Weet wat u eet
Hoe leeft ons vlees?
Evert Nieuwenhuis
Vrij Nederland, 3 april 2010
Op bezoek bij een industriële en een biologische boer. ‘Deze varkens zullen nooit een lente meemaken.’
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting

Ik herinner me het beslissende moment nog goed. In het café om de hoek at ik een broodje ham, zoals zo vaak. Maar na twee happen ging het mis: ineens besefte ik dat ik varkensvlees at. ‘Gatverdamme’, zei ik net iets te hard. ‘Ik eet een mishandeld dier!’ Verbaasd merkte mijn tafelgenoot op dat hij mij nog nooit had betrapt op enige vorm van dierenliefde — en al helemaal niet tijdens het eten. Dat klopt. Maar die dag was er iets veranderd.
‘s Ochtends had ik de laatste bladzijden van Jonathan Safran Foers Dieren eten gelezen, een nietsontziend verslag van zijn reis door de bio-industrie waar bijna al ons vlees vandaan komt. Het boek leest als een horrorverhaal: koeien die levend worden gevild; varkens die met stalen pijpen het abattoir in worden geslagen; kalkoenen die zo ver zijn doorgefokt dat ze door hun poten zakken – om maar enkele milde voorbeelden te noemen. En: zogende varkens die in een kooi worden gehouden die slechts een paar centimeter groter is dan zijzelf, zodat ze niet per ongeluk op hun biggetjes gaan liggen en hen zo doodt. Omdat de economische waarde van een biggetje veel belangrijker is dan het welbevinden van een zeug, kan de jonge moeder wekenlang slechts een paar centimeter naar voren en paar centimeter naar achteren bewegen.
Ik besloot om geen vlees uit de bio-industrie meer te eten. Ik heb geen morele bezwaren tegen het doden van dieren voor mijn gerief, maar dat ontslaat mij niet van de plicht zeker te weten dat ze een dierwaardig leven hebben geleid. Die 450 miljoen Nederlandse kippen, varkens, runderen en ander slachtvee, bestaan omdat wij dat willen, en dus zijn wij verantwoordelijk voor hun welzijn. Ons voedsel een goed leven schenken is het minste, ze mishandelen omdat we dan goedkoper uit zijn in restaurant of supermarkt, is moreel verwerpelijk. Dit zijn mijn nieuwe spijswetten: ik eet alleen dieren die biologisch gehouden zijn en bij twijfel bedank ik vriendelijk. Dat ham met een eko-label bijna twee keer duurder is dan ‘gewoon’ vlees, of dat het niet op de menukaart staat, is geen excuus. Dan eet ik maar minder vlees.
Foer schreef een indrukwekkend boek – verplichte kost voor elke omnivoor – maar hij richt zich alleen op de Amerikaanse bio-industrie. Hoe zit dat in Nederland? En hoeveel diervriendelijker is biologisch vlees?
Vion, de grootste vleesleverancier van Nederland, is bereid mij een ‘regulier bedrijf‘ — jargon voor ‘bio-industrie’ of, iets neutraler geformuleerd, ‘intensieve veehouderij‘ — te laten zien én een biologische veehouder. Ik richt me op varkensvlees omdat dit veruit het meest gegeten vlees is in Nederland. Daarnaast komt de ham in mijn stamcafé waarschijnlijk van een varkenshouder die aan Vion levert.
Hoe weet ik dat mij geen Potemkin-boerderijen worden getoond? Na afloop leg ik mijn bevindingen voor aan deskundigen van uiteenlopend pluimage (variërend van een activist van Wakker Dier tot een onafhankelijk landbouweconoom) en zij bevestigen wat Vion zegt: dit zijn twee doorsnee veehouderijen. Bovendien verdiep ik mij in de wettelijke minimumeisen betreffende dierenwelzijn. Wat ik in de stallen zie, voldoet daar aan. Misschien hebben varkens het op andere boerderijen slechter, maar wat ik te zien krijg is wat de Nederlandse overheid acceptabel vindt.

‘Leuk dat je er bent’, zegt Anton Hilhorst als hij lachend zijn hand uitsteekt. In de keuken van zijn ruime, modern ingerichte huis aan de rand van Soest drinken we koffie. Hilhorst is een reguliere varkensboer. Hij houdt zeshonderd zeugen en tweeduizend biggen, meer dan de gemiddelde fokkerij (‘vermeerderij’ in jargon), maar geen ‘megastal’. Als de biggen tien weken oud zijn, verhuizen ze naar Hilhorsts stallen in Drenthe om vetgemest te worden voor de slacht.
Hilhorst is een vriendelijke, openhartige man die graag over zijn werk praat. ‘Het is een mooi vak. Hard werken, maar lonend, in meerdere opzichten.’ Ook zijn vrouw Dorreth is gek op varkens. ‘Het zijn zulke leuke dieren’, zegt ze. ‘En heel intelligent’, vult Anton aan. ‘Koeien zijn ook leuk, maar aan varkens kun je meer beleven.’
‘We hebben zelfs een varken als huisdier’, zegt Dorreth Hilhorst. ‘Die loopt niet in huis, maar op het erf. Ze heet Sjaantje en is drie jaar oud. Een heerlijk eigenwijs beest, de kinderen zijn gek op ‘r. “Ons vrije varken”, zeggen we wel eens.’

