Interview: Anna Politkovskaja
Bloedig demasqué
Evert Nieuwenhuis
De Groene Amsterdammer, 2 maart 2002
De Groene Amsterdammer, 2 maart 2002
De Russische journaliste Anna Politkovskaja wordt regelmatig met de dood bedreigd wegens haar reportages over Tsjetsjenië. Onlangs opende ze in Nederland een fototentoonstelling over de vergeten oorlog.
Even zag het ernaar uit dat Politkovskaja toch niet naar Nederland zou komen. Ze werd vermist. In de zuidelijke bergen van Tsjestjenië deed Politkovskaja onderzoek naar de beschieting van een minibusje waarbij alle inzittenden omkwamen, inclusief een zwangere vrouw en de directeur van de lokale school. Achtentwintig kinderen werden wees. De FSB, de opvolger van de KGB, ontdekte Politkovskaja’s missie en toen werd het haar te heet onder de voeten. “Ik ben in Tsjestjenie vaak bedreigd, door zowel leger als rebellen”, zegt Politkovsksja, “maar hier had ik een bijzonder slecht gevoel over. Volgens het leger reed het busje op een landmijn, maar getuigen zeiden dat het federale leger de bus beschoot. Opmerkelijk was dat niemand van de lokale autoriteiten moeite nam de moordpartij te verdoezelen. Toen vervolgens de FSB achter me aankwam, wist ik dat ze iets anders bedacht hadden om de waarheid voor de wereld verborgen te houden. Ik verbrak elk contact met mijn redactie en vluchtte naar buurrepubliek Ignoetsjetië.” Dit was Politovskaja’s eerste reis naar Tsjetsjenië sinds ze oktober vorig jaar haar woonplaats Moskou ontvluchtte en in Wenen ging wonen. Ze ontving toen te veel te concrete bedreigingen vanuit militaire kringen, en haar hoofdredacteur raadde haar aan Rusland te verlaten. Ook haar kinderen kregen dreigtelefoontjes. Er gebeurde nog meer vorig jaar. In februari werd Politkovskaja in Tsjetsjenië gearresteerd en door het leger vastgehouden in zogeheten ‘filtratiekampen’, waar op brute wijze ‘rebellen’ van ‘burgers’ worden onderscheiden. De ‘burgers’ leven verder met hun littekens, de ‘rebellen’ meestal niet. Polikovskaja werd naar eigen zeggen bijna net zo wreed behandeld als de andere gevangenen. “Het is tijd om te betalen voor al die leugenachtige artikelen van je”, zeiden de officieren en een schijnexecutie volgde. “Sindsdien weet ik uit eigen ervaring dat de gruwelijke verhalen over die filtratiekampen waar zijn”, zegt Politkovskaja.
Een tengere vrouw van middelbare leeftijd. Grijs haar, verfijnde gelaatstrekken met de handen van een pianospeler. Geen moment tijdens ons gesprek lijkt ze op haar gemak of ontspannen. Ze geeft het ook ruiterlijk toe: al die interviews, ze is het meer dan beu. Maar dit is haar eerste bezoek aan Nederland en “ook hier moet de stem van de slachtoffers gehoord worden. Hoewel ik soms denk dat de internationale media mij interessanter vinden dan de Tsjetsjeense oorlog.”
Anna Politkovskaja opende vorige week in het Verzetsmuseum de tentoonstelling Kavkaz, foto’s uit Tsjetsjnie 1868-2002. Vorig jaar verscheen A Dirty War: A Russian Reporter in Chechnya, een bundeling van haar Tsjetsjeense reportages die ze schreef tussen juli 1999 en januari 2001. Het boek maakte internationale furore. The Guardian noemde Politkovskaja “Ruslands verloren geweten”.
