Duurzame visserij
De laatste vis
Evert Nieuwenhuis
Vrij Nederland, 29 mei 2010
De zeeën zijn bijna leeggevist, zeggen milieuorganisaties. Is duurzame visserij de oplossing?
Duurzame visserij in Vrij Nederland
Klik op de afbeelding voor een vergroting

IJmuiden, vijf uur ‘s ochtends. Op een verlaten kade, aan de voet van de vuurtoren, is het pikkedonker en muisstil. Totdat André Jongejan de motor start van de IJM 369, een kleine vissersboot van een meter of tien. Even later bonkt het scheepje op de golven van de Noordzee.
Jongejan is op weg naar de netten die hij twaalf uur eerder uitzette. Hij vist met staand want: een net van tien kilometer lang en een meter hoog. Het want zweeft boven de zeebodem op twintig meter diepte. Zo vangt hij kabeljauw in de herst- en wintermaanden en tong in het voorjaar en de zomer. Vissen met staand want is een eeuwenoude methode, maar geldt sinds kort als een oplossing voor een typisch eenentwintigste-eeuws probleem: overbevissing. In 2020 moet de Nederlandse visserij volledig duurzaam zijn, zo wil het kabinet. In de woorden van demissionair minister Gerda Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: ‘Als we niets doen, valt er over twintig jaar niets meer te vissen’.
Een week geleden zette Jongejan zijn eerste kistjes tong op de kade die het keurmerk mogen dragen van de Marine Stewardship Council (MSC, zie kader). Dat maakt hem officieel een duurzame visser. Maar duurzaamheid zegt Jongejan niet zoveel: ‘Er zwemt hier genoeg vis. Het ene jaar meer dan het andere, dat is altijd zo geweest. Het zou volgens al die biologen slecht gaan met de kabeljauw. Nou, afgelopen winter kon je over de kabeljauw naar Engeland lopen. Ik geloof niet dat een vissoort uitgestorven kan raken. De zee is zo groot, die laatste paar vissen krijg je nooit te pakken.’
Aan bord is ook Rems Cramer, woordvoerder van de kenniskring staand want-vissers, een koepelorganisatie die veel werk heeft verzet om het MSC keurmerk te bemachtigen. Ook hij gelooft niet dat de Noordzee wordt overbevist. ‘Mijn vader ving vroeger schelvis, hier vlak voor de kust. Die vind je hier nu nooit meer, maar de schelvis is helemaal niet uitgestorven. Vissen hebben een staartje hè: soms zitten ze hier, dan weer daar.’
Cramer en Jongejan praten met veel liefde over hun vak. Jongejan vist al dertig jaar, en visserszoon Cramer verruilde tien jaar gelden zijn managersfunctie om weer de zee op te gaan. ‘Vissen is mooi werk’, zegt Cramer. ‘Je bent de hele dag buiten en je hebt je vrijheid. Als visser kun je je jagersinstinct volgen: hoe krijg ik die vis in m’n netten? Waar zullen ze nu weer zitten? Het is altijd weer spannend wat je gevangen hebt.’
Na anderhalf uur varen is de zon opgekomen en komt het ‘stekkie’ van Jongejan in zicht. Het want wordt binnengehaald en Cramer en Jongejan halen met de hand de vissen uit de mazen. ‘Een magere vangst’, zegt Jongejan. Hij knikt naar waar de wind vandaan komt. ‘Noordenwind is nergens goed voor, zeggen wij altijd.’ Er is weinig bijvangst. Een paar scharren (Cramer: ‘Prima visjes, maar consumenten vinden dat er te veel graat in zit’) en wat krabben, die ze met hun vuisten of een hamer kapot slaan zodat ze niet in het net blijven haken. Na ruim twee uur is de vangst aan boord en zet Jongejan koers richting IJmuiden.
Waarom willen Jongejan en Cramer het MSC certificaat hebben? Cramer: ‘We hopen meer geld voor onze vis te krijgen. De prijzen dalen, met name omdat mensen steeds vaker kweekvis eten. Tong is een niche product, een echte restaurantvis. Zo’n certificaat kan de prijs wat opkrikken.’ Als de IJM 369 langs een windmolenpark vaart, draagt Cramer nog een andere reden aan. ‘Wij visserlui verliezen steeds meer terrein op de Noordzee. Aan boorplatforms, pijpleidingen maar ook die windmolens. Daar mogen we ook niet meer vissen, en er zullen nog tientallen van dit soort parken komen. Bovendien wijst de overheid beschermde gebieden aan waar niet gevist mag worden, tenzij je dat duurzaam doet. Met een MSC certificaat hopen we daar toch te kunnen vissen.’
De vijfenveertig Nederlandse staand want-vissers die net als Cramer en Jongejan het MSC certificaat kregen, vangen jaarlijks tweehonderd ton tong, goed voor een procent van het Nederlandse totaal gevangen tong. De 99 procent wordt voornamelijk gevangen met boomkorren, sleepnetten met kettingen die over de zeebodem worden getrokken en daar veel schade kunnen aanrichten. Een klein deel van hen is momenteel bezig om het MSC certificaat te krijgen, wat betekent dat ze bijvoorbeeld andere netten moeten gebruiken of alleen in speciale gebieden mogen vissen.
Om het predikaat ‘duurzaam’ te krijgen, hoefden de staand want-vissers niets te veranderen aan hun werkwijze. ‘We visten al hartstikke duurzaam’, zegt Jongejan, ‘dan kun je dat net zo goed op een papiertje laten schrijven.’ Wel moesten ze vijftienhonderd euro certificeringskosten betalen, waarvan driekwart gesubsidieerd wordt door onder andere het Wereld Natuur Fonds en de gemeenten Velsen en Den Haag. De koepelorganisatie van de staand want-vissers diende een beheerplan in waarin beschreven staat hoe ze de populatie tong in stand willen houden. Regelmatig worden ze gecontroleerd of ze zich houden aan de richtlijnen van MSC.
Rond het middaguur zet Jongejan twee kisten met tong op de kade en een half kistje bijvangst. ‘Zo’n vijftig kilo tong, goed voor vijfhonderd euro’, zegt Jongejan. ‘Ik ben net uit de kosten.’ Aan het eind van de middag, bij uitgaand tij, vaart Jongejan weer uit om nieuw want te zetten.