We gaan naar de stallen. Ik merk dat ik een beetje zenuwachtig ben. Welke verschrikkingen krijg ik te zien? Zal het gekrijs oorverdovend zijn? We lopen een lange gang in. Het is er warm. ‘Zo’n twintig graden’, zegt Hilhorst. ‘Dan zijn ze vruchtbaarder. We zorgen ook voor minstens zestien uur licht in de stallen.’ In deze grauwe omgeving moet het voor de varkens altijd lente zijn. De zon zullen ze echter nooit zien: ze blijven altijd binnen.
Aan weerszijde van de gang bevindt zich om de tien meter een deur. Hilhorst trekt er een open. ‘Nou, hier liggen ze dan’, zegt hij.
We zijn in een ruimte van zo’n vijftig vierkante meter met een vrij laag plafond. Een alles overheersende ammoniakgeur, afkomstig van de mest die onder de roosters ligt, slaat direct op de longen. Uit tl-lampen komt wit licht, net als uit de kleine, geblindeerde ramen. De muren zijn opgetrokken van grote, grijze bakstenen. Her en der worden de roosters afgewisseld door betonnen platen. De ruimte wordt in tweeën gedeeld door een looppad, en achter de stalen hekken aan weerszijde daarvan liggen en staan ze: varkens in de bio-industrie.
Dantes hel is deze stal niet. Geen gekrijs, geen vechtpartijen, geen bloed op de muur. Dit is eerder een gevangenis in een naargeestige dictatuur: een grauwe, kale bedompte ruimte waar niets is te doen. Deze varkens kunnen zoveel eten en drinken als ze willen, maar nauwelijks bewegen. En als ze zich verplaatsen, moeten ze bijna altijd eerst een ander dier wegduwen. De verveling lijkt mij het ergste. Zouden de varkens dat ook vinden?
‘Ik heb begrepen dat varkens zo nieuwsgierig zijn’, zeg ik tegen Hilhorst. ‘Maar deze liggen hier maar een beetje.’
‘Ken je het spreekwoord “zo lui als een varken”? Varkens slapen zo’n twintig uur per dag.’ Hilhorst wijst naar een paar gele ballen aan een koord: speelgoed voor de beesten. Varkenshouders zijn wettelijk verplicht het op te hangen tegen de verveling. ‘Maar ik zie ze er bijna nooit mee spelen. Die beesten vervelen zich niet. Ze willen slapen en eten. Meer niet.’
‘Waarom heeft u de staarten van de varkens afgeknipt?’, vraag ik. In de intensieve veehouderij worden de staarten van biggetjes afgeknipt omdat ze anders in elkaars staart bijten. De belangrijkste reden: verveling. Hilhorst: ‘Het is beter voor ze. Slechts een op de tien varkens gaat staartbijten, maar als ze dat doen, krijg je een bloedbad. Varkens worden bijna dol als ze bloed proeven.’
We staan tussen de varkens. De meeste liggen te slapen op de grond, andere eten uit de troggen of lopen naar de voederbakken. Als de varkens langs elkaar schuren, ontstaat er geregeld een opstootje.
‘Ze zijn lekker speels hé?’, zegt Hilhorst. ‘Overigens kennen ze een strikte rangorde, en er ontstaan soms schermutselingen als een “hoger geplaatst” vakken eerst wil eten. Ik kan me voorstellen dat mensen die nog nooit een stal hebben gezien, zoals jij, denken dat ze het niet goed hebben. Maar kijk: daar liggen een paar zeugen met hun buik naar voren. Dat betekent dat ze zich veilig en lekker voelen.’

We bezoeken nog wat stallen en komen dan in de ‘kraamkamer’. Hier zogen de zeugen hun pasgeboren biggen. Drie weken lang staan of liggen ze tussen stalen pijpen zodat ze niet op hun biggen kunnen liggen, precies zoals Foer beschreef. Als ze klaar zijn met zogen, gaan ze naar een andere ruimte waar ze nog eens drie weken in een ‘box’ staan omdat ze anders elkaars gezwollen uiers kunnen beschadigen. Een uur per dag mogen ze dan bij een beer (mannelijk varken) zijn, zodat ze zo snel mogelijk weer geïnsemineerd kunnen worden.
Wat ik tot nu toe gezien heb, lijkt me niet erg comfortabel en op z’n minst onnatuurlijk voor de varkens. Maar deze ‘boxen’ komen me allesbehalve diervriendelijk voor. Ik kan me niet voorstellen dat een levend wezen het prettig vindt om zes weken geen kant op te kunnen. Ik leg m’n gedachten voor aan Hilhorst.
Hilhorst: ‘Zonder die boxen sterven er veel biggetjes, zoals in de biologische varkenshouderij gebeurt omdat de zeugen daar wel vrij kunnen lopen. Hoe diervriendelijk is dat? Kijk, iedereen wil wel in een landhuis wonen, maar toch wonen mensen heel gelukkig op een flatje. Als de beesten zich ongemakkelijk voelen, worden ze minder productief, dus dat houd ik goed in de gaten.’
‘Als u mocht kiezen, zou u dan liever op biologisch wijze varkens houden?’ vraag ik Hilhorst.
‘Nee. Ik leef al veertig jaar tussen varkens. Ik ken ze en ik weet het zeker: deze beesten hebben het niet slecht. Daarnaast ben je als biologische varkenshouder minstens anderhalf uur per dag bezig met het uitmesten van de stallen (biologisch gehouden varkens liggen in tegenstelling tot de intensieve veehouderij op stro dat elke dag verschoond moet worden, E.N.). Dat is voor mij te zwaar.’

Als we terug naar de boerderij lopen, zegt Hilhorst: ‘Kom, ik wil je nog wat laten zien.’ Achter een stal staan veertien plastic bakken zo groot als een flink kinderzwembad voor in de achtertuin. De ene helft is overdekt, de andere is open. In elke bak zitten tientallen biggen.
‘Mooi hè’, zegt Hilhorst. ‘Dit noemen ze biggenbungalows. Ze kunnen naar binnen en naar buiten, net wat ze zelf willen. Het liefst zou ik alle biggen zo houden.’
‘Waarom?’
‘Nou ja, jij bent toch ook graag buiten?’
‘Waarom houdt u niet al uw biggen op deze manier? Is het te duur.’
‘Nee, dat niet. Maar vanaf 2013 mag het niet meer: strengere milieuwetgeving.’

In de keuken van Hilhorst drinken we nog wat koffie. Ik verzamel moed om hem deze vraag te stellen: ‘Nog even over het knippen van staarten. De ingreep zelf vind ik niet zo erg: het knippen van amandelen bij een kind doet ook pijn, maar voorkomt groter leed. De reden waarom het gebeurt vind ik moeilijker te verteren. Als varkens meer ruimte hebben, zoals in de biologische veehouderij, eten ze elkaars staarten niet op. Naar verluidt vervelen ze zich niet en zijn ze minder agressief omdat ze niet zo dicht op elkaar zitten. Hoe dan ook: als het nodig is om staarten te knippen, leven ze kennelijk op een manier die tegen hun natuur in gaat. Stel, je stopt twee herdershonden in een keukenkastje. Je kunt er dan vergif op innemen dat ze elkaar te lijf gaan. Nu kun je al hun tanden verwijderen en zeggen: kijk, zo gaat het best. Maar iedereen voelt aan dat je de dieren geweld aan doet. Ik vraag me af: doet u uw varkens geen geweld aan door ze altijd binnen en in kleine hokken te laten leven?’
Hilhorst luistert aandachtig en denkt even na voor hij antwoord geeft. ‘Je vergelijking klopt niet. Herdershonden in een keukenkastje zijn zielig, maar varkens in een stal niet. Als ik denk dat mijn varkens zouden lijden, zou ik ermee stoppen. Zoals gezegd: iedereen woont het liefst in een landhuis, maar consumenten willen niet betalen voor een landhuis voor varkens. En dus leven ze in mijn stallen zoals ze leven.’
Tijd om te gaan. Voor we de auto instappen ga ik naar de wc. Daar hangt een verjaardagskalender; promotiemateriaal van een varkensvoerbedrijf of iets dergelijks. Er staat een ‘varkensweetje’ op: ‘Voor varkens is een modderbad het toppunt van frisheid’. Ze zijn er gek op, legt het tekstje uit, en een modderbad hoort bij het natuurlijke gedrag van een varken. Precies zoals we op school hebben geleerd. De varkens van Hilhorst zullen er nooit van kunnen genieten.

