Interview: Jaap Smit, dominee en ethisch consultant
Ziel en zakelijkheid
Evert Nieuwenhuis
*Carp, 20 september 2001
*Carp, 20 september 2001
Jaap Smit (44), consultant en dominee, smacht naar een nieuwe ideologie. Hij wil het bedrijfsleven ‘een nieuwe balans tussen winst en geweten’ helpen vinden. Ook de consument moet zich bezinnen. “Jij bent ook een exponent van de geestelijke armoede van deze tijd!”
Jaap Smit zoekt een werkkamer. In het gerenommeerde consultancykantoor Andersson Elffers Felix hebben alleen de secretaresses een eigen werkplek, de overige werknemers zwerven door het gebouw op zoek naar een computer of een bespreekkamer. “Modern hé’, zegt Smit glimlachend, “flexibele werkplekken, dat is het helemaal tegenwoordig. Ik moet er alleen nog aan wennen dat ik aan het eind van een dag al mijn spullen in een kast moet proppen, omdat je de bureaus leeg moet achterlaten voor een volgende.” Na wat omzwervingen komen we terecht in een lege vergaderzaal. De vermaarde architecte Francine Houben heeft haar signatuur achtergelaten: sober, helder en vooral ruimtelijk. Onze stemmen weergalmen door de ruimte. Alsof we in een lege kerk zitten.
Waarom heeft u uw parochie verlaten?
Vanaf mijn eerste dag als predikant wist ik dat ooit iets anders zou gaan doen. Het is een prachtig vak, maar de wereld is groter dan mijn gemeente, zoals hervormden een parochie noemen. Ik wil de wind door m’n haren voelen waaien. Een kerk is mij te nauw, te eng, te beperkt. Ik wil in de grote boze buitenwereld staan.
U wilt niet preken voor eigen parochie of, zo uw wilt, gemeente.
Precies. Ik wil het gesprek met de tijdsgeest aangaan. Wat speelt er nou, wat zijn de dilemma’s van deze tijd? Ik wil weten wat er op straat speelt.
Op straat? U vertoeft nu in directiekamers.
Maar daar waait toch ook de tijdsgeest? Het behoeft weinig uitleg dat het bedrijfsleven een belangrijk en invloedrijk segment van onze samenleving is. Begrijp me goed: ik ben geen dominee die nu vermomd als consultant de wereld wil bekeren. Ik heb een ander vak gekozen, maar ik draag nog altijd dezelfde verhalen met me mee. Number crunchy opdrachten zijn niet mijn sterkste kant, maar opdrachten waar het gaat om normen en waarden, de sfeer in een bedrijf of overheidsorganisatie, vragen als ‘waar doe je het voor’ en ‘ben ik wel verantwoord bezig’. Kortom: daar waar ik empathie en betrokkenheid moet tonen, daar waar mensen iets willen horen wat ze normaal gesproken niet horen.
Wat is ‘het verhaal’ dat u ‘meedraagt’?
Heel simpel: normen en waarden waar ik voor sta. Duurzaamheid bijvoorbeeld. Hoe zorgen wij ervoor dat de wereld overmorgen ook leefbaar is? Denk aan het christelijke begrip rentmeesterschap: de aarde is niet van ons, we hebben haar gekregen om te bewerken en om er plezier op te beleven, maar we moeten haar weer overdragen aan de volgende rentmeesters. Waarden als: je leeft niet alleen voor jezelf, maar ook voor mensen die jouw hulp nodig hebben, vlakbij maar ook buiten je blikveld. Een klant zei eens tegen me: “Jaap, wie heeft jou geleerd dat de wereld rechtvaardig is?” Ik zei: “Niemand, en de wereld is ook niet rechtvaardig. Maar je hebt een opdracht om met je eigen kwaliteiten en mogelijkheden de wereld beter en vooral rechtvaardiger te maken.”
Is dat zo’n bijzonder verhaal?
Weet ik niet, maakt me ook niet uit. Ik wil mijn nek ervoor uitsteken. Het gaat uiteindelijk hierom: kun je aan het eind van je werkdag aan je kinderen uitleggen dat je goed bezig bent?
En de bijbel?