Zijn Jongejan en Cramer de oplossing voor de mondiale overbevissing? Het is moeilijk voor te stellen dat de paar kistjes tong van de IJM 369 het antwoord zijn op de varende visfabrieken die met hun immense sleepnetten de oceanen zouden leegvissen. Is duurzame visserij onvermijdelijk om de vis in de zeeën te behouden? Of moeten we, zoals Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren wil, helemaal geen vis meer eten?
Eerst de feiten: hoe groot is het probleem van de overbevissing? Milieuorganisaties en wetenschappers zijn verdeeld over de ernst van de situatie. Carel Drijver, maritiem bioloog bij het Wereld Natuur Fonds, noemt de vooruitzichten voor de mondiale visstand ‘dramatisch slecht’. Drijver: ‘Vissen zijn nergens meer veilig. Met sonar en gps weten we elke school en zelfs grote individuele vissen te lokaliseren. Als onze visgronden uitgeput raken, trekken we naar de kusten van Afrika of steeds verder de oceaan op. We vissen al op dieptes van duizend meter met netten waar dertien Boeings in passen.’
Er moet iets gebeuren, zegt Drijver. ‘‘Wetenschappers zeggen dat zonder koerswijziging alle belangrijke commerciële vissoorten rond 2050 zo goed als uitgestorven zijn.’ De milieubeschermer baseert zich op Amerikaans en Canadees onderzoek dat in 2004 in het wetenschappelijke tijdschrift Science werd gepubliceerd. Veel milieuorganisaties verwijzen naar dit onderzoek dat het enige in zijn soort is. Dit vormt echter geen beletsel om de alarmklok te luiden, zegt Drijver: ‘Het Science-onderzoek heeft een mondiaal perspectief, maar talloze onderzoeken naar lokale populaties komen tot dezelfde conclusie. En vraag het de vissers zelf. Ik reis veel, en waar ik ook kom vertellen oudere vissers me dat er veel minder vis is dan vroeger. Onlangs sprak ik in Indonesië een burgemeester van een klein vissersdorpje die vroeger “de vissen moest vragen om plaats te maken” als hij ging zwemmen. Nu moet hij zoeken naar vis. In Senegal vertellen mensen dat er bij hun dorp alleen nog maar de vis is waar ze vroeger hun neus voor ophaalden. In Nederland was er honderd jaar geleden zoveel zalm dat zelfs bediendes van rijke families er schoon genoeg van kregen; nu juichen we als er een zalm in de Rijn is gesignaleerd. Enfin, zo kan ik nog wel even doorgaan.’
Vissers als Cramer en Jongejan die zeggen dat ze niets merken van een dalende visstand, vergissen zich volgens Drijver. ‘Inderdaad, de laatste jaren is er weer wat meer kabeljauw in de Noordzee – dankzij beschermende maatregelen waar wij voor pleiten. En we zijn er nog lang niet. Welke Noordzeevisser heeft nog wel eens een kabeljauw van anderhalve meter in zijn netten, zoals z’n vader ze regelmatig ving?’
Het Canadese New Foundland is het schrikbeeld van elke zeebeschermer. Eind jaren zestig haalden veertigduizend lokale vissers met gemak de alomtegenwoordige kabeljauw uit het water. In 1992 meerde de laatste kabeljauwvisserij aan omdat zijn prooi op was. Drijver: ‘Ik zie nu hetzelfde gebeuren voor de kusten van West-Afrika en met de tonijn in de buurt van Indonesië, bijvoorbeeld. Maar denk ook aan de met uitsterven bedreigde paling. We hebben geen andere keuze dan duurzamer te gaan vissen. Dat betekent bijvangst beperken – circa veertig procent van alle gevangen vis wordt dood overboord gegooid –, beschermde gebieden inrichten als kraamkamers, mazen vergroten zodat jonge vissen zich kunnen voortplanten en vangstquota verkleinen als visbestanden daarom vragen.’