‘’t Is dun’, zegt Peter van Leeuwen als we elkaar de hand schudden. Hij doelt op het weer: er waait een koude wind en aan de hemel staat een waterig zonnetje. Van Leeuwens boerderij staat tussen lege weilanden, vlakbij het Gelderse Buren. Hij heeft hier zo’n 160 zeugen en vleesvarkens die, als ze straks in de winkel liggen, voorzien zijn van het EKO-keurmerk (zie kader). Zijn bedrijf ziet eruit zoals een stadsmens zich een boerderij voorstelt: een vrijstaand huis omringd door grote stallen, een paar oude schuren met stro en een tractor die met veel lawaai mest opzuigt uit een ondergrondse opslag. En verdomd: als ik mijn auto parkeer, rennen drie varkens luid knorrend naar het hek dat mij van hen scheidt.
Van Leeuwen (44) is een vriendelijke man van weinig woorden. Hij boert al twaalf jaar biologisch. ‘Ik vind dat dieren zoveel mogelijk hun natuurlijke gedrag moeten vertonen’, zegt hij als we in zijn keuken koffie drinken. ‘Ze moeten kunnen scharrelen, nestelen, in stro wroeten en zon en regen voelen. Als je varkens hun hele leven in een stal laat staan, onthoud je ze te veel. Maar ik vind het ook prettiger werken omdat je meer contact met de dieren hebt.’ Zelf eet hij alleen biologisch vlees. ‘Op een feestje wil ik wel een uitzondering maken, maar liever niet.’
De zaken gaan ‘lang niet slecht’, zegt Van Leeuwen. Al jaren groeit de vraag naar biologisch vlees met circa tien procent per jaar, blijkt uit cijfers van De Groene Weg, de grootste opkoper van biologisch vlees en onderdeel van Vion. Maar het marktaandeel is klein: circa zestig boeren brengen jaarlijks zeventig- tot tachtigduizend biologisch gehouden varkens naar het slachthuis, tegen ruim 7500 reguliere varkenshouders die 25 miljoen varkens en biggen produceren. De Groene Weg reguleert de prijs door het aanbod mee te laten groeien met de vraag. Er is zelfs een wachtlijst van varkensboeren die graag biologisch vlees willen leveren, maar per jaar mogen slechts drie à vier van hen de overstap maken.
We gaan de stallen in. Er is veel frisse lucht en zonlicht, omdat de grote schuifdeuren naar het buitengedeelte van de stallen open staan. Het is er een kabaal van jewelste. ‘Deze zeugen zijn net los van hun biggen’, zegt Van Leeuwen. ‘Ze hebben zes weken hun jonkies gevoed en sinds vanochtend staan ze weer alleen. Ze missen hun biggen en hun uiers zitten nog vol melk, daarom maken ze zo’n kabaal. Vanavond is het weer over.’
‘Moeten ze niet in een box?’, vraag ik Van Leeuwen.
‘Nee, hoezo?’
‘Dat doen ze in de intensieve veehouderij, zodat ze elkaars uiers niet kapot wroeten.’
‘Oh, zo’, zegt Van Leeuwen. ‘Nee dat hoeft niet, want ze kunnen gewoon weglopen als ze elkaar pijn doen. Ze kunnen wel in deze boxen staan als ze zich daardoor veiliger voelen, maar ze kunnen er ook weer uit.’
Aan de andere kant van de stal liggen een stuk of twintig dikke varkens tegen elkaar aan te slapen. ‘Dit zijn drachtige zeugen. Die slapen wel twintig uur per dag. Zo lui als een varken hè’, zegt Van Leeuwen. Af en toe loopt een zeug naar buiten, waar groepjes zeugen wroeten in balen kuilgras (halfdroog gras). ‘Kijk, die zeug staat alleen te eten. Vindt ze kennelijk prettiger’, zegt Van Leeuwen glimlachend. Als het weer beter is, kunnen de zeugen ook ‘het zwembad’ in, zoals Van Leeuwen dat noemt: een grote modderpoel met een stuk weide erom heen. ‘Maar nu is het land te nat. Ze wroeten alles kapot. In de lente kan het weer.’
De luxe van het zwembad is alleen voorbehouden aan drachtige zeugen. De vleesvarkens staan in grote hokken met de mogelijkheid naar buiten te gaan. Dit ‘buiten’ is geen weide, maar een begrensd ‘terras’ bestaande uit een rooster en betonnen platen. Al met al hebben deze varkens ruim drie keer keer meer ruimte dan hun soortgenoten in de bio-industrie, maar nog steeds lijkt deze stal mij niet overdreven ruim. Zou Van Leeuwen grotere stallen willen?
‘Dit zijn de normen voor het eko-keurmerk. Grotere hokken zijn duurder, maar leveren niet meer geld op. Varkens staan graag bij elkaar en volgens mij lopen ze elkaar niet in de weg. Het kan altijd groter, maar ik vind het heel behoorlijk zo.’
‘Zou u het liefst alle varkens vrij in de weide laten lopen, zoals de drachtige zeugen? Dat komt het dichtst bij hun natuurlijke gedrag.’
‘Dat is onbetaalbaar!’, lacht Van Leeuwen. Door de maximaal toegestane hoeveelheid mest per vierkante meter, zou ik voor mijn varkens zo’n vijftig hectare grond moeten pachten of kopen. Bovendien ben ik dan elke week uren bezig om de slachtrijpe varkens apart te zetten voor transport naar het slachthuis. Het is een mooi idee, maar geen enkele consument wil daarvoor betalen.’
In een aparte stal liggen zeugen hun biggen te voeden. De zeug ligt niet in een box, maar kan vrij rondlopen, zelfs naar het terras buiten. Er zijn halfronde beugels tegen de muren gemonteerd die een schuilplaats voor de biggetjes creëren als de zeug gaat liggen. Toch sterft een op de vijftien biggetjes onder het gewicht van zijn of haar moeder, twee keer meer dan bij Hilhorst. ‘Tja’, zegt Van Leeuwen, ‘We proberen het zoveel mogelijk te beperken, al was het maar omdat een big van vijfentwintig kilo honderd euro waard is. Maar zo gaat dat nu eenmaal bij varkens. Dat moet je accepteren.’