Ik doe mijn werk absoluut niet met de bijbel in mijn hand. Maar het komt voor dat ik in een gesprek met klanten de bijbel aanhaal. De bijbel bevat oerverhalen die mensen blijven aanspreken. Er worden momenteel boeken vol geschreven over veranderingsprocessen binnen bedrijven. Ik zeg: het beste boek over verandering is Exodus, het boek over de zwerftocht van het volk Israël door de woestijn, op zoek naar het beloofde land. Het tobben in de woestijn, de keuzes maken, het verlies gaandeweg, denken dat je er eindelijk bent en hup! het gesodemieter begint toch weer van voren af aan.
Het bedrijf als het volks Israels, dwalend in de woestijn?
Ja. Het is vergelijkbaar. Want hoe gaan die dingen: iemand krijgt een visioen, een brainwave, leest iets in de krant, noem maar op, en dat is dan de start van een veranderingsproces. Een leidinggevende beseft zich dat de situatie waarin een bedrijf verkeerd prima is, maar niet optimaal. Er moet verder getrokken worden, naar vruchtbaarder gronden. De dingen moeten anders, mensen moeten overtuigd worden van een droom, een toekomstbeeld. Allemaal vergelijkbaar met het boek Exodus. Het interessante is dat veel mensen in het bedrijfsleven zich hierdoor aangesproken voelen. In deze tijd zijn mensen vatbaar voor verhalen waar fundamentele normen en waarden centraal staan. De bomen groeien de hemel in, maar betekent dat ook dat we goed bezig zijn?
Krijgt u wel eens naar het hoofd geslingerd dat uw manier van werken een leuk trucje is, een gimmick?
Nog nooit gehoord. Maar ik kan me best voorstellen dat mensen dat denken. Veel van mijn klanten weten dat ik theoloog ben, maar ik wil er niet meer koketteren. Ik meen wat ik zeg. Een goede klant van me, die ik al jaren ken, zei een tijdje geleden tegen me: “Jaap, je bent net als al die andere consultants geworden. Jij hebt je achtergrond verwaarloosd.” Dat kwam hard aan. Dit speelde mee in mijn overwegingen om als leidinggevende van de afdeling Ethics & Integrity Consulting van KPMG over te stappen naar het kleinere AEF. Ik krijg hier meer ruimte voor mijn gedachtegoed.
Wat doet u om weer terug te komen bij uw ‘eigen verhaal’?
Ik preek regelmatig — een á twee keer per maand — als gastpredikant. In de voorbereiding vraag ik aan mezelf: “Smit, waar gaat het in het leven nou om?” Ik behandel dan de bijbelteksten die verhalen over de problemen en dilemma’s waar ik mee worstel. In preek tegen mezelf.
U zei: ik wil in discussie gaan over de vragen van deze tijd. Welke vragen hoort u in de directiekamers?
Een concreet voorbeeld dat nu op mijn bord ligt. De directie van een groot, Nederlands beursgenoteerd bedrijf dat een sterke focus heeft op shareholders value, merkt dat in het bedrijf allerlei vragen spelen waar ze zelf niet direct antwoord op heeft. Ze huren mij in om daar inzicht in te krijgen, en ze te helpen met het zoeken naar antwoorden. Hun probleem legt de paradox van deze tijd bloot. Ondernemingen worden gedwongen een keiharde concurrentiestrijd te voeren, maar tegelijkertijd speelt de discussie over duurzaamheid en kwaliteit van leven steeds meer een rol. Ondernemingen zijn zich bewust van het feit dat hun reputatie in het geding is wanneer ze nietsontziend hun spel spelen. Het gaat niet alleen om de vraag hoeveel geld er verdient wordt, maar steeds meer ook over de vraag hoe het verdiend wordt. Directies en werknemers worstelen met dergelijke dilemma’s.
Het zogeheten maatschappelijk verantwoord ondernemen. Er zou een waar ethisch reveil in het bedrijfsleven gaande zijn. Ik geloof er niets van. Bedrijven hebben per definitie andere belangen dan de wereld verbeteren. Als de consument er niet meer om vraagt, is het business as usual.