Adriaan Rijnsdorp, specialist visstanden bij IMARES, het maritiem instituut van de Universiteit van Wageningen, vindt dat natuurbeschermingsorganisatie zoals het Wereld Natuur Fonds de noodklok iets te hard luiden. ‘Ngo’s willen graag de voorpagina halen en schreeuwen daarom zo luid mogelijk. Als onafhankelijk wetenschapper kom ik tot een andere conclusie: er is reden tot zorg, maar de situatie is niet catastrofaal. Het wereldwijd leegvissen van de zeeën of het uitsterven van complete vissoorten, is niet aan de orde.’
De mondiale visstanden vertonen een gemêleerd beeld, zegt Rijnsdorp. ‘Enkele kwetsbare soorten lopen gevaar, daar is geen twijfel over. Neem de blauwvintonijn. Zolang een exemplaar van deze zeldzame roofvis in Japan vele duizenden dollars oplevert, is er altijd wel iemand bereid om de laatste uit zee te vissen. Overigens zou dat heel bijzonder zijn, want nog nooit is een vissoort volledig uitgeroeid. Andere soorten dan de blauwvintonijn zullen niet snel uitsterven om de eenvoudige reden dat ze niet genoeg geld opleveren. Als vissen zeldzamer worden kost het steeds meer moeite en dus geld om ze te vangen, en dus haken de vissers met grote vangstcapaciteit af. Met andere woorden: de wal zal het schip keren.’
Milieuorganisaties vrezen dat de ecologische schade die de intensieve visserij ondertussen aanricht, te groot is om tot een volledig herstel van de visstanden te komen. Rijnsdorp: ‘Dat is mogelijk, maar wetenschappelijk gezien is dat geen vaststaand feit. Over het instorten van de kabeljauwpopulatie bij New Foundland is het laatste woord nog niet gezegd. Overbevissing is ongetwijfeld een belangrijke oorzaak geweest, maar er was meer aan de hand, zoals veranderende zeestromingen. Het is niet gezegd dat dit echec elders herhaald wordt. De Noordzee kabeljauw is zwaar overbevist maar het bestand is niet ingestort, waarschijnlijk omdat het ecosysteem complexer en minder gevoelig is dan bij Canada. Bovendien is de kabeljauw bij New Foundland niet uitgestorven, maar het is economisch niet meer rendabel om er op te vissen.’
Evengoed is er ‘wel degelijk wat aan de hand’, zegt Rijnsdorp. ‘Mondiaal gezien is het plafond bereikt van wat de zeeën ons kunnen geven. Visvangst moet als de rente zijn die je over je kapitaal ontvangt, en we teren momenteel in op het kapitaal: de visstanden. We moeten minder en efficiënter gaan vissen.’ Zal het MSC certificaat daaraan bijdragen? Rijnsdorp: ‘Ja, maar het is niet dé oplossing voor het probleem van mondiale overbevissing. Laat ik er eerst iets positiefs over zeggen. Noordzeevis profiteert van het keurmerk, omdat het een toevoeging is op dat rammelende quota-systeem van de Europese Unie. In de gemengde visserij beperken de quota niet de hoeveelheid vis die gevangen wordt; het enige dat minder wordt, is hoeveel vis er aan land wordt gezet. De vangst waar vissers geen quota voor hebben, gooien ze overboord. Quota leiden dus tot extra verspilling. Het zou veel verstandiger zijn als de EU de vissers een beperkt aantal dagen geeft waarop ze mogen vissen. Alles wat de vissers vangen moeten ze rapporteren, zodat ook bijvangst wordt geteld. Het MSC keurmerk is een verbetering ten opzichte van het EU-systeem, omdat het zich primair richt op visbestanden en de gevolgen voor het ecosysteem.’
Helaas zal het MSC keurmerk voorlopig weinig bescherming bieden tegen de grootste bedreiging van de mondiale vispopulaties, denkt Rijnsdorp. ‘De gestaag uitdijende Aziatische middenklasse wil steeds meer vis eten, en ik vrees dat hun honger groter is dan hun milieubesef. Regeringen willen liever binnenlandse onrust voorkomen dan impopulaire maatregelen nemen die vissen duizenden kilometers verderop ten goede komen.’ Met name vissen buiten de territoriale wateren zullen volgens Rijnsdorp het slachtoffer worden van een gestaag toenemende vraag naar vis. ‘Zonder sterke VN-verdragen en streng toezicht op naleving, zijn vissen buiten de tweehonderd-mijlszone (het gebied dat onder nationale jurisprudentie valt; red.) vogelvrij. Tot nu toe is elke poging tot regulering van de internationale wateren gestrand in onwil van landen met tegengestelde belangen. Het MSC certificaat is een uitstekend initiatief – ik eet bijna alleen maar MSC gecertificeerde vis – maar ik vrees dat het niet voldoende is om duurzame visserij mondiaal af te dwingen.’