Als ik een varken was, zou ik liever bij Van Leeuwen leven dan bij Hilhorst. Mijn bezoek aan beide boerderijen heeft me dan ook gesterkt in mijn keuze om alleen biologisch vlees te eten. Maar een varkensparadijs is het op deze biologische boerderij nu ook weer niet. Neem de leeftijd van de slachtrijpe varkens. Een varken kan met gemak vijftien tot twintig jaar oud worden. Maar een Nederlands vleesvarken wordt in de bio-industrie zes maanden en zeven in de biologische veehouderij. Het streefgewicht is 130 kilo, en biologische varkens groeien langzamer dan reguliere omdat ze meer bewegen en meer calorieën verbranden door de koudere buitenlucht. Daarom is ze een maand langer gegund.
Zeven maanden. De vleesvarkens waar ik nu tussen sta, gaan over twee weken naar het slachthuis, hetzelfde waar reguliere varkens hun dood vinden. Ze zullen nooit een lente of zomer meemaken. Of seks hebben en jongeren krijgen. Hoe natuurlijk is dat? En ze zullen nooit van een modderbad kunnen genieten.
‘Waarom mogen deze varkens niet ouder worden?’, vraag ik aan de persvoorlichter van Vion, die aanwezig is bij het bezoek aan beide boerderijen.
‘Na 130 kilo wordt de toename van hun gewicht langzamer, terwijl de kosten van voer en stallen gelijk blijven’, legt hij uit. ‘Per kilo wordt het vlees dus duurder. Als varkens ouder worden, is er ook te veel variatie in hun gewicht. Van het ene varken is de poot dan groter dan de andere, en dat kunnen de machines in de vleesverwerking niet aan; elke ham moet ongeveer even groot zijn. Bovendien zijn hun ribben te groot als ze zwaarder worden dan 130 kilo. Dat betekent dat een karbonade, een van de meest waardevolle stukken vlees van een varken, groter wordt dan wat mensen een aantrekkelijke portie vinden.’ Met andere woorden: de menselijke maag bepaalt de leeftijd van onze varkens.

Lunch met Marc van der Lee, directeur communicatie en persvoorlichter van Vion. Hij licht nog het een en ander toe over de varkenssector in Nederland.
‘Heren, wat zal het zijn?’, vraagt de ober. De ‘hap van de dag’ is een uitsmijter van drie scharreleieren met ham, kaas of allebei.
‘Voor mij een uitsmijter met ham en kaas’, zegt Van der Lee.
‘Uitstekend. En voor u?’, zegt de ober als hij naar mij kijkt. Nergens op de kaart staat dat het vlees biologisch is.
‘Eh, doet u mij maar een uitsmijter met kaas.’

 

De keurmerken
Het regent labels, logo’s en keurmerken bij de slager en de supermarkt. Hieronder staan de belangrijkste. Een (bijna) compleet overzicht staat op www.milieucentraal.nl (zoekterm: “keurmerk landbouw”).

EKO
Nederlands keurmerk voor biologische producten. Zo mogen antibiotica en groeihormonen niet door het biologische veevoer worden gemengd. De dieren hebben meer levensruimte en varkens moeten altijd de mogelijkheid hebben om naar buiten te kunnen. Het logo is beschermd en naleving wordt namens de overheid gecontroleerd door Stichting Skal. De minimale ruimte binnen is 1,3 m2 (0,7 m2 in de bio-industrie) en buiten 1 m2 (industriële varkens komen niet buiten).

Biologische Landbouw


Europees keurmerk voor biologische producten. De eisen zijn dezelfde als die van het EKO-keurmerk (de Europese eisen zijn overigens leidend), en kan ook gegeven worden aan geïmporteerde producten die aan gelijkwaardige controles onderhevig zijn. Vanaf juli 2010 verandert het logo.

Beter Leven


Keurmerk van de Dierenbescherming. Hoe meer sterren, hoe groter het dierenwelzijn. Kippen met een ster krijgen bijvoorbeeld meer tijd om te groeien en varkens krijgen meer ruimte en ‘een dikke laag strooisel om in te kunnen wroeten’. Dieren onder het twee sterren-regime hebben het nog beter en in ieder geval toegang tot vrije uitloop in de buitenlucht. Vlees met drie sterren voldoet aan de eisen van het EKO-keurmerk. Te koop bij verschillende supermarkten.

 

'Biologisch vlees is slechter voor het klimaat'
Volgens sommigen staat het eten van vlees gelijk aan het rijden in een Hummer. Is dat ook zo? Het Planbureau voor de Leefomgeving, dat de overheid onafhankelijk en op wetenschappelijke inzichten gebaseerd advies geeft, is een stuk voorzichtiger. In de Milieubalans 2009 houdt het Planbureau de CO2-uitstoot van onze maaltijd uitvoerig tegen het licht (veehouderij kan ook tot andere milieubelasting leiden, variërend van Q-koorts tot mestoverschotten, maar die worden hier buiten beschouwing gelaten). Belangrijkste conclusie: als alle Nederlanders een dag per week louter plantaardig zouden eten en drinken, is de totale Nederlandse CO2-uitstoot een halve procent minder. Overigens staat ‘CO2’ in deze context voor ‘CO2-equivalenten’, omdat ook andere broeikasgassen als methaan worden verrekend.
Door minder vlees te eten, red je het klimaat dus niet. Vlees door zuivel vervangen werkt zelfs averechts: de emissie van een kilo kaas is hoger dan die van varkens- of kippenvlees. En wie overstapt van industrieel vlees naar biologisch vlees, bewijst de verdrinkende ijsberen geen dienst: biologisch gehouden varkens zijn goed voor twintig procent meer CO2 dan hun soortgenoten in de bio-industrie. Ook scharrelkippen stoten tien procent meer CO2 uit dan industrieel gehouden kippen en biologische kippen zelfs nog meer. De belangrijkste redenen zijn dat biologisch gehouden dieren meer voer eten en meer mest verspreiden tijdens de vrije uitloop. Daarnaast is het in de intensieve veehouderij makkelijker om mest op te vangen en te verwerken.
‘Er is geen eenduidige “betere” keuze’, zegt Henk Westhoek, onderzoeker bij het Planbureau voor de Leefomgeving. ‘Als je dierenwelzijn belangrijk vindt, kun je beter biologisch vlees eten. Ben je bezorgd over klimaatverandering, dan is vlees uit de intensieve veehouderij de beste keuze.’ Gelukkig zijn er ook andere manieren om diervriendelijk de planeet te redden. Westhoek: ‘Je kunt bijvoorbeeld minder vlees en zuivel nuttigen. De meeste mensen eten ‘s avonds 125 gram vlees, terwijl 100 of 80 gram volstaat. Als het hele gezin per dag een glas melk minder drinkt, is de CO2-winst bijna net zo groot als op een vleesvrije dag. Hetzelfde geldt voor een dag in de week wit in plaats van rood vlees eten. Alle beetjes helpen, moet je maar denken.’
Wat ook helpt – zo eenvoudig kan het zijn – is minder eten in de prullenbak gooien. ‘Gemiddeld gooit een Nederlands gezin twintig procent van het gekochte eten weg, en de CO2-verspilling is navenant. Dat komt bijvoorbeeld omdat mensen zaterdag voor de hele week eten inkopen en op vrijdagavond de zalm en het biefstuk weggooien als de uiterste houdbaarheidsdatum is verstreken. Zonde, ook voor het milieu.’

 
Klik op de grafiek voor een vergroting.