Je mag van bedrijven niet verwachten dat ze de wereld verbeteren, daar zijn anderen voor. Bedrijven zijn er om winstgevende groei te genereren, dat is hun primaire verantwoordelijkheid, want anders bestaan ze niet meer. Maar het soort vragen dat ik noemde wordt gelukkig steeds vaker gesteld. Mijn missie is om het gesprek aan te gaan over die dilemma’s, en waar mogelijk laat ik naar mijn idee belangrijke normen en waarden zien in de hoop dat ze dat oppikken.
Dat is toch veel te soft. Sweatshops — fabrieken in lage-lonenlanden met zeer slechte werkomstandigheden — bestaan nog steeds. Mijn missie zou zijn om in de directiekamers te zeggen: “Heren, het is heel simpel: je laat geen mensen voor jouw woekerwinsten werken in omstandigheden die je je eigen kinderen niet aan zou doen.”
Dan zou je die directiekamer snel weer uit zijn. Ze zullen zeggen: “Wat zou het heerlijk zijn als de wereld zo simpel in elkaar zat. Maar wij hebben jou ingehuurd om ons te helpen om op een goede manier om te gaan met deze wereld.” Moraalridder schoppen het niet ver. Je kunt geen zaken doen zonder vuile handen te maken, en als je geen vuile handen wilt, kun je je beter in een klooster terugtrekken en verandert er ook niets. De grote vraag is: hoe vuil mogen ze worden?
Naomi Klein geeft in haar boek No Logo een — in mijn ogen — doorslaggevend argument. Bedrijven stellen allerlei prachtige richtlijnen op terwijl ze voor hen en de rest van de wereld al lang en breed bestaan: het Handvest voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties. Mensen hebben bijvoorbeeld het recht om zich te organiseren en als er in de sweatshops vakbonden mogen bestaan en het recht op staking geldt, zijn de koloniale werkomstandigheden zo verleden tijd.
Ik verwacht geen wonderen van die gedragscodes. Maar het is een proces dat nog maar net op gang is. Ik wil niet tegenover ceo’s staan, maar naast ze staan.
Met al die hoogdravende gedragscodes creëren bedrijven een excuus om zich te ontrekken aan bijvoorbeeld het VN-Handvest. ‘Laat het maar aan ons over’, zeggen ze, ‘wij hebben ons eigen handvest’. U helpt daaraan mee.
Onzin. Ik help ze de goede weg op. En bovendien: noem mij een code waar de normen en waarden van het Handvest niet in staan.
En hoe integer zijn die codes? Onlangs liep Vendex — in het bezit van een prachtige gedragscode — tegen de lamp: in minstens twaalf van hun Indiase en Sri Lankaanse toeleveranciers voor kleding bleken de werkcondities schrikbarend onder de maat. Het veel geprezen Shell probeert het nu netjes te doen in Nigeria, maar bevoorraadt ondertussen als monopolist de Soedanese luchtmacht die verantwoordelijk is voor vreselijke mensenrechtenschendingen. Kleine clubjes als Pax Christi blijken in staat om dit soort informatie op te duikelen, waarom de multinationals zelf niet?
Als de voornemens van een bedrijf niet integer zijn, ben ik een fel tegenstander. Ik zie die codes niet als zaligmakend. Maar het voordeel is wel dat we het er nu over hebben. Langzaam zie je ook dat de eisen omhoog gaan: niet alleen tell me, maar ook show me. We staan nog maar aan het begin en moeten we dan nu al het kind met het badwater weggooien? Maar ik wil nog even een stapje terug. Het steekt me dat je me impliciet verwijt te heulen met de vijand, dat ik mee help aan het creëren van schone schijn. Het verhaal van de apostel Paulus inspireert mij zeer. Hij bleef niet in zijn eigen kerk preken, maar ging naar de heidense Aeropagus, de plek in Athene waar het gesprek van de dag plaatsvond. Daar spraken de filosofen met elkaar over de fundamentele waarden van hun samenleving, en ze dachten daar heel anders over dan Paulus. Onlangs gaf ik les op INSEAD [een prestigieus opleidingsinstituut voor topmanagers in het Franse Fontainebleau; E.N.], en ‘s ochtends bij het scheren keek ik in de spiegel en dacht: “Zo dominee, nu ben je in het hol van de leeuw. Dit is jouw Aeropagus.” Je kunt sceptisch zijn over gedragscodes voor bedrijven, maar het is ook een middel om in discussie te gaan. Laatst hoorde ik een topman uit het Nederlands bedrijfsleven op een congres zeggen: “De enige vijand van de vrije markt is een nieuwe ideologie”. Dat vond hij heel bedreigend, dat moest voorkomen worden want de vrije markt gaat boven alles. Ik smacht naar een nieuwe ideologie. Het woord dat als geen ander bij deze tijd past is ‘grenzeloos’, en dat is eng. De wereld is zowel letterlijk als figuurlijk grenzeloos, van internet en open markten tot de moraal dat de hoogste winst alle middelen heiligt. We hebben een nieuwe ideologie nodig, die de bakens van onze handel en wandel uitzet.