A Dirty War ligt zwaar op de maag. Gedetailleerd beschrijft Politkovskaja de verschrikkingen van de tweede Tjsetjseense oorlog. Hoe het het lichaam van een zeventienjarig meisje dat bij een militair observatiepost gevonden werd, waarbij alleen de onderbroek op haar enkels niet verbrand was. Hoe een pas gerekruteerde puber na twee weken trainingskamp door zijn mede rebellen elf maanden lang wordt ontvoerd en gemarteld, met als doel zijn rijke moeder met medewerking van de lokale politie af te persen. Hoe het Russische leger uit geldnood wapens en munitie verkoopt aan de rebellen. Hoe een voormalige staatsfabriek zonder gêne verrot vlees inblikt en naar het front stuurt. Hoe officieren die hun soldaten dronken voeren en hen enkele uren later naar het front rijden, om zo de vrijwilligheidsclausule voor risicogebieden te omzeilen. Hoe de Tsjetsjeense mannen die elke dag bij de talloze checkpoints verdwijnen. Hoe de inwoners van Grozny mijnen in elkaars huizen plaatsen, zodat zij de huizen van hun opgeblazen buren kunnen opeisen. Politkovskaja wil weten hoe, waarom en door wie de verschrikkingen gebeurden. A Dirty War laat zien: Grozny is ons Guernica.
Politkovskaja is nagenoeg de enige journalist die nog in Tsjetsjenië rondreist. “Buitenlandse journalisten vinden het te gevaarlijk en klagen over gebrek aan belangstelling van hun redacties. De Russische pers is al lang gecapituleerd in Poetins oorlog tegen de persvrijheid. Mijn krant, Novaya Gazeta, is de enige oppositiekrant. De hoofdredactie krijgt regelmatig bedreigingen: ‘Wat met K6 (Ruslands laatste onafhankelijke televisiezender die onlangs gesloten werd, en) gebeurde, kan ook met jullie gebeuren’. We denken dat we het nog een half jaar kunnen volhouden voordat ook voor Novaya Gazeta het doek valt.”
In Tsjetsjenië verslechtert de situatie met de week, zegt Politkovskaja. “De wette- en bandeloosheid is nog sterker dan in de eerste Tsjetsjeense oorlog (‘94-’96, en). Het is bijna onmogelijk om als journalist onafhankelijk te werken. Er wordt een ware jacht op je geopend. Zo worden de ontvoeringen tegenwoordig niet alleen door de rebellen uitgevoerd, maar vooral door het leger. De officieren en soldaten zijn zwaar onderbetaald en willen geld verdienen, en het is een manier om pottenkijkers buiten de deur te houden.”
De oorlog in Tsjetsjenië is een dolgedraaide carrousel van doel en middelen, wraak en wederwraak, chaos en anarchie. Hoe harder het leger optreedt, hoe meer strijders er opstaan. Soldaten krijgen extra vergoeding als ze in risicogebieden vechten, dus schieten ze in rustige regio’s op alles wat los en vast zit in de hoop dat rebellen terugschieten. Officieren mishandelen soldaten, die vervolgens bij de checkpoints weer hun gram halen. Wie is gebaat bij deze hel op aarde? Waarom blijft de oorlog doorgaan? Politkovskaja: “De oorlog is uit de hand gelopen en nu zijn er krachten ontketend die zich moeilijk laten beteugelen. Tsjetsjenië is als een taart met vele lagen, en elke laag heeft weer een eigen belang in het voortzetten van de oorlog. Er zijn de generaals die hun ontakelende leger een functie willen geven, er zijn officieren die weten dat thuis geen werk voor ze is en uit Tsjetsjenië zo veel mogelijk geld willen slaan. Ook de rebellen hebben hun belangen. Sommigen vechten voor een onafhankelijk of islamitisch Tsjetsjenië, anderen uit wraak, weer anderen voor macht en dollars.” Er zijn ook gezamenlijke belangen. Het is onthutsend om te lezen hoe leger en rebellen indirect en zelfs direct samenwerken in het verdelen van de oorlogsbuit: olie.
En dan is er nog president Poetin. Politkovskaja: “De oorlog zal net zo cynisch eindigen als die begonnen is. Jeltsin wilde zijn opvolger Poetin als sterke man profileren en gaf hem daarom de tweede Tsjetjeense oorlog. In 2004 zijn er weer presidentsverkiezingen. Poetin heeft de afgelopen jaren weinig klaargespeeld en de oorlog is zijn troef. Oorlog vereist immers een sterke man. Poetin houdt de oorlog aan omdat hij zijn generaals niet in de hand heeft en omdat hij in verkiezingstijd militaire successen breed uit te meten. Alle vechtende partijen hebben een ding gemeen: ze geven niets om de burgers.”