NB: Deze cijfers betreffen vlees uit de intensieve veehouderij, tenzij anders vermeld.
Bron: Blonk Milieuadvies / Planbureau voor de Leefomgeving

 

© Evert Nieuwenhuis
 
Weet wat u eet
Hoe leeft ons vlees?
Evert Nieuwenhuis
Vrij Nederland, 3 april 2010
Op bezoek bij een industriële en een biologische boer. ‘Deze varkens zullen nooit een lente meemaken.’
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting

Ik herinner me het beslissende moment nog goed. In het café om de hoek at ik een broodje ham, zoals zo vaak. Maar na twee happen ging het mis: ineens besefte ik dat ik varkensvlees at. ‘Gatverdamme’, zei ik net iets te hard. ‘Ik eet een mishandeld dier!’ Verbaasd merkte mijn tafelgenoot op dat hij mij nog nooit had betrapt op enige vorm van dierenliefde — en al helemaal niet tijdens het eten. Dat klopt. Maar die dag was er iets veranderd.
‘s Ochtends had ik de laatste bladzijden van Jonathan Safran Foers Dieren eten gelezen, een nietsontziend verslag van zijn reis door de bio-industrie waar bijna al ons vlees vandaan komt. Het boek leest als een horrorverhaal: koeien die levend worden gevild; varkens die met stalen pijpen het abattoir in worden geslagen; kalkoenen die zo ver zijn doorgefokt dat ze door hun poten zakken – om maar enkele milde voorbeelden te noemen. En: zogende varkens die in een kooi worden gehouden die slechts een paar centimeter groter is dan zijzelf, zodat ze niet per ongeluk op hun biggetjes gaan liggen en hen zo doodt. Omdat de economische waarde van een biggetje veel belangrijker is dan het welbevinden van een zeug, kan de jonge moeder wekenlang slechts een paar centimeter naar voren en paar centimeter naar achteren bewegen.
Ik besloot om geen vlees uit de bio-industrie meer te eten. Ik heb geen morele bezwaren tegen het doden van dieren voor mijn gerief, maar dat ontslaat mij niet van de plicht zeker te weten dat ze een dierwaardig leven hebben geleid. Die 450 miljoen Nederlandse kippen, varkens, runderen en ander slachtvee, bestaan omdat wij dat willen, en dus zijn wij verantwoordelijk voor hun welzijn. Ons voedsel een goed leven schenken is het minste, ze mishandelen omdat we dan goedkoper uit zijn in restaurant of supermarkt, is moreel verwerpelijk. Dit zijn mijn nieuwe spijswetten: ik eet alleen dieren die biologisch gehouden zijn en bij twijfel bedank ik vriendelijk. Dat ham met een eko-label bijna twee keer duurder is dan ‘gewoon’ vlees, of dat het niet op de menukaart staat, is geen excuus. Dan eet ik maar minder vlees.
Foer schreef een indrukwekkend boek – verplichte kost voor elke omnivoor – maar hij richt zich alleen op de Amerikaanse bio-industrie. Hoe zit dat in Nederland? En hoeveel diervriendelijker is biologisch vlees?
Vion, de grootste vleesleverancier van Nederland, is bereid mij een ‘regulier bedrijf‘ — jargon voor ‘bio-industrie’ of, iets neutraler geformuleerd, ‘intensieve veehouderij‘ — te laten zien én een biologische veehouder. Ik richt me op varkensvlees omdat dit veruit het meest gegeten vlees is in Nederland. Daarnaast komt de ham in mijn stamcafé waarschijnlijk van een varkenshouder die aan Vion levert.
Hoe weet ik dat mij geen Potemkin-boerderijen worden getoond? Na afloop leg ik mijn bevindingen voor aan deskundigen van uiteenlopend pluimage (variërend van een activist van Wakker Dier tot een onafhankelijk landbouweconoom) en zij bevestigen wat Vion zegt: dit zijn twee doorsnee veehouderijen. Bovendien verdiep ik mij in de wettelijke minimumeisen betreffende dierenwelzijn. Wat ik in de stallen zie, voldoet daar aan. Misschien hebben varkens het op andere boerderijen slechter, maar wat ik te zien krijg is wat de Nederlandse overheid acceptabel vindt.

‘Leuk dat je er bent’, zegt Anton Hilhorst als hij lachend zijn hand uitsteekt. In de keuken van zijn ruime, modern ingerichte huis aan de rand van Soest drinken we koffie. Hilhorst is een reguliere varkensboer. Hij houdt zeshonderd zeugen en tweeduizend biggen, meer dan de gemiddelde fokkerij (‘vermeerderij’ in jargon), maar geen ‘megastal’. Als de biggen tien weken oud zijn, verhuizen ze naar Hilhorsts stallen in Drenthe om vetgemest te worden voor de slacht.
Hilhorst is een vriendelijke, openhartige man die graag over zijn werk praat. ‘Het is een mooi vak. Hard werken, maar lonend, in meerdere opzichten.’ Ook zijn vrouw Dorreth is gek op varkens. ‘Het zijn zulke leuke dieren’, zegt ze. ‘En heel intelligent’, vult Anton aan. ‘Koeien zijn ook leuk, maar aan varkens kun je meer beleven.’
‘We hebben zelfs een varken als huisdier’, zegt Dorreth Hilhorst. ‘Die loopt niet in huis, maar op het erf. Ze heet Sjaantje en is drie jaar oud. Een heerlijk eigenwijs beest, de kinderen zijn gek op ‘r. “Ons vrije varken”, zeggen we wel eens.’