Vorige week heb ik prachtige nieuwe All Stars gekocht. ‘Made in Indonesia’ staat er op het labeltje en dan kun je er donder op zeggen dat ze niet helemaal kosjer zijn. Toch kocht ik ze. Ik heb geen ideologie nodig, maar wetten die ervoor zorgen dat ik deze schoenen niet kan kopen.
Als dat met wetten moet worden voorkomen, stevenen we af op een vreselijke samenleving. Ik ben voor een overheid die paal en perk stelt aan deze al te vrije markt, maar alsjeblieft: laten we niet vluchten in het maken van allerlei wetten. Ik wil dat mensen zelf veranderen, zelf hun normen waarden ontwikkelen.
En naleven. Je mag je hond niet slaan maar wel koffie kopen van bedrijven die er een misdadig systeem van uitbuiting op na houden. We accepteren toch ook dwang van de overheid als het gaat om het fileprobleem te bestrijden?
Het kan ook veel simpeler: koop die schoenen en koffie niet. Neem me niet kwalijk, maar jij moet ook wat aan je normen en waarden doen als je toch die schoenen koopt! Jij bent ook een exponent van de geestelijke armoede van deze tijd!
Weet u hoe uw schoenen zijn gemaakt?
Nee, eerlijk gezegd niet. Maar hebben we een overheid nodig die ons vertelt welke schoenen we wel en niet mogen kopen? Ik wil daar niet aan toegeven. Ik wil dat mensen zelf bewustzijn ontwikkelen en dat niet opgelegd krijgen door Vadertje Staat. Wetten vullen het morele vacuüm niet. Er is een nieuwe ideologie nodig, een nieuw bewustzijn van wat wel en niet verantwoord is en dat creëren we doordat jij daar artikelen over schrijft, jouw lezers elkaar aanspreken als ze foute schoenen dragen en doordat ik met het bedrijfsleven in discussie ga.
Wat bent u: dominee, koopman of hofnar?
Ik ben consultant. Maar soms denk ik: ik ben meer dominee dan ooit.
Waarom heeft u uw parochie verlaten?
Vanaf mijn eerste dag als predikant wist ik dat ooit iets anders zou gaan doen. Het is een prachtig vak, maar de wereld is groter dan mijn gemeente, zoals hervormden een parochie noemen. Ik wil de wind door m’n haren voelen waaien. Een kerk is mij te nauw, te eng, te beperkt. Ik wil in de grote boze buitenwereld staan.
U wilt niet preken voor eigen parochie of, zo uw wilt, gemeente.
Precies. Ik wil het gesprek met de tijdsgeest aangaan. Wat speelt er nou, wat zijn de dilemma’s van deze tijd? Ik wil weten wat er op straat speelt.
Op straat? U vertoeft nu in directiekamers.
Maar daar waait toch ook de tijdsgeest? Het behoeft weinig uitleg dat het bedrijfsleven een belangrijk en invloedrijk segment van onze samenleving is. Begrijp me goed: ik ben geen dominee die nu vermomd als consultant de wereld wil bekeren. Ik heb een ander vak gekozen, maar ik draag nog altijd dezelfde verhalen met me mee. Number crunchy opdrachten zijn niet mijn sterkste kant, maar opdrachten waar het gaat om normen en waarden, de sfeer in een bedrijf of overheidsorganisatie, vragen als ‘waar doe je het voor’ en ‘ben ik wel verantwoord bezig’. Kortom: daar waar ik empathie en betrokkenheid moet tonen, daar waar mensen iets willen horen wat ze normaal gesproken niet horen.