Een regelmatig terugkerende vraag in A Dirty War: ‘Waar is de staat?’ Of het nu gaat om de uitpuilende vluchtelingenkampen in buurrepubliek Ingoesjetië, het verlaten bejaardentehuis in Grozny (“het is voor de staat makkelijker om de bejaarden te bombarderen dan hen te redden”) of het uitblijven van gerechtelijk onderzoek naar de oorlogsmisdaden, Politkovskaja klaagt voortdurend de staat aan. Is Tsjetsjenië het demasqué van het nieuwe, democratische Rusland? Politkovskaja: “Het is ironisch dat u het zo formuleert, want in Tsjetsjenië behoort een masker tot de standaarduitrusting van de rovende en moordende staatsdienaren. Rusland is al lang geen democratie meer. Rusland legt een stad binnen zijn eigen landsgrenzen in de as omdat het op zoek is naar enkele duizenden ‘terroristen’; honderden kilometers verderop, in de hoofdstad, verdwijnen mensen in de cel alleen omdat er ‘Tsjetsjeens’ in hun identiteitsbewijs staat; in de vluchtelingenkampen worden mensen opzettelijk uitgehongerd.” Politkovskaja houdt van duidelijke taal: “Op de Tsjetsjenen wordt langzaam maar zeker een genocide uitgevoerd. Rusland is een fascistische politiestaat.”
Ook de Russische bevolking verhardt. Politkovskaja: “Ik moet steeds harder schreeuwen om de lezer te bereiken. Tijdens de eerste Tsjetsjeense oorlog was er nog kritiek te horen op het optreden van het leger, nu lijkt iedereen immuun. De reacties die ik krijg via ingezonden brieven zijn ook steeds feller: of ik ben een leugenachtige landsverrader of de mensen vinden dat de Tsjetsjenen hun verdiende loon krijgen. Ook op straat heerst rabiate xenofobie tegenover de Tsjetsjenen. Laatst werd een pension vol Tsjetsjeense acteurs door oorlogsveteranen geterroriseerd. ‘Onze handen jeukten’, zeiden de officieren. Tientallen gewonden waren het gevolg. Bijna niemand in Moskou reageert daar verontwaardigd op.”
Ook het westen laat de Tsjetsjenen barsten. In Bush’ mondiale veldtocht tegen het internationaal terrorisme is geen plaats voor nuances. Bondgenoten zijn bondgenoten en wie aan de kant van Bush staat, zwijgt over Poetins vuile handen. En dus ook Europa. April 2000 werd Rusland vanwege zijn misdragingen tijdens de Tstetsjeense campagnes het stemrecht in de Raad van Europa ontnomen, maar zonder noemenswaardige verbeteringen werd die sanctie binnen een jaar teruggedraaid. Recentelijk deelde de Raad zelfs een pluimpje uit: in de vluchtelingenkampen van buurland Ingoesjetië waren de ronduit erbarmelijke condities (“ernstig”, heette het onbedoeld eufemistisch in de woorden van delegatieleider Tadeusz Iwinksi) ten opzichte van vijftien maanden geleden “enigszins verbeterd”. Niet dat de Russische Federatie nu wel medicijnen, tenten en voedsel verzorgt voor de 170.000 vluchtelingen die dit jaar hun derde winter beleven in verrotte tenten. Onlangs constateerde de mensenrechtencommissaris van dezelfde Raad van Europa in Tsjetsjenië verbetering van de mensenrechtensituatie. Politkovskaja heeft er geen woorden voor: “Als je je door het leger laat rondleiden, zoals de Raad van Europa, kun je niets anders dan Potemkindorpen verwachten. Kom dan gewoon niet naar Tsjetsjenië, want eigenlijk zegt Europa: ga je gang, we geloven alles. Europa heeft zich afgewend van Tsjetsjenië.”
A Dirty War heeft ook zwakke kanten en het lijkt wel of die door de internationale pers en mensenrechtenorganisaties door de mantel der liefde bedekt worden. De lezer raakt immers bevangen door het gruwelijke van het beschrevene en de onmiskenbare moed die Politkovskaja aan de dag legt deze op te tekenen. Politkovskaja is zonder twijfel een heldin, maar geen heilige. Zo schrijft ze geregeld met aplomb over gebeurtenissen die simpelweg niet te verifiëren zijn – problematisch voor iemand die beweert boven alles de waarheid te dienen. Eerder wil Politkovskaja de lezer wakker schrééuwen en in haar kruistocht tegen het onrecht lijkt menige nuance van ondergeschikt belang. Haar felle ‘j’accuse’-toon (“Onze leiders zijn onze soldaten niet waard”) wisselt ze af met schmierende, bijna pathetische zinnen (“Een dappere, oudere vrouw in vuile vodden kruipt met grote moeite op haar ontzaglijke, gezwollen voeten in het stinkende steegje. (...) “Wie bent u?” “Ik ben niemand. (...) Ik gaf les aan de jongste kinderen van de school in Cheshki. Wat heb ik ooit fout gedaan?”) die vooral een demagogisch effectbejag hebben. Af en toe lijkt Politkovskaja zich net als het Kremlin te verliezen in ordinaire propaganda.