We gaan naar de stallen. Ik merk dat ik een beetje zenuwachtig ben. Welke verschrikkingen krijg ik te zien? Zal het gekrijs oorverdovend zijn? We lopen een lange gang in. Het is er warm. ‘Zo’n twintig graden’, zegt Hilhorst. ‘Dan zijn ze vruchtbaarder. We zorgen ook voor minstens zestien uur licht in de stallen.’ In deze grauwe omgeving moet het voor de varkens altijd lente zijn. De zon zullen ze echter nooit zien: ze blijven altijd binnen.
Aan weerszijde van de gang bevindt zich om de tien meter een deur. Hilhorst trekt er een open. ‘Nou, hier liggen ze dan’, zegt hij.
We zijn in een ruimte van zo’n vijftig vierkante meter met een vrij laag plafond. Een alles overheersende ammoniakgeur, afkomstig van de mest die onder de roosters ligt, slaat direct op de longen. Uit tl-lampen komt wit licht, net als uit de kleine, geblindeerde ramen. De muren zijn opgetrokken van grote, grijze bakstenen. Her en der worden de roosters afgewisseld door betonnen platen. De ruimte wordt in tweeën gedeeld door een looppad, en achter de stalen hekken aan weerszijde daarvan liggen en staan ze: varkens in de bio-industrie.
Dantes hel is deze stal niet. Geen gekrijs, geen vechtpartijen, geen bloed op de muur. Dit is eerder een gevangenis in een naargeestige dictatuur: een grauwe, kale bedompte ruimte waar niets is te doen. Deze varkens kunnen zoveel eten en drinken als ze willen, maar nauwelijks bewegen. En als ze zich verplaatsen, moeten ze bijna altijd eerst een ander dier wegduwen. De verveling lijkt mij het ergste. Zouden de varkens dat ook vinden?
‘Ik heb begrepen dat varkens zo nieuwsgierig zijn’, zeg ik tegen Hilhorst. ‘Maar deze liggen hier maar een beetje.’
‘Ken je het spreekwoord “zo lui als een varken”? Varkens slapen zo’n twintig uur per dag.’ Hilhorst wijst naar een paar gele ballen aan een koord: speelgoed voor de beesten. Varkenshouders zijn wettelijk verplicht het op te hangen tegen de verveling. ‘Maar ik zie ze er bijna nooit mee spelen. Die beesten vervelen zich niet. Ze willen slapen en eten. Meer niet.’
‘Waarom heeft u de staarten van de varkens afgeknipt?’, vraag ik. In de intensieve veehouderij worden de staarten van biggetjes afgeknipt omdat ze anders in elkaars staart bijten. De belangrijkste reden: verveling. Hilhorst: ‘Het is beter voor ze. Slechts een op de tien varkens gaat staartbijten, maar als ze dat doen, krijg je een bloedbad. Varkens worden bijna dol als ze bloed proeven.’
We staan tussen de varkens. De meeste liggen te slapen op de grond, andere eten uit de troggen of lopen naar de voederbakken. Als de varkens langs elkaar schuren, ontstaat er geregeld een opstootje.
‘Ze zijn lekker speels hé?’, zegt Hilhorst. ‘Overigens kennen ze een strikte rangorde, en er ontstaan soms schermutselingen als een “hoger geplaatst” vakken eerst wil eten. Ik kan me voorstellen dat mensen die nog nooit een stal hebben gezien, zoals jij, denken dat ze het niet goed hebben. Maar kijk: daar liggen een paar zeugen met hun buik naar voren. Dat betekent dat ze zich veilig en lekker voelen.’

We bezoeken nog wat stallen en komen dan in de ‘kraamkamer’. Hier zogen de zeugen hun pasgeboren biggen. Drie weken lang staan of liggen ze tussen stalen pijpen zodat ze niet op hun biggen kunnen liggen, precies zoals Foer beschreef. Als ze klaar zijn met zogen, gaan ze naar een andere ruimte waar ze nog eens drie weken in een ‘box’ staan omdat ze anders elkaars gezwollen uiers kunnen beschadigen. Een uur per dag mogen ze dan bij een beer (mannelijk varken) zijn, zodat ze zo snel mogelijk weer geïnsemineerd kunnen worden.
Wat ik tot nu toe gezien heb, lijkt me niet erg comfortabel en op z’n minst onnatuurlijk voor de varkens. Maar deze ‘boxen’ komen me allesbehalve diervriendelijk voor. Ik kan me niet voorstellen dat een levend wezen het prettig vindt om zes weken geen kant op te kunnen. Ik leg m’n gedachten voor aan Hilhorst.
Hilhorst: ‘Zonder die boxen sterven er veel biggetjes, zoals in de biologische varkenshouderij gebeurt omdat de zeugen daar wel vrij kunnen lopen. Hoe diervriendelijk is dat? Kijk, iedereen wil wel in een landhuis wonen, maar toch wonen mensen heel gelukkig op een flatje. Als de beesten zich ongemakkelijk voelen, worden ze minder productief, dus dat houd ik goed in de gaten.’
‘Als u mocht kiezen, zou u dan liever op biologisch wijze varkens houden?’ vraag ik Hilhorst.
‘Nee. Ik leef al veertig jaar tussen varkens. Ik ken ze en ik weet het zeker: deze beesten hebben het niet slecht. Daarnaast ben je als biologische varkenshouder minstens anderhalf uur per dag bezig met het uitmesten van de stallen (biologisch gehouden varkens liggen in tegenstelling tot de intensieve veehouderij op stro dat elke dag verschoond moet worden, E.N.). Dat is voor mij te zwaar.’

Als we terug naar de boerderij lopen, zegt Hilhorst: ‘Kom, ik wil je nog wat laten zien.’ Achter een stal staan veertien plastic bakken zo groot als een flink kinderzwembad voor in de achtertuin. De ene helft is overdekt, de andere is open. In elke bak zitten tientallen biggen.
‘Mooi hè’, zegt Hilhorst. ‘Dit noemen ze biggenbungalows. Ze kunnen naar binnen en naar buiten, net wat ze zelf willen. Het liefst zou ik alle biggen zo houden.’
‘Waarom?’
‘Nou ja, jij bent toch ook graag buiten?’
‘Waarom houdt u niet al uw biggen op deze manier? Is het te duur.’
‘Nee, dat niet. Maar vanaf 2013 mag het niet meer: strengere milieuwetgeving.’

In de keuken van Hilhorst drinken we nog wat koffie. Ik verzamel moed om hem deze vraag te stellen: ‘Nog even over het knippen van staarten. De ingreep zelf vind ik niet zo erg: het knippen van amandelen bij een kind doet ook pijn, maar voorkomt groter leed. De reden waarom het gebeurt vind ik moeilijker te verteren. Als varkens meer ruimte hebben, zoals in de biologische veehouderij, eten ze elkaars staarten niet op. Naar verluidt vervelen ze zich niet en zijn ze minder agressief omdat ze niet zo dicht op elkaar zitten. Hoe dan ook: als het nodig is om staarten te knippen, leven ze kennelijk op een manier die tegen hun natuur in gaat. Stel, je stopt twee herdershonden in een keukenkastje. Je kunt er dan vergif op innemen dat ze elkaar te lijf gaan. Nu kun je al hun tanden verwijderen en zeggen: kijk, zo gaat het best. Maar iedereen voelt aan dat je de dieren geweld aan doet. Ik vraag me af: doet u uw varkens geen geweld aan door ze altijd binnen en in kleine hokken te laten leven?’
Hilhorst luistert aandachtig en denkt even na voor hij antwoord geeft. ‘Je vergelijking klopt niet. Herdershonden in een keukenkastje zijn zielig, maar varkens in een stal niet. Als ik denk dat mijn varkens zouden lijden, zou ik ermee stoppen. Zoals gezegd: iedereen woont het liefst in een landhuis, maar consumenten willen niet betalen voor een landhuis voor varkens. En dus leven ze in mijn stallen zoals ze leven.’
Tijd om te gaan. Voor we de auto instappen ga ik naar de wc. Daar hangt een verjaardagskalender; promotiemateriaal van een varkensvoerbedrijf of iets dergelijks. Er staat een ‘varkensweetje’ op: ‘Voor varkens is een modderbad het toppunt van frisheid’. Ze zijn er gek op, legt het tekstje uit, en een modderbad hoort bij het natuurlijke gedrag van een varken. Precies zoals we op school hebben geleerd. De varkens van Hilhorst zullen er nooit van kunnen genieten.