Wat is ‘het verhaal’ dat u ‘meedraagt’?
Heel simpel: normen en waarden waar ik voor sta. Duurzaamheid bijvoorbeeld. Hoe zorgen wij ervoor dat de wereld overmorgen ook leefbaar is? Denk aan het christelijke begrip rentmeesterschap: de aarde is niet van ons, we hebben haar gekregen om te bewerken en om er plezier op te beleven, maar we moeten haar weer overdragen aan de volgende rentmeesters. Waarden als: je leeft niet alleen voor jezelf, maar ook voor mensen die jouw hulp nodig hebben, vlakbij maar ook buiten je blikveld. Een klant zei eens tegen me: “Jaap, wie heeft jou geleerd dat de wereld rechtvaardig is?” Ik zei: “Niemand, en de wereld is ook niet rechtvaardig. Maar je hebt een opdracht om met je eigen kwaliteiten en mogelijkheden de wereld beter en vooral rechtvaardiger te maken.”
Is dat zo’n bijzonder verhaal?
Weet ik niet, maakt me ook niet uit. Ik wil mijn nek ervoor uitsteken. Het gaat uiteindelijk hierom: kun je aan het eind van je werkdag aan je kinderen uitleggen dat je goed bezig bent?
En de bijbel?
Ik doe mijn werk absoluut niet met de bijbel in mijn hand. Maar het komt voor dat ik in een gesprek met klanten de bijbel aanhaal. De bijbel bevat oerverhalen die mensen blijven aanspreken. Er worden momenteel boeken vol geschreven over veranderingsprocessen binnen bedrijven. Ik zeg: het beste boek over verandering is Exodus, het boek over de zwerftocht van het volk Israël door de woestijn, op zoek naar het beloofde land. Het tobben in de woestijn, de keuzes maken, het verlies gaandeweg, denken dat je er eindelijk bent en hup! het gesodemieter begint toch weer van voren af aan.
Het bedrijf als het volks Israels, dwalend in de woestijn?
Ja. Het is vergelijkbaar. Want hoe gaan die dingen: iemand krijgt een visioen, een brainwave, leest iets in de krant, noem maar op, en dat is dan de start van een veranderingsproces. Een leidinggevende beseft zich dat de situatie waarin een bedrijf verkeerd prima is, maar niet optimaal. Er moet verder getrokken worden, naar vruchtbaarder gronden. De dingen moeten anders, mensen moeten overtuigd worden van een droom, een toekomstbeeld. Allemaal vergelijkbaar met het boek Exodus. Het interessante is dat veel mensen in het bedrijfsleven zich hierdoor aangesproken voelen. In deze tijd zijn mensen vatbaar voor verhalen waar fundamentele normen en waarden centraal staan. De bomen groeien de hemel in, maar betekent dat ook dat we goed bezig zijn?
Krijgt u wel eens naar het hoofd geslingerd dat uw manier van werken een leuk trucje is, een gimmick?
Nog nooit gehoord. Maar ik kan me best voorstellen dat mensen dat denken. Veel van mijn klanten weten dat ik theoloog ben, maar ik wil er niet meer koketteren. Ik meen wat ik zeg. Een goede klant van me, die ik al jaren ken, zei een tijdje geleden tegen me: “Jaap, je bent net als al die andere consultants geworden. Jij hebt je achtergrond verwaarloosd.” Dat kwam hard aan. Dit speelde mee in mijn overwegingen om als leidinggevende van de afdeling Ethics & Integrity Consulting van KPMG over te stappen naar het kleinere AEF. Ik krijg hier meer ruimte voor mijn gedachtegoed.
Wat doet u om weer terug te komen bij uw ‘eigen verhaal’?
Ik preek regelmatig — een á twee keer per maand — als gastpredikant. In de voorbereiding vraag ik aan mezelf: “Smit, waar gaat het in het leven nou om?” Ik behandel dan de bijbelteksten die verhalen over de problemen en dilemma’s waar ik mee worstel. In preek tegen mezelf.
U zei: ik wil in discussie gaan over de vragen van deze tijd. Welke vragen hoort u in de directiekamers?