Politkovskaja luistert met opgetrokken wenkbrauwen naar de kritiek: “Ik ben inderdaad allesbehalve onpartijdig: ik sta aan de kant van de slachtoffers. Dat kunnen soldaten zijn, Tsjetsjeense strijders en burgers. Ik wil laten zien wat de wereld niet te zien krijgt als het aan Poetin, de generaals of de rebellenleiders ligt. Mijn taak is het verzamelen van informatie en die controleren zo goed als het gaat. Momenteel is dat moeilijker dan ooit. Misschien heeft u problemen met mijn schrijfstijl, die is typisch Russisch en geënt op de negentiende-eeuwse romans. De lezer wordt direct aangesproken en de schrijver wil hem zoveel mogelijk betrekken bij zijn bevindingen en belevenissen. Als ik schrijf dat ik mijn laatste roebels aan iemand geef om medicijnen te kopen, die ik dat niet om te laten zien hoe nobel ik ben, maar om te laten zien hoe erg de situatie is. En soms ga ik verder. Het is slopend om te merken dat al mijn artikelen het eind van deze waanzinnige oorlog niets dichterbij brengt. Soms kies is ik er voor om direct actie te ondernemen, zoals het organiseren van de inzamelingsactie voor de verstoten bejaarden van Grozny. Ik doe dat omdat ik het simpelweg niet kan aanzien dat die mensen langzaam sterven zonder dat iemand naar ze omkijkt.”
Haar strijd heeft haar meer gekost dan ze lief is. Politkovskaja: “Ik voel me slecht. Wat ik de afgelopen jaren heb gezien en meegemaakt heeft me veranderd. Ik merk dat ik niet zo makkelijk in de omgang ben, en ik merk dat ik daar ook niet meer naar streef. Vrienden ontwijken me: ‘daar heb je haar weer met al haar gruwelijke verhalen’.” Ze valt even stil. Tuurt over de gracht. Volgende vraag graag.
Ik leg een citaat voor uit haar boek. Aan het slot van haar interview met generaal Shamanov, de Tsjetsjenië-veteraan die er trots op is ‘de wrede’ genoemd te worden, beschrijft Politkovskaja hoe hij op een uitbundig feest van zijn legeronderdeel als feestvarken op een podium zit. Shamanov was “totaal en onomkeerbaar eenzaam. Het was pijnlijk om naar hem te kijken.” Politkovskaja: “Ja, ook ik ben eenzaam. Ik voel dat ik steeds minder in het gewone leven pas, er staat een grote muur tussen mij en de rest van de wereld. De voortdurende dreiging, ook als ik thuis ben, put me uit. Maar ik heb zelf voor dit werk gekozen – ik kan stoppen wanneer ik wil, de slachtoffers van deze oorlog niet. Maar als ik ook maar één lezer overtuig van het smerige onrecht van deze oorlog, ben ik tevreden.”
Anna Politkovskaya: A Dirty War: A Russian Reporter in Chechnya. Harvill Press, London, 2001.
Een tengere vrouw van middelbare leeftijd. Grijs haar, verfijnde gelaatstrekken met de handen van een pianospeler. Geen moment tijdens ons gesprek lijkt ze op haar gemak of ontspannen. Ze geeft het ook ruiterlijk toe: al die interviews, ze is het meer dan beu. Maar dit is haar eerste bezoek aan Nederland en “ook hier moet de stem van de slachtoffers gehoord worden. Hoewel ik soms denk dat de internationale media mij interessanter vinden dan de Tsjetsjeense oorlog.”
Anna Politkovskaja opende vorige week in het Verzetsmuseum de tentoonstelling Kavkaz, foto’s uit Tsjetsjnie 1868-2002. Vorig jaar verscheen A Dirty War: A Russian Reporter in Chechnya, een bundeling van haar Tsjetsjeense reportages die ze schreef tussen juli 1999 en januari 2001. Het boek maakte internationale furore. The Guardian noemde Politkovskaja “Ruslands verloren geweten”.