Camiel Derichs, manager Noord Europa van MSC, ziet juist een gouden toekomst voor zijn keurmerk. ‘Hoe terughoudender overheden zich opstellen, hoe belangrijker het MSC certificaat wordt. Op de open zeeën, dus buiten de tweehonderd-mijlszones, zijn internationale verdagen inderdaad vrijwel betekenisloos. Maar de macht van de inkopers geldt er onverminderd. En juist die inkopers willen in toenemende mate duurzaam gevangen vis.’
Het MSC heeft het tij mee, zegt Derichs. Het aantal gecertificeerde vissers groeit gestaag. Elf jaar geleden droeg geen enkele vissersboot het keurmerk, nu zijn bijna tweehonderd visserijen betrokken bij het MSC programma. Zeventig hebben een certificaat, 130 doorlopen het gemiddeld tweejarige certificeringstraject en nog eens tweehonderd visserijen verkeren in het voortraject. Vissers die betrokken zijn bij het MSC programma, vangen gezamenlijk zeven miljoen ton vis, oftewel twaalf procent van de mondiale visvangst die bestemd is voor menselijke consumptie (ongeveer een kwart wordt voer voor vee of kweekvis; zie kader). De helft van alle visvangst wordt in Amerika, Europa en Japan gegeten; met andere woorden: circa een kwart van alle gevangen vis die naar de rijke landen gaat, is duurzaam.
De echte vloedgolf van certificaten moet nog komen, voorspelt Derichs. Supermarkten, waar de meeste vis verkocht wordt, eisen duurzame vis. ‘s Werelds grootste supermarkt, het Amerikaanse Wal-Mart, wil bijvoorbeeld alleen maar duurzame vis in de schappen. Net als de grootste supermarkten in Frankrijk (Carrefour) en Groot-Brittannië (Tesco). De Nederlandse supermarkten willen vanaf volgend jaar alleen wilde vis verkopen als die een MSC keurmerk heeft. Derichs: ‘Alle grote visopkopers zijn om. Het gevolg is dat steeds meer vissers het keurmerk willen hebben, anders kunnen ze niet meer leveren aan de belangrijke spelers. Het omslagpunt is bijna bereikt. Over vijf of tien jaar is vrijwel alle vis in Westerse supermarkten duurzaam gevangen.’
Dat is een bemoedigend vooruitzicht, maar dit perspectief geldt niet voor die andere helft van de mondiale visvangst die naar Azië gaat of lokaal wordt verorberd door veelal arme mensen die niet de luxe hebben om zich druk te maken over zoiets als duurzaamheid. Derichs: ‘Aziatische vissers, handelaren en supermarkten zijn niet wezenlijk anders dan hun westerse collega’s. Weet je wat de belangrijkste redenen zijn om over te stappen op duurzame vis? Voor een aantal partijen vormen oprechte zorgen over de visstand de belangrijkste reden. Maar uiteindelijk kiezen alle partijen ook uit eigen belang voor duurzame vis. Vissers willen ook over twintig jaar werk hebben. Opkopers zijn bang dat ze zichzelf uit de markt prijzen omdat vis zeldzamer en dus duurder wordt. Supermarkten willen lage prijzen, en wilde vis is nu eenmaal goedkoper dan gekweekte vis. Op de lange termijn is duurzame vis de meest economische keuze. Waarom zouden Aziaten dat niet inzien?’
Zelden vielen ecologische en economische motieven zo nauw samen. Dat geldt ook voor Cramer en Jongejan van de IJM 369. Tenminste: als MSC gecertificeerde vis meer oplevert dan reguliere vis. Jongejan: ‘We kijken het een jaar aan, en dan beslissen we of het de investering waard was. Als de consument er niet meer voor wil betalen, heeft zo’n certificaat voor ons niet zo veel zin.’

 

Vis: de stand van zaken
Bijna twintig procent van de belangrijke commerciële vispopulaties zijn overbevist, stelt de Wereldvoedselorganisatie van de Verenigde Naties in haar recentste The State of World Fisheries and Aquaculture, dat alom wordt beschouwd als de belangrijkste wetenschappelijke bron betreffende visbestanden. Daar bovenop is acht procent van die belangrijkste vissoorten uitgeput. Ongeveer de helft is ‘volledig bevist’ met vangsten die nog net als duurzaam kunnen worden beschouwd (de andere helft is op dit moment niet in gevaar). De meeste volledig beviste populaties zwemmen in het noordoosten van de Atlantische oceaan, het westen van de Indische Oceaan en het noordwesten van de Stille Oceaan.
Wereldwijd werken 43,5 miljoen mensen als visser of kweker, waarvan 85 procent in Azië. Inclusief de families van alle werknemers die wereldwijd direct of indirect betrokken zijn bij visvangst en aquacultuur, is een half miljard mensen (een op de twaalf mensen) afhankelijk van het wel en wee van de visbestanden.
Ruim twee miljoen vissersboten bevaren ‘s werelds zeeën, rivieren en meren, waarvan negentig procent kleiner is dan twaalf meter. Er zijn ruim 23 duizend ‘geïndustrialiseerde vissersschepen’. Enkele duizenden hiervan staan nergens geregistreerd en vissen dus illegaal. Dit aantal neemt toe.
Vis wordt steeds vaker gekweekt; ongeveer de helft van alle geconsumeerde vis is niet in het wild gevangen.

 

Wat is duurzame vis?
Het keurmerk van de Marine Stewardship Council (MSC) geldt als de mondiale standaard voor duurzaam gevangen vis. MSC is een onafhankelijke organisatie zonder winstoogmerk, in 1997 opgericht door het Wereld Natuur Fonds en Unilever (destijds de grootste opkoper van wilde vis).
Het belangrijkste doel van het MSC is het voorkomen van overbevissing. Drie principes zijn leidend:
  • Visbestanden moeten gezond blijven (geen overbevissing; niet vissen op te jonge, ondermaatse vis; et cetera)
  • De invloed van de visserij op het ecosysteem moet beperkt zijn (sleepnetten mogen bijvoorbeeld de bodem niet te veel beschadigen)
  • Het visserijbeheer moet goed georganiseerd zijn (zo moet er de mogelijkheid tot adequate controle zijn)
MSC gecertificeerde vissers worden regelmatig onderworpen aan onafhankelijke controles. Overigens is het keurmerk tot op heden alleen toegekend aan vis die bestemd is voor menselijke consumptie. Een kwart van alle gevangen vis is voer voor varkens, kippen of kweekvissen.
Het MSC richt zich alleen op wilde vis. Het kweken van vis kan ook schadelijke milieueffecten hebben, bijvoorbeeld omdat antibiotica in zee terecht komen, de kweekvissen worden gevoed met wilde vis en zo alsnog bijdragen aan overbevissing of omdat gefokte vissen ontsnappen, zich vermengen met wilde vissen en zo nageslacht verzwakken. Het Wereld Natuur Fonds werkt momenteel aan een mondiaal keurmerk voor kweekvis.
Zeven procent van de wereldwijd gevangen vis heeft het MSC keurmerk, en nog eens vijf procent is in de netten gekomen van vissers die het certificeringstraject nog niet hebben afgerond. Het precieze marktaandeel van MSC vis in Nederland is niet bekend; MSC schat dat twintig procent van de vis die in supermarkten wordt verkocht, het keurmerk draagt.
De Nederlandse visserijsector heeft zichzelf ten doel gesteld om in 2012 alle Noordzeevisserij duurzaam te laten zijn. Momenteel zijn, onder andere, alle Nederlandse haring- en makreelvissers MSC gecertificeerd. Van het Nederlandse quotum voor tong is slechts vijftien procent duurzaam gevangen. De scholvissers zijn eind april begonnen aan hun certificeringstraject, dat twaalf tot vijftien maanden kan duren.

