan tegen bijvoorbeeld Afrikaanse bootvluchtelingen.”
Jeroen: “Wat mij fascineert is dat het in wezen niet zo veel uitmaakt. Iemand uit het publiek zei: ‘Ik werd spijkerhard geconfronteerd met hoe bot we eigenlijk zijn, en hoe onbehouwen we tegen buitenlanders aankijken.’ Dat beschouw ik als een compliment. Kijk, al dat geouwehoer over tolerantie is echt een gepasseerd station. Met Van de Frisse heb ik het juist heel dicht bij huis willen halen, dat maakt het spannend. Als het over Marokkanen zou gaan, zouden we een open deur intrappen. Tegelijkertijd appelleert het sterk aan het politieke klimaat in Nederland. Sommige teksten van de corpsballen kun je zo optekenen uit de mond van een Nederlandse politicus. Het zijn lege, holle woorden. Onbehouwen dronkenmanspraat. Maar de harde werkelijkheid is dat het in Nederland geen vooroordelen meer zijn. Het is gemeengoed geworden. Je wint er kiezers mee. Vijf jaar geleden hadden wij met dit stuk waarschijnlijk een relletje veroorzaakt. Dan waren die corpsballen meteen in de rechts-extremistische hoek geplaatst. Nu kijkt niemand op. Dat zegt iets over Nederland, hoe we op drift zijn, hoe we tolerantie en nuance verliezen.”
Mathijs: “Een behoorlijk politiek stuk dus. Eigenlijk net als alle andere stukken van Growing Up in Public.”
Noodzaak
Jeroen: “Ik ben er niet zo mee bezig of mijn stukken politiek zijn of niet, ik maak ze omdat ik ze wìl maken. Wij proberen heel direct te reageren op de actualiteit – daar ligt de noodzaak van onze stukken. Dat maakt veel van ons werk politiek van aard, dat klopt. Grappig eigenlijk. In de jaren zeventig en tachtig was het een must om maatschappelijk geëngageerd te zijn. Daarna, in de jaren negentig, was het een beetje belegen en ranzig om politieke stukken te maken. Maar nu komt de behoefte aan maatschappelijk geëngageerd theater terug.”
Mathijs: “Dat ervaar ik precies zo. Het is niet zo dat ik denk: dit is actueel, dus daar ga ik het over hebben. Het moet me aan het hart gaan. Maar in de jaren negentig, tja, toen viel er niet zo veel te reageren. Nu moet je gewoon. Het jaar 2001 was het omslagpunt: Fortuyn, 11 september, later de moord op Van Gogh, enfin, je kent het rijtje. Ik merk aan theatermakers van mijn generatie dat we ons meer met de maatschappij en de politiek zijn gaan bemoeien. Dat is echt een omslag. Maar het is moeilijk te zeggen of dat door 2001 komt of door mijn eigen volwassenwording. Ik vond het op de theaterschool heel moeilijk erachter te komen hoe ik me verhoud tot de maatschappij en de politiek. Het gaat me nu ook makkelijker af. Als theatermaker ben ik rijper, maar de tijd is er ook rijp voor. Hoe kom jij eigenlijk aan je onderwerpen?”
Jeroen: “Jezus... Het is een soort intuïtie. Het klinkt bijna mythisch, maar wij hebben een neus voor wat er gaat gebeuren. Een week voor de vliegtuigen het World Trade Center invlogen, brachten wij ons stuk Aladin en de Ayatollah op de planken. In dat stuk worden nogal stevige uitspraken over de islam gedaan. Het stuk is goed ontvangen en er werd keurig over geschreven. Maar je merkte dat mensen er nog niet mee uit de voeten konden. Het was te vroeg. Maar zoals je zegt, de tijd is nu rijp voor dit soort stukken. Ook als maker heb je tijd nodig om een antwoord te formuleren. Je moet je in no-time verhouden tot een razendsnel veranderende maatschappij. Dat is een ingewikkelde zoektocht.”
Geschokt
Mathijs: “Ik merk wel dat het Oerol-publiek moet wennen aan mijn stuk. Ze komen naar de voorstelling met een warm Oerol-gevoel, het zonnetje schijnt... en boem! Dan krijgen ze zo’n heftig en confronterend stuk als Jøsenfjord/Lampedusa. Dat verwachten ze niet. Niet iedereen is ervan gediend, dat merk je. Hoe zit dat bij jou? Jouw publiek zal soms ook geschokt zijn.”
Jeroen: “Oh zeker. Het is een onbehouwen stuk. De wat meer, uhm, hoe zeg je dat, de wat meer voorzichtige mensen schrikken daarvan. Maar Oerol is geen Parade. Oerol-bezoekers kunnen heel wat hebben.”
Mathijs: “Klopt. En wat leuk is: je krijgt veel reacties van het publiek. Na afloop lopen ze op je af en willen ze met je in discussie. Heren, nu moet ik echt reageren op de regen. We spelen over een half uur, en met deze regen verdrink je zelfs op het strand.”
