A Dirty War ligt zwaar op de maag. Gedetailleerd beschrijft Politkovskaja de verschrikkingen van de tweede Tjsetjseense oorlog. Hoe het het lichaam van een zeventienjarig meisje dat bij een militair observatiepost gevonden werd, waarbij alleen de onderbroek op haar enkels niet verbrand was. Hoe een pas gerekruteerde puber na twee weken trainingskamp door zijn mede rebellen elf maanden lang wordt ontvoerd en gemarteld, met als doel zijn rijke moeder met medewerking van de lokale politie af te persen. Hoe het Russische leger uit geldnood wapens en munitie verkoopt aan de rebellen. Hoe een voormalige staatsfabriek zonder gêne verrot vlees inblikt en naar het front stuurt. Hoe officieren die hun soldaten dronken voeren en hen enkele uren later naar het front rijden, om zo de vrijwilligheidsclausule voor risicogebieden te omzeilen. Hoe de Tsjetsjeense mannen die elke dag bij de talloze checkpoints verdwijnen. Hoe de inwoners van Grozny mijnen in elkaars huizen plaatsen, zodat zij de huizen van hun opgeblazen buren kunnen opeisen. Politkovskaja wil weten hoe, waarom en door wie de verschrikkingen gebeurden. A Dirty War laat zien: Grozny is ons Guernica.
Politkovskaja is nagenoeg de enige journalist die nog in Tsjetsjenië rondreist. “Buitenlandse journalisten vinden het te gevaarlijk en klagen over gebrek aan belangstelling van hun redacties. De Russische pers is al lang gecapituleerd in Poetins oorlog tegen de persvrijheid. Mijn krant, Novaya Gazeta, is de enige oppositiekrant. De hoofdredactie krijgt regelmatig bedreigingen: ‘Wat met K6 (Ruslands laatste onafhankelijke televisiezender die onlangs gesloten werd, en) gebeurde, kan ook met jullie gebeuren’. We denken dat we het nog een half jaar kunnen volhouden voordat ook voor Novaya Gazeta het doek valt.”
In Tsjetsjenië verslechtert de situatie met de week, zegt Politkovskaja. “De wette- en bandeloosheid is nog sterker dan in de eerste Tsjetsjeense oorlog (‘94-’96, en). Het is bijna onmogelijk om als journalist onafhankelijk te werken. Er wordt een ware jacht op je geopend. Zo worden de ontvoeringen tegenwoordig niet alleen door de rebellen uitgevoerd, maar vooral door het leger. De officieren en soldaten zijn zwaar onderbetaald en willen geld verdienen, en het is een manier om pottenkijkers buiten de deur te houden.”
De oorlog in Tsjetsjenië is een dolgedraaide carrousel van doel en middelen, wraak en wederwraak, chaos en anarchie. Hoe harder het leger optreedt, hoe meer strijders er opstaan. Soldaten krijgen extra vergoeding als ze in risicogebieden vechten, dus schieten ze in rustige regio’s op alles wat los en vast zit in de hoop dat rebellen terugschieten. Officieren mishandelen soldaten, die vervolgens bij de checkpoints weer hun gram halen. Wie is gebaat bij deze hel op aarde? Waarom blijft de oorlog doorgaan? Politkovskaja: “De oorlog is uit de hand gelopen en nu zijn er krachten ontketend die zich moeilijk laten beteugelen. Tsjetsjenië is als een taart met vele lagen, en elke laag heeft weer een eigen belang in het voortzetten van de oorlog. Er zijn de generaals die hun ontakelende leger een functie willen geven, er zijn officieren die weten dat thuis geen werk voor ze is en uit Tsjetsjenië zo veel mogelijk geld willen slaan. Ook de rebellen hebben hun belangen. Sommigen vechten voor een onafhankelijk of islamitisch Tsjetsjenië, anderen uit wraak, weer anderen voor macht en dollars.” Er zijn ook gezamenlijke belangen. Het is onthutsend om te lezen hoe leger en rebellen indirect en zelfs direct samenwerken in het verdelen van de oorlogsbuit: olie.