‘’t Is dun’, zegt Peter van Leeuwen als we elkaar de hand schudden. Hij doelt op het weer: er waait een koude wind en aan de hemel staat een waterig zonnetje. Van Leeuwens boerderij staat tussen lege weilanden, vlakbij het Gelderse Buren. Hij heeft hier zo’n 160 zeugen en vleesvarkens die, als ze straks in de winkel liggen, voorzien zijn van het EKO-keurmerk (zie kader). Zijn bedrijf ziet eruit zoals een stadsmens zich een boerderij voorstelt: een vrijstaand huis omringd door grote stallen, een paar oude schuren met stro en een tractor die met veel lawaai mest opzuigt uit een ondergrondse opslag. En verdomd: als ik mijn auto parkeer, rennen drie varkens luid knorrend naar het hek dat mij van hen scheidt.
Van Leeuwen (44) is een vriendelijke man van weinig woorden. Hij boert al twaalf jaar biologisch. ‘Ik vind dat dieren zoveel mogelijk hun natuurlijke gedrag moeten vertonen’, zegt hij als we in zijn keuken koffie drinken. ‘Ze moeten kunnen scharrelen, nestelen, in stro wroeten en zon en regen voelen. Als je varkens hun hele leven in een stal laat staan, onthoud je ze te veel. Maar ik vind het ook prettiger werken omdat je meer contact met de dieren hebt.’ Zelf eet hij alleen biologisch vlees. ‘Op een feestje wil ik wel een uitzondering maken, maar liever niet.’
De zaken gaan ‘lang niet slecht’, zegt Van Leeuwen. Al jaren groeit de vraag naar biologisch vlees met circa tien procent per jaar, blijkt uit cijfers van De Groene Weg, de grootste opkoper van biologisch vlees en onderdeel van Vion. Maar het marktaandeel is klein: circa zestig boeren brengen jaarlijks zeventig- tot tachtigduizend biologisch gehouden varkens naar het slachthuis, tegen ruim 7500 reguliere varkenshouders die 25 miljoen varkens en biggen produceren. De Groene Weg reguleert de prijs door het aanbod mee te laten groeien met de vraag. Er is zelfs een wachtlijst van varkensboeren die graag biologisch vlees willen leveren, maar per jaar mogen slechts drie à vier van hen de overstap maken.
We gaan de stallen in. Er is veel frisse lucht en zonlicht, omdat de grote schuifdeuren naar het buitengedeelte van de stallen open staan. Het is er een kabaal van jewelste. ‘Deze zeugen zijn net los van hun biggen’, zegt Van Leeuwen. ‘Ze hebben zes weken hun jonkies gevoed en sinds vanochtend staan ze weer alleen. Ze missen hun biggen en hun uiers zitten nog vol melk, daarom maken ze zo’n kabaal. Vanavond is het weer over.’
‘Moeten ze niet in een box?’, vraag ik Van Leeuwen.
‘Nee, hoezo?’
‘Dat doen ze in de intensieve veehouderij, zodat ze elkaars uiers niet kapot wroeten.’
‘Oh, zo’, zegt Van Leeuwen. ‘Nee dat hoeft niet, want ze kunnen gewoon weglopen als ze elkaar pijn doen. Ze kunnen wel in deze boxen staan als ze zich daardoor veiliger voelen, maar ze kunnen er ook weer uit.’
Aan de andere kant van de stal liggen een stuk of twintig dikke varkens tegen elkaar aan te slapen. ‘Dit zijn drachtige zeugen. Die slapen wel twintig uur per dag. Zo lui als een varken hè’, zegt Van Leeuwen. Af en toe loopt een zeug naar buiten, waar groepjes zeugen wroeten in balen kuilgras (halfdroog gras). ‘Kijk, die zeug staat alleen te eten. Vindt ze kennelijk prettiger’, zegt Van Leeuwen glimlachend. Als het weer beter is, kunnen de zeugen ook ‘het zwembad’ in, zoals Van Leeuwen dat noemt: een grote modderpoel met een stuk weide erom heen. ‘Maar nu is het land te nat. Ze wroeten alles kapot. In de lente kan het weer.’
De luxe van het zwembad is alleen voorbehouden aan drachtige zeugen. De vleesvarkens staan in grote hokken met de mogelijkheid naar buiten te gaan. Dit ‘buiten’ is geen weide, maar een begrensd ‘terras’ bestaande uit een rooster en betonnen platen. Al met al hebben deze varkens ruim drie keer keer meer ruimte dan hun soortgenoten in de bio-industrie, maar nog steeds lijkt deze stal mij niet overdreven ruim. Zou Van Leeuwen grotere stallen willen?
‘Dit zijn de normen voor het eko-keurmerk. Grotere hokken zijn duurder, maar leveren niet meer geld op. Varkens staan graag bij elkaar en volgens mij lopen ze elkaar niet in de weg. Het kan altijd groter, maar ik vind het heel behoorlijk zo.’
‘Zou u het liefst alle varkens vrij in de weide laten lopen, zoals de drachtige zeugen? Dat komt het dichtst bij hun natuurlijke gedrag.’
‘Dat is onbetaalbaar!’, lacht Van Leeuwen. Door de maximaal toegestane hoeveelheid mest per vierkante meter, zou ik voor mijn varkens zo’n vijftig hectare grond moeten pachten of kopen. Bovendien ben ik dan elke week uren bezig om de slachtrijpe varkens apart te zetten voor transport naar het slachthuis. Het is een mooi idee, maar geen enkele consument wil daarvoor betalen.’
In een aparte stal liggen zeugen hun biggen te voeden. De zeug ligt niet in een box, maar kan vrij rondlopen, zelfs naar het terras buiten. Er zijn halfronde beugels tegen de muren gemonteerd die een schuilplaats voor de biggetjes creëren als de zeug gaat liggen. Toch sterft een op de vijftien biggetjes onder het gewicht van zijn of haar moeder, twee keer meer dan bij Hilhorst. ‘Tja’, zegt Van Leeuwen, ‘We proberen het zoveel mogelijk te beperken, al was het maar omdat een big van vijfentwintig kilo honderd euro waard is. Maar zo gaat dat nu eenmaal bij varkens. Dat moet je accepteren.’