Een concreet voorbeeld dat nu op mijn bord ligt. De directie van een groot, Nederlands beursgenoteerd bedrijf dat een sterke focus heeft op shareholders value, merkt dat in het bedrijf allerlei vragen spelen waar ze zelf niet direct antwoord op heeft. Ze huren mij in om daar inzicht in te krijgen, en ze te helpen met het zoeken naar antwoorden. Hun probleem legt de paradox van deze tijd bloot. Ondernemingen worden gedwongen een keiharde concurrentiestrijd te voeren, maar tegelijkertijd speelt de discussie over duurzaamheid en kwaliteit van leven steeds meer een rol. Ondernemingen zijn zich bewust van het feit dat hun reputatie in het geding is wanneer ze nietsontziend hun spel spelen. Het gaat niet alleen om de vraag hoeveel geld er verdient wordt, maar steeds meer ook over de vraag hoe het verdiend wordt. Directies en werknemers worstelen met dergelijke dilemma’s.
Het zogeheten maatschappelijk verantwoord ondernemen. Er zou een waar ethisch reveil in het bedrijfsleven gaande zijn. Ik geloof er niets van. Bedrijven hebben per definitie andere belangen dan de wereld verbeteren. Als de consument er niet meer om vraagt, is het business as usual.
Je mag van bedrijven niet verwachten dat ze de wereld verbeteren, daar zijn anderen voor. Bedrijven zijn er om winstgevende groei te genereren, dat is hun primaire verantwoordelijkheid, want anders bestaan ze niet meer. Maar het soort vragen dat ik noemde wordt gelukkig steeds vaker gesteld. Mijn missie is om het gesprek aan te gaan over die dilemma’s, en waar mogelijk laat ik naar mijn idee belangrijke normen en waarden zien in de hoop dat ze dat oppikken.
Dat is toch veel te soft. Sweatshops — fabrieken in lage-lonenlanden met zeer slechte werkomstandigheden — bestaan nog steeds. Mijn missie zou zijn om in de directiekamers te zeggen: “Heren, het is heel simpel: je laat geen mensen voor jouw woekerwinsten werken in omstandigheden die je je eigen kinderen niet aan zou doen.”
Dan zou je die directiekamer snel weer uit zijn. Ze zullen zeggen: “Wat zou het heerlijk zijn als de wereld zo simpel in elkaar zat. Maar wij hebben jou ingehuurd om ons te helpen om op een goede manier om te gaan met deze wereld.” Moraalridder schoppen het niet ver. Je kunt geen zaken doen zonder vuile handen te maken, en als je geen vuile handen wilt, kun je je beter in een klooster terugtrekken en verandert er ook niets. De grote vraag is: hoe vuil mogen ze worden?
Naomi Klein geeft in haar boek No Logo een — in mijn ogen — doorslaggevend argument. Bedrijven stellen allerlei prachtige richtlijnen op terwijl ze voor hen en de rest van de wereld al lang en breed bestaan: het Handvest voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties. Mensen hebben bijvoorbeeld het recht om zich te organiseren en als er in de sweatshops vakbonden mogen bestaan en het recht op staking geldt, zijn de koloniale werkomstandigheden zo verleden tijd.
Ik verwacht geen wonderen van die gedragscodes. Maar het is een proces dat nog maar net op gang is. Ik wil niet tegenover ceo’s staan, maar naast ze staan.
Met al die hoogdravende gedragscodes creëren bedrijven een excuus om zich te ontrekken aan bijvoorbeeld het VN-Handvest. ‘Laat het maar aan ons over’, zeggen ze, ‘wij hebben ons eigen handvest’. U helpt daaraan mee.
Onzin. Ik help ze de goede weg op. En bovendien: noem mij een code waar de normen en waarden van het Handvest niet in staan.
En hoe integer zijn die codes? Onlangs liep Vendex — in het bezit van een prachtige gedragscode — tegen de lamp: in minstens twaalf van hun Indiase en Sri Lankaanse toeleveranciers voor kleding bleken de werkcondities schrikbarend onder de maat. Het veel geprezen Shell probeert het nu netjes te doen in Nigeria, maar bevoorraadt ondertussen als monopolist de Soedanese luchtmacht die verantwoordelijk is voor vreselijke mensenrechtenschendingen. Kleine clubjes als Pax Christi blijken in staat om dit soort informatie op te duikelen, waarom de multinationals zelf niet?