En dan is er nog president Poetin. Politkovskaja: “De oorlog zal net zo cynisch eindigen als die begonnen is. Jeltsin wilde zijn opvolger Poetin als sterke man profileren en gaf hem daarom de tweede Tsjetjeense oorlog. In 2004 zijn er weer presidentsverkiezingen. Poetin heeft de afgelopen jaren weinig klaargespeeld en de oorlog is zijn troef. Oorlog vereist immers een sterke man. Poetin houdt de oorlog aan omdat hij zijn generaals niet in de hand heeft en omdat hij in verkiezingstijd militaire successen breed uit te meten. Alle vechtende partijen hebben een ding gemeen: ze geven niets om de burgers.”
Een regelmatig terugkerende vraag in A Dirty War: ‘Waar is de staat?’ Of het nu gaat om de uitpuilende vluchtelingenkampen in buurrepubliek Ingoesjetië, het verlaten bejaardentehuis in Grozny (“het is voor de staat makkelijker om de bejaarden te bombarderen dan hen te redden”) of het uitblijven van gerechtelijk onderzoek naar de oorlogsmisdaden, Politkovskaja klaagt voortdurend de staat aan. Is Tsjetsjenië het demasqué van het nieuwe, democratische Rusland? Politkovskaja: “Het is ironisch dat u het zo formuleert, want in Tsjetsjenië behoort een masker tot de standaarduitrusting van de rovende en moordende staatsdienaren. Rusland is al lang geen democratie meer. Rusland legt een stad binnen zijn eigen landsgrenzen in de as omdat het op zoek is naar enkele duizenden ‘terroristen’; honderden kilometers verderop, in de hoofdstad, verdwijnen mensen in de cel alleen omdat er ‘Tsjetsjeens’ in hun identiteitsbewijs staat; in de vluchtelingenkampen worden mensen opzettelijk uitgehongerd.” Politkovskaja houdt van duidelijke taal: “Op de Tsjetsjenen wordt langzaam maar zeker een genocide uitgevoerd. Rusland is een fascistische politiestaat.”
Ook de Russische bevolking verhardt. Politkovskaja: “Ik moet steeds harder schreeuwen om de lezer te bereiken. Tijdens de eerste Tsjetsjeense oorlog was er nog kritiek te horen op het optreden van het leger, nu lijkt iedereen immuun. De reacties die ik krijg via ingezonden brieven zijn ook steeds feller: of ik ben een leugenachtige landsverrader of de mensen vinden dat de Tsjetsjenen hun verdiende loon krijgen. Ook op straat heerst rabiate xenofobie tegenover de Tsjetsjenen. Laatst werd een pension vol Tsjetsjeense acteurs door oorlogsveteranen geterroriseerd. ‘Onze handen jeukten’, zeiden de officieren. Tientallen gewonden waren het gevolg. Bijna niemand in Moskou reageert daar verontwaardigd op.”
Ook het westen laat de Tsjetsjenen barsten. In Bush’ mondiale veldtocht tegen het internationaal terrorisme is geen plaats voor nuances. Bondgenoten zijn bondgenoten en wie aan de kant van Bush staat, zwijgt over Poetins vuile handen. En dus ook Europa. April 2000 werd Rusland vanwege zijn misdragingen tijdens de Tstetsjeense campagnes het stemrecht in de Raad van Europa ontnomen, maar zonder noemenswaardige verbeteringen werd die sanctie binnen een jaar teruggedraaid. Recentelijk deelde de Raad zelfs een pluimpje uit: in de vluchtelingenkampen van buurland Ingoesjetië waren de ronduit erbarmelijke condities (“ernstig”, heette het onbedoeld eufemistisch in de woorden van delegatieleider Tadeusz Iwinksi) ten opzichte van vijftien maanden geleden “enigszins verbeterd”. Niet dat de Russische Federatie nu wel medicijnen, tenten en voedsel verzorgt voor de 170.000 vluchtelingen die dit jaar hun derde winter beleven in verrotte tenten. Onlangs constateerde de mensenrechtencommissaris van dezelfde Raad van Europa in Tsjetsjenië verbetering van de mensenrechtensituatie. Politkovskaja heeft er geen woorden voor: “Als je je door het leger laat rondleiden, zoals de Raad van Europa, kun je niets anders dan Potemkindorpen verwachten. Kom dan gewoon niet naar Tsjetsjenië, want eigenlijk zegt Europa: ga je gang, we geloven alles. Europa heeft zich afgewend van Tsjetsjenië.”