© Evert Nieuwenhuis
 
Duurzame visserij
De laatste vis
Evert Nieuwenhuis
Vrij Nederland, 29 mei 2010
De zeeën zijn bijna leeggevist, zeggen milieuorganisaties. Is duurzame visserij de oplossing?
Duurzame visserij in Vrij Nederland
Klik op de afbeelding voor een vergroting

IJmuiden, vijf uur ‘s ochtends. Op een verlaten kade, aan de voet van de vuurtoren, is het pikkedonker en muisstil. Totdat André Jongejan de motor start van de IJM 369, een kleine vissersboot van een meter of tien. Even later bonkt het scheepje op de golven van de Noordzee.
Jongejan is op weg naar de netten die hij twaalf uur eerder uitzette. Hij vist met staand want: een net van tien kilometer lang en een meter hoog. Het want zweeft boven de zeebodem op twintig meter diepte. Zo vangt hij kabeljauw in de herst- en wintermaanden en tong in het voorjaar en de zomer. Vissen met staand want is een eeuwenoude methode, maar geldt sinds kort als een oplossing voor een typisch eenentwintigste-eeuws probleem: overbevissing. In 2020 moet de Nederlandse visserij volledig duurzaam zijn, zo wil het kabinet. In de woorden van demissionair minister Gerda Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: ‘Als we niets doen, valt er over twintig jaar niets meer te vissen’.
Een week geleden zette Jongejan zijn eerste kistjes tong op de kade die het keurmerk mogen dragen van de Marine Stewardship Council (MSC, zie kader). Dat maakt hem officieel een duurzame visser. Maar duurzaamheid zegt Jongejan niet zoveel: ‘Er zwemt hier genoeg vis. Het ene jaar meer dan het andere, dat is altijd zo geweest. Het zou volgens al die biologen slecht gaan met de kabeljauw. Nou, afgelopen winter kon je over de kabeljauw naar Engeland lopen. Ik geloof niet dat een vissoort uitgestorven kan raken. De zee is zo groot, die laatste paar vissen krijg je nooit te pakken.’
Aan bord is ook Rems Cramer, woordvoerder van de kenniskring staand want-vissers, een koepelorganisatie die veel werk heeft verzet om het MSC keurmerk te bemachtigen. Ook hij gelooft niet dat de Noordzee wordt overbevist. ‘Mijn vader ving vroeger schelvis, hier vlak voor de kust. Die vind je hier nu nooit meer, maar de schelvis is helemaal niet uitgestorven. Vissen hebben een staartje hè: soms zitten ze hier, dan weer daar.’
Cramer en Jongejan praten met veel liefde over hun vak. Jongejan vist al dertig jaar, en visserszoon Cramer verruilde tien jaar gelden zijn managersfunctie om weer de zee op te gaan. ‘Vissen is mooi werk’, zegt Cramer. ‘Je bent de hele dag buiten en je hebt je vrijheid. Als visser kun je je jagersinstinct volgen: hoe krijg ik die vis in m’n netten? Waar zullen ze nu weer zitten? Het is altijd weer spannend wat je gevangen hebt.’
Na anderhalf uur varen is de zon opgekomen en komt het ‘stekkie’ van Jongejan in zicht. Het want wordt binnengehaald en Cramer en Jongejan halen met de hand de vissen uit de mazen. ‘Een magere vangst’, zegt Jongejan. Hij knikt naar waar de wind vandaan komt. ‘Noordenwind is nergens goed voor, zeggen wij altijd.’ Er is weinig bijvangst. Een paar scharren (Cramer: ‘Prima visjes, maar consumenten vinden dat er te veel graat in zit’) en wat krabben, die ze met hun vuisten of een hamer kapot slaan zodat ze niet in het net blijven haken. Na ruim twee uur is de vangst aan boord en zet Jongejan koers richting IJmuiden.
Waarom willen Jongejan en Cramer het MSC certificaat hebben? Cramer: ‘We hopen meer geld voor onze vis te krijgen. De prijzen dalen, met name omdat mensen steeds vaker kweekvis eten. Tong is een niche product, een echte restaurantvis. Zo’n certificaat kan de prijs wat opkrikken.’ Als de IJM 369 langs een windmolenpark vaart, draagt Cramer nog een andere reden aan. ‘Wij visserlui verliezen steeds meer terrein op de Noordzee. Aan boorplatforms, pijpleidingen maar ook die windmolens. Daar mogen we ook niet meer vissen, en er zullen nog tientallen van dit soort parken komen. Bovendien wijst de overheid beschermde gebieden aan waar niet gevist mag worden, tenzij je dat duurzaam doet. Met een MSC certificaat hopen we daar toch te kunnen vissen.’
De vijfenveertig Nederlandse staand want-vissers die net als Cramer en Jongejan het MSC certificaat kregen, vangen jaarlijks tweehonderd ton tong, goed voor een procent van het Nederlandse totaal gevangen tong. De 99 procent wordt voornamelijk gevangen met boomkorren, sleepnetten met kettingen die over de zeebodem worden getrokken en daar veel schade kunnen aanrichten. Een klein deel van hen is momenteel bezig om het MSC certificaat te krijgen, wat betekent dat ze bijvoorbeeld andere netten moeten gebruiken of alleen in speciale gebieden mogen vissen.
Om het predikaat ‘duurzaam’ te krijgen, hoefden de staand want-vissers niets te veranderen aan hun werkwijze. ‘We visten al hartstikke duurzaam’, zegt Jongejan, ‘dan kun je dat net zo goed op een papiertje laten schrijven.’ Wel moesten ze vijftienhonderd euro certificeringskosten betalen, waarvan driekwart gesubsidieerd wordt door onder andere het Wereld Natuur Fonds en de gemeenten Velsen en Den Haag. De koepelorganisatie van de staand want-vissers diende een beheerplan in waarin beschreven staat hoe ze de populatie tong in stand willen houden. Regelmatig worden ze gecontroleerd of ze zich houden aan de richtlijnen van MSC.
Rond het middaguur zet Jongejan twee kisten met tong op de kade en een half kistje bijvangst. ‘Zo’n vijftig kilo tong, goed voor vijfhonderd euro’, zegt Jongejan. ‘Ik ben net uit de kosten.’ Aan het eind van de middag, bij uitgaand tij, vaart Jongejan weer uit om nieuw want te zetten.