Als ik een varken was, zou ik liever bij Van Leeuwen leven dan bij Hilhorst. Mijn bezoek aan beide boerderijen heeft me dan ook gesterkt in mijn keuze om alleen biologisch vlees te eten. Maar een varkensparadijs is het op deze biologische boerderij nu ook weer niet. Neem de leeftijd van de slachtrijpe varkens. Een varken kan met gemak vijftien tot twintig jaar oud worden. Maar een Nederlands vleesvarken wordt in de bio-industrie zes maanden en zeven in de biologische veehouderij. Het streefgewicht is 130 kilo, en biologische varkens groeien langzamer dan reguliere omdat ze meer bewegen en meer calorieën verbranden door de koudere buitenlucht. Daarom is ze een maand langer gegund.
Zeven maanden. De vleesvarkens waar ik nu tussen sta, gaan over twee weken naar het slachthuis, hetzelfde waar reguliere varkens hun dood vinden. Ze zullen nooit een lente of zomer meemaken. Of seks hebben en jongeren krijgen. Hoe natuurlijk is dat? En ze zullen nooit van een modderbad kunnen genieten.
‘Waarom mogen deze varkens niet ouder worden?’, vraag ik aan de persvoorlichter van Vion, die aanwezig is bij het bezoek aan beide boerderijen.
‘Na 130 kilo wordt de toename van hun gewicht langzamer, terwijl de kosten van voer en stallen gelijk blijven’, legt hij uit. ‘Per kilo wordt het vlees dus duurder. Als varkens ouder worden, is er ook te veel variatie in hun gewicht. Van het ene varken is de poot dan groter dan de andere, en dat kunnen de machines in de vleesverwerking niet aan; elke ham moet ongeveer even groot zijn. Bovendien zijn hun ribben te groot als ze zwaarder worden dan 130 kilo. Dat betekent dat een karbonade, een van de meest waardevolle stukken vlees van een varken, groter wordt dan wat mensen een aantrekkelijke portie vinden.’ Met andere woorden: de menselijke maag bepaalt de leeftijd van onze varkens.

Lunch met Marc van der Lee, directeur communicatie en persvoorlichter van Vion. Hij licht nog het een en ander toe over de varkenssector in Nederland.
‘Heren, wat zal het zijn?’, vraagt de ober. De ‘hap van de dag’ is een uitsmijter van drie scharreleieren met ham, kaas of allebei.
‘Voor mij een uitsmijter met ham en kaas’, zegt Van der Lee.
‘Uitstekend. En voor u?’, zegt de ober als hij naar mij kijkt. Nergens op de kaart staat dat het vlees biologisch is.
‘Eh, doet u mij maar een uitsmijter met kaas.’

 

De keurmerken
Het regent labels, logo’s en keurmerken bij de slager en de supermarkt. Hieronder staan de belangrijkste. Een (bijna) compleet overzicht staat op www.milieucentraal.nl (zoekterm: “keurmerk landbouw”).

EKO
Nederlands keurmerk voor biologische producten. Zo mogen antibiotica en groeihormonen niet door het biologische veevoer worden gemengd. De dieren hebben meer levensruimte en varkens moeten altijd de mogelijkheid hebben om naar buiten te kunnen. Het logo is beschermd en naleving wordt namens de overheid gecontroleerd door Stichting Skal. De minimale ruimte binnen is 1,3 m2 (0,7 m2 in de bio-industrie) en buiten 1 m2 (industriële varkens komen niet buiten).

Biologische Landbouw


Europees keurmerk voor biologische producten. De eisen zijn dezelfde als die van het EKO-keurmerk (de Europese eisen zijn overigens leidend), en kan ook gegeven worden aan geïmporteerde producten die aan gelijkwaardige controles onderhevig zijn. Vanaf juli 2010 verandert het logo.

Beter Leven


Keurmerk van de Dierenbescherming. Hoe meer sterren, hoe groter het dierenwelzijn. Kippen met een ster krijgen bijvoorbeeld meer tijd om te groeien en varkens krijgen meer ruimte en ‘een dikke laag strooisel om in te kunnen wroeten’. Dieren onder het twee sterren-regime hebben het nog beter en in ieder geval toegang tot vrije uitloop in de buitenlucht. Vlees met drie sterren voldoet aan de eisen van het EKO-keurmerk. Te koop bij verschillende supermarkten.

 

'Biologisch vlees is slechter voor het klimaat'
Volgens sommigen staat het eten van vlees gelijk aan het rijden in een Hummer. Is dat ook zo? Het Planbureau voor de Leefomgeving, dat de overheid onafhankelijk en op wetenschappelijke inzichten gebaseerd advies geeft, is een stuk voorzichtiger. In de Milieubalans 2009 houdt het Planbureau de CO2-uitstoot van onze maaltijd uitvoerig tegen het licht (veehouderij kan ook tot andere milieubelasting leiden, variërend van Q-koorts tot mestoverschotten, maar die worden hier buiten beschouwing gelaten). Belangrijkste conclusie: als alle Nederlanders een dag per week louter plantaardig zouden eten en drinken, is de totale Nederlandse CO2-uitstoot een halve procent minder. Overigens staat ‘CO2’ in deze context voor ‘CO2-equivalenten’, omdat ook andere broeikasgassen als methaan worden verrekend.
Door minder vlees te eten, red je het klimaat dus niet. Vlees door zuivel vervangen werkt zelfs averechts: de emissie van een kilo kaas is hoger dan die van varkens- of kippenvlees. En wie overstapt van industrieel vlees naar biologisch vlees, bewijst de verdrinkende ijsberen geen dienst: biologisch gehouden varkens zijn goed voor twintig procent meer CO2 dan hun soortgenoten in de bio-industrie. Ook scharrelkippen stoten tien procent meer CO2 uit dan industrieel gehouden kippen en biologische kippen zelfs nog meer. De belangrijkste redenen zijn dat biologisch gehouden dieren meer voer eten en meer mest verspreiden tijdens de vrije uitloop. Daarnaast is het in de intensieve veehouderij makkelijker om mest op te vangen en te verwerken.
‘Er is geen eenduidige “betere” keuze’, zegt Henk Westhoek, onderzoeker bij het Planbureau voor de Leefomgeving. ‘Als je dierenwelzijn belangrijk vindt, kun je beter biologisch vlees eten. Ben je bezorgd over klimaatverandering, dan is vlees uit de intensieve veehouderij de beste keuze.’ Gelukkig zijn er ook andere manieren om diervriendelijk de planeet te redden. Westhoek: ‘Je kunt bijvoorbeeld minder vlees en zuivel nuttigen. De meeste mensen eten ‘s avonds 125 gram vlees, terwijl 100 of 80 gram volstaat. Als het hele gezin per dag een glas melk minder drinkt, is de CO2-winst bijna net zo groot als op een vleesvrije dag. Hetzelfde geldt voor een dag in de week wit in plaats van rood vlees eten. Alle beetjes helpen, moet je maar denken.’
Wat ook helpt – zo eenvoudig kan het zijn – is minder eten in de prullenbak gooien. ‘Gemiddeld gooit een Nederlands gezin twintig procent van het gekochte eten weg, en de CO2-verspilling is navenant. Dat komt bijvoorbeeld omdat mensen zaterdag voor de hele week eten inkopen en op vrijdagavond de zalm en het biefstuk weggooien als de uiterste houdbaarheidsdatum is verstreken. Zonde, ook voor het milieu.’

 
Klik op de grafiek voor een vergroting.

NB: Deze cijfers betreffen vlees uit de intensieve veehouderij, tenzij anders vermeld.
Bron: Blonk Milieuadvies / Planbureau voor de Leefomgeving

 

© Evert Nieuwenhuis