Als de voornemens van een bedrijf niet integer zijn, ben ik een fel tegenstander. Ik zie die codes niet als zaligmakend. Maar het voordeel is wel dat we het er nu over hebben. Langzaam zie je ook dat de eisen omhoog gaan: niet alleen tell me, maar ook show me. We staan nog maar aan het begin en moeten we dan nu al het kind met het badwater weggooien? Maar ik wil nog even een stapje terug. Het steekt me dat je me impliciet verwijt te heulen met de vijand, dat ik mee help aan het creëren van schone schijn. Het verhaal van de apostel Paulus inspireert mij zeer. Hij bleef niet in zijn eigen kerk preken, maar ging naar de heidense Aeropagus, de plek in Athene waar het gesprek van de dag plaatsvond. Daar spraken de filosofen met elkaar over de fundamentele waarden van hun samenleving, en ze dachten daar heel anders over dan Paulus. Onlangs gaf ik les op INSEAD [een prestigieus opleidingsinstituut voor topmanagers in het Franse Fontainebleau; E.N.], en ‘s ochtends bij het scheren keek ik in de spiegel en dacht: “Zo dominee, nu ben je in het hol van de leeuw. Dit is jouw Aeropagus.” Je kunt sceptisch zijn over gedragscodes voor bedrijven, maar het is ook een middel om in discussie te gaan. Laatst hoorde ik een topman uit het Nederlands bedrijfsleven op een congres zeggen: “De enige vijand van de vrije markt is een nieuwe ideologie”. Dat vond hij heel bedreigend, dat moest voorkomen worden want de vrije markt gaat boven alles. Ik smacht naar een nieuwe ideologie. Het woord dat als geen ander bij deze tijd past is ‘grenzeloos’, en dat is eng. De wereld is zowel letterlijk als figuurlijk grenzeloos, van internet en open markten tot de moraal dat de hoogste winst alle middelen heiligt. We hebben een nieuwe ideologie nodig, die de bakens van onze handel en wandel uitzet.
Vorige week heb ik prachtige nieuwe All Stars gekocht. ‘Made in Indonesia’ staat er op het labeltje en dan kun je er donder op zeggen dat ze niet helemaal kosjer zijn. Toch kocht ik ze. Ik heb geen ideologie nodig, maar wetten die ervoor zorgen dat ik deze schoenen niet kan kopen.
Als dat met wetten moet worden voorkomen, stevenen we af op een vreselijke samenleving. Ik ben voor een overheid die paal en perk stelt aan deze al te vrije markt, maar alsjeblieft: laten we niet vluchten in het maken van allerlei wetten. Ik wil dat mensen zelf veranderen, zelf hun normen waarden ontwikkelen.
En naleven. Je mag je hond niet slaan maar wel koffie kopen van bedrijven die er een misdadig systeem van uitbuiting op na houden. We accepteren toch ook dwang van de overheid als het gaat om het fileprobleem te bestrijden?
Het kan ook veel simpeler: koop die schoenen en koffie niet. Neem me niet kwalijk, maar jij moet ook wat aan je normen en waarden doen als je toch die schoenen koopt! Jij bent ook een exponent van de geestelijke armoede van deze tijd!
Weet u hoe uw schoenen zijn gemaakt?
Nee, eerlijk gezegd niet. Maar hebben we een overheid nodig die ons vertelt welke schoenen we wel en niet mogen kopen? Ik wil daar niet aan toegeven. Ik wil dat mensen zelf bewustzijn ontwikkelen en dat niet opgelegd krijgen door Vadertje Staat. Wetten vullen het morele vacuüm niet. Er is een nieuwe ideologie nodig, een nieuw bewustzijn van wat wel en niet verantwoord is en dat creëren we doordat jij daar artikelen over schrijft, jouw lezers elkaar aanspreken als ze foute schoenen dragen en doordat ik met het bedrijfsleven in discussie ga.
Wat bent u: dominee, koopman of hofnar?
Ik ben consultant. Maar soms denk ik: ik ben meer dominee dan ooit.
© Evert Nieuwenhuis / www.evertnieuwenhuis.nl