Zijn Jongejan en Cramer de oplossing voor de mondiale overbevissing? Het is moeilijk voor te stellen dat de paar kistjes tong van de IJM 369 het antwoord zijn op de varende visfabrieken die met hun immense sleepnetten de oceanen zouden leegvissen. Is duurzame visserij onvermijdelijk om de vis in de zeeën te behouden? Of moeten we, zoals Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren wil, helemaal geen vis meer eten?
Eerst de feiten: hoe groot is het probleem van de overbevissing? Milieuorganisaties en wetenschappers zijn verdeeld over de ernst van de situatie. Carel Drijver, maritiem bioloog bij het Wereld Natuur Fonds, noemt de vooruitzichten voor de mondiale visstand ‘dramatisch slecht’. Drijver: ‘Vissen zijn nergens meer veilig. Met sonar en gps weten we elke school en zelfs grote individuele vissen te lokaliseren. Als onze visgronden uitgeput raken, trekken we naar de kusten van Afrika of steeds verder de oceaan op. We vissen al op dieptes van duizend meter met netten waar dertien Boeings in passen.’
Er moet iets gebeuren, zegt Drijver. ‘‘Wetenschappers zeggen dat zonder koerswijziging alle belangrijke commerciële vissoorten rond 2050 zo goed als uitgestorven zijn.’ De milieubeschermer baseert zich op Amerikaans en Canadees onderzoek dat in 2004 in het wetenschappelijke tijdschrift Science werd gepubliceerd. Veel milieuorganisaties verwijzen naar dit onderzoek dat het enige in zijn soort is. Dit vormt echter geen beletsel om de alarmklok te luiden, zegt Drijver: ‘Het Science-onderzoek heeft een mondiaal perspectief, maar talloze onderzoeken naar lokale populaties komen tot dezelfde conclusie. En vraag het de vissers zelf. Ik reis veel, en waar ik ook kom vertellen oudere vissers me dat er veel minder vis is dan vroeger. Onlangs sprak ik in Indonesië een burgemeester van een klein vissersdorpje die vroeger “de vissen moest vragen om plaats te maken” als hij ging zwemmen. Nu moet hij zoeken naar vis. In Senegal vertellen mensen dat er bij hun dorp alleen nog maar de vis is waar ze vroeger hun neus voor ophaalden. In Nederland was er honderd jaar geleden zoveel zalm dat zelfs bediendes van rijke families er schoon genoeg van kregen; nu juichen we als er een zalm in de Rijn is gesignaleerd. Enfin, zo kan ik nog wel even doorgaan.’
Vissers als Cramer en Jongejan die zeggen dat ze niets merken van een dalende visstand, vergissen zich volgens Drijver. ‘Inderdaad, de laatste jaren is er weer wat meer kabeljauw in de Noordzee – dankzij beschermende maatregelen waar wij voor pleiten. En we zijn er nog lang niet. Welke Noordzeevisser heeft nog wel eens een kabeljauw van anderhalve meter in zijn netten, zoals z’n vader ze regelmatig ving?’
Het Canadese New Foundland is het schrikbeeld van elke zeebeschermer. Eind jaren zestig haalden veertigduizend lokale vissers met gemak de alomtegenwoordige kabeljauw uit het water. In 1992 meerde de laatste kabeljauwvisserij aan omdat zijn prooi op was. Drijver: ‘Ik zie nu hetzelfde gebeuren voor de kusten van West-Afrika en met de tonijn in de buurt van Indonesië, bijvoorbeeld. Maar denk ook aan de met uitsterven bedreigde paling. We hebben geen andere keuze dan duurzamer te gaan vissen. Dat betekent bijvangst beperken – circa veertig procent van alle gevangen vis wordt dood overboord gegooid –, beschermde gebieden inrichten als kraamkamers, mazen vergroten zodat jonge vissen zich kunnen voortplanten en vangstquota verkleinen als visbestanden daarom vragen.’