A Dirty War heeft ook zwakke kanten en het lijkt wel of die door de internationale pers en mensenrechtenorganisaties door de mantel der liefde bedekt worden. De lezer raakt immers bevangen door het gruwelijke van het beschrevene en de onmiskenbare moed die Politkovskaja aan de dag legt deze op te tekenen. Politkovskaja is zonder twijfel een heldin, maar geen heilige. Zo schrijft ze geregeld met aplomb over gebeurtenissen die simpelweg niet te verifiëren zijn – problematisch voor iemand die beweert boven alles de waarheid te dienen. Eerder wil Politkovskaja de lezer wakker schrééuwen en in haar kruistocht tegen het onrecht lijkt menige nuance van ondergeschikt belang. Haar felle ‘j’accuse’-toon (“Onze leiders zijn onze soldaten niet waard”) wisselt ze af met schmierende, bijna pathetische zinnen (“Een dappere, oudere vrouw in vuile vodden kruipt met grote moeite op haar ontzaglijke, gezwollen voeten in het stinkende steegje. (...) “Wie bent u?” “Ik ben niemand. (...) Ik gaf les aan de jongste kinderen van de school in Cheshki. Wat heb ik ooit fout gedaan?”) die vooral een demagogisch effectbejag hebben. Af en toe lijkt Politkovskaja zich net als het Kremlin te verliezen in ordinaire propaganda.
Politkovskaja luistert met opgetrokken wenkbrauwen naar de kritiek: “Ik ben inderdaad allesbehalve onpartijdig: ik sta aan de kant van de slachtoffers. Dat kunnen soldaten zijn, Tsjetsjeense strijders en burgers. Ik wil laten zien wat de wereld niet te zien krijgt als het aan Poetin, de generaals of de rebellenleiders ligt. Mijn taak is het verzamelen van informatie en die controleren zo goed als het gaat. Momenteel is dat moeilijker dan ooit. Misschien heeft u problemen met mijn schrijfstijl, die is typisch Russisch en geënt op de negentiende-eeuwse romans. De lezer wordt direct aangesproken en de schrijver wil hem zoveel mogelijk betrekken bij zijn bevindingen en belevenissen. Als ik schrijf dat ik mijn laatste roebels aan iemand geef om medicijnen te kopen, die ik dat niet om te laten zien hoe nobel ik ben, maar om te laten zien hoe erg de situatie is. En soms ga ik verder. Het is slopend om te merken dat al mijn artikelen het eind van deze waanzinnige oorlog niets dichterbij brengt. Soms kies is ik er voor om direct actie te ondernemen, zoals het organiseren van de inzamelingsactie voor de verstoten bejaarden van Grozny. Ik doe dat omdat ik het simpelweg niet kan aanzien dat die mensen langzaam sterven zonder dat iemand naar ze omkijkt.”
Haar strijd heeft haar meer gekost dan ze lief is. Politkovskaja: “Ik voel me slecht. Wat ik de afgelopen jaren heb gezien en meegemaakt heeft me veranderd. Ik merk dat ik niet zo makkelijk in de omgang ben, en ik merk dat ik daar ook niet meer naar streef. Vrienden ontwijken me: ‘daar heb je haar weer met al haar gruwelijke verhalen’.” Ze valt even stil. Tuurt over de gracht. Volgende vraag graag.
Ik leg een citaat voor uit haar boek. Aan het slot van haar interview met generaal Shamanov, de Tsjetsjenië-veteraan die er trots op is ‘de wrede’ genoemd te worden, beschrijft Politkovskaja hoe hij op een uitbundig feest van zijn legeronderdeel als feestvarken op een podium zit. Shamanov was “totaal en onomkeerbaar eenzaam. Het was pijnlijk om naar hem te kijken.” Politkovskaja: “Ja, ook ik ben eenzaam. Ik voel dat ik steeds minder in het gewone leven pas, er staat een grote muur tussen mij en de rest van de wereld. De voortdurende dreiging, ook als ik thuis ben, put me uit. Maar ik heb zelf voor dit werk gekozen – ik kan stoppen wanneer ik wil, de slachtoffers van deze oorlog niet. Maar als ik ook maar één lezer overtuig van het smerige onrecht van deze oorlog, ben ik tevreden.”
Anna Politkovskaya: A Dirty War: A Russian Reporter in Chechnya. Harvill Press, London, 2001.
© Evert Nieuwenhuis / www.evertnieuwenhuis.nl