Adriaan Rijnsdorp, specialist visstanden bij IMARES, het maritiem instituut van de Universiteit van Wageningen, vindt dat natuurbeschermingsorganisatie zoals het Wereld Natuur Fonds de noodklok iets te hard luiden. ‘Ngo’s willen graag de voorpagina halen en schreeuwen daarom zo luid mogelijk. Als onafhankelijk wetenschapper kom ik tot een andere conclusie: er is reden tot zorg, maar de situatie is niet catastrofaal. Het wereldwijd leegvissen van de zeeën of het uitsterven van complete vissoorten, is niet aan de orde.’
De mondiale visstanden vertonen een gemêleerd beeld, zegt Rijnsdorp. ‘Enkele kwetsbare soorten lopen gevaar, daar is geen twijfel over. Neem de blauwvintonijn. Zolang een exemplaar van deze zeldzame roofvis in Japan vele duizenden dollars oplevert, is er altijd wel iemand bereid om de laatste uit zee te vissen. Overigens zou dat heel bijzonder zijn, want nog nooit is een vissoort volledig uitgeroeid. Andere soorten dan de blauwvintonijn zullen niet snel uitsterven om de eenvoudige reden dat ze niet genoeg geld opleveren. Als vissen zeldzamer worden kost het steeds meer moeite en dus geld om ze te vangen, en dus haken de vissers met grote vangstcapaciteit af. Met andere woorden: de wal zal het schip keren.’
Milieuorganisaties vrezen dat de ecologische schade die de intensieve visserij ondertussen aanricht, te groot is om tot een volledig herstel van de visstanden te komen. Rijnsdorp: ‘Dat is mogelijk, maar wetenschappelijk gezien is dat geen vaststaand feit. Over het instorten van de kabeljauwpopulatie bij New Foundland is het laatste woord nog niet gezegd. Overbevissing is ongetwijfeld een belangrijke oorzaak geweest, maar er was meer aan de hand, zoals veranderende zeestromingen. Het is niet gezegd dat dit echec elders herhaald wordt. De Noordzee kabeljauw is zwaar overbevist maar het bestand is niet ingestort, waarschijnlijk omdat het ecosysteem complexer en minder gevoelig is dan bij Canada. Bovendien is de kabeljauw bij New Foundland niet uitgestorven, maar het is economisch niet meer rendabel om er op te vissen.’
Evengoed is er ‘wel degelijk wat aan de hand’, zegt Rijnsdorp. ‘Mondiaal gezien is het plafond bereikt van wat de zeeën ons kunnen geven. Visvangst moet als de rente zijn die je over je kapitaal ontvangt, en we teren momenteel in op het kapitaal: de visstanden. We moeten minder en efficiënter gaan vissen.’ Zal het MSC certificaat daaraan bijdragen? Rijnsdorp: ‘Ja, maar het is niet dé oplossing voor het probleem van mondiale overbevissing. Laat ik er eerst iets positiefs over zeggen. Noordzeevis profiteert van het keurmerk, omdat het een toevoeging is op dat rammelende quota-systeem van de Europese Unie. In de gemengde visserij beperken de quota niet de hoeveelheid vis die gevangen wordt; het enige dat minder wordt, is hoeveel vis er aan land wordt gezet. De vangst waar vissers geen quota voor hebben, gooien ze overboord. Quota leiden dus tot extra verspilling. Het zou veel verstandiger zijn als de EU de vissers een beperkt aantal dagen geeft waarop ze mogen vissen. Alles wat de vissers vangen moeten ze rapporteren, zodat ook bijvangst wordt geteld. Het MSC keurmerk is een verbetering ten opzichte van het EU-systeem, omdat het zich primair richt op visbestanden en de gevolgen voor het ecosysteem.’
Helaas zal het MSC keurmerk voorlopig weinig bescherming bieden tegen de grootste bedreiging van de mondiale vispopulaties, denkt Rijnsdorp. ‘De gestaag uitdijende Aziatische middenklasse wil steeds meer vis eten, en ik vrees dat hun honger groter is dan hun milieubesef. Regeringen willen liever binnenlandse onrust voorkomen dan impopulaire maatregelen nemen die vissen duizenden kilometers verderop ten goede komen.’ Met name vissen buiten de territoriale wateren zullen volgens Rijnsdorp het slachtoffer worden van een gestaag toenemende vraag naar vis. ‘Zonder sterke VN-verdragen en streng toezicht op naleving, zijn vissen buiten de tweehonderd-mijlszone (het gebied dat onder nationale jurisprudentie valt; red.) vogelvrij. Tot nu toe is elke poging tot regulering van de internationale wateren gestrand in onwil van landen met tegengestelde belangen. Het MSC certificaat is een uitstekend initiatief – ik eet bijna alleen maar MSC gecertificeerde vis – maar ik vrees dat het niet voldoende is om duurzame visserij mondiaal af te dwingen.’

Camiel Derichs, manager Noord Europa van MSC, ziet juist een gouden toekomst voor zijn keurmerk. ‘Hoe terughoudender overheden zich opstellen, hoe belangrijker het MSC certificaat wordt. Op de open zeeën, dus buiten de tweehonderd-mijlszones, zijn internationale verdagen inderdaad vrijwel betekenisloos. Maar de macht van de inkopers geldt er onverminderd. En juist die inkopers willen in toenemende mate duurzaam gevangen vis.’
Het MSC heeft het tij mee, zegt Derichs. Het aantal gecertificeerde vissers groeit gestaag. Elf jaar geleden droeg geen enkele vissersboot het keurmerk, nu zijn bijna tweehonderd visserijen betrokken bij het MSC programma. Zeventig hebben een certificaat, 130 doorlopen het gemiddeld tweejarige certificeringstraject en nog eens tweehonderd visserijen verkeren in het voortraject. Vissers die betrokken zijn bij het MSC programma, vangen gezamenlijk zeven miljoen ton vis, oftewel twaalf procent van de mondiale visvangst die bestemd is voor menselijke consumptie (ongeveer een kwart wordt voer voor vee of kweekvis; zie kader). De helft van alle visvangst wordt in Amerika, Europa en Japan gegeten; met andere woorden: circa een kwart van alle gevangen vis die naar de rijke landen gaat, is duurzaam.
De echte vloedgolf van certificaten moet nog komen, voorspelt Derichs. Supermarkten, waar de meeste vis verkocht wordt, eisen duurzame vis. ‘s Werelds grootste supermarkt, het Amerikaanse Wal-Mart, wil bijvoorbeeld alleen maar duurzame vis in de schappen. Net als de grootste supermarkten in Frankrijk (Carrefour) en Groot-Brittannië (Tesco). De Nederlandse supermarkten willen vanaf volgend jaar alleen wilde vis verkopen als die een MSC keurmerk heeft. Derichs: ‘Alle grote visopkopers zijn om. Het gevolg is dat steeds meer vissers het keurmerk willen hebben, anders kunnen ze niet meer leveren aan de belangrijke spelers. Het omslagpunt is bijna bereikt. Over vijf of tien jaar is vrijwel alle vis in Westerse supermarkten duurzaam gevangen.’
Dat is een bemoedigend vooruitzicht, maar dit perspectief geldt niet voor die andere helft van de mondiale visvangst die naar Azië gaat of lokaal wordt verorberd door veelal arme mensen die niet de luxe hebben om zich druk te maken over zoiets als duurzaamheid. Derichs: ‘Aziatische vissers, handelaren en supermarkten zijn niet wezenlijk anders dan hun westerse collega’s. Weet je wat de belangrijkste redenen zijn om over te stappen op duurzame vis? Voor een aantal partijen vormen oprechte zorgen over de visstand de belangrijkste reden. Maar uiteindelijk kiezen alle partijen ook uit eigen belang voor duurzame vis. Vissers willen ook over twintig jaar werk hebben. Opkopers zijn bang dat ze zichzelf uit de markt prijzen omdat vis zeldzamer en dus duurder wordt. Supermarkten willen lage prijzen, en wilde vis is nu eenmaal goedkoper dan gekweekte vis. Op de lange termijn is duurzame vis de meest economische keuze. Waarom zouden Aziaten dat niet inzien?’
Zelden vielen ecologische en economische motieven zo nauw samen. Dat geldt ook voor Cramer en Jongejan van de IJM 369. Tenminste: als MSC gecertificeerde vis meer oplevert dan reguliere vis. Jongejan: ‘We kijken het een jaar aan, en dan beslissen we of het de investering waard was. Als de consument er niet meer voor wil betalen, heeft zo’n certificaat voor ons niet zo veel zin.’

 

Vis: de stand van zaken
Bijna twintig procent van de belangrijke commerciële vispopulaties zijn overbevist, stelt de Wereldvoedselorganisatie van de Verenigde Naties in haar recentste The State of World Fisheries and Aquaculture, dat alom wordt beschouwd als de belangrijkste wetenschappelijke bron betreffende visbestanden. Daar bovenop is acht procent van die belangrijkste vissoorten uitgeput. Ongeveer de helft is ‘volledig bevist’ met vangsten die nog net als duurzaam kunnen worden beschouwd (de andere helft is op dit moment niet in gevaar). De meeste volledig beviste populaties zwemmen in het noordoosten van de Atlantische oceaan, het westen van de Indische Oceaan en het noordwesten van de Stille Oceaan.
Wereldwijd werken 43,5 miljoen mensen als visser of kweker, waarvan 85 procent in Azië. Inclusief de families van alle werknemers die wereldwijd direct of indirect betrokken zijn bij visvangst en aquacultuur, is een half miljard mensen (een op de twaalf mensen) afhankelijk van het wel en wee van de visbestanden.
Ruim twee miljoen vissersboten bevaren ‘s werelds zeeën, rivieren en meren, waarvan negentig procent kleiner is dan twaalf meter. Er zijn ruim 23 duizend ‘geïndustrialiseerde vissersschepen’. Enkele duizenden hiervan staan nergens geregistreerd en vissen dus illegaal. Dit aantal neemt toe.
Vis wordt steeds vaker gekweekt; ongeveer de helft van alle geconsumeerde vis is niet in het wild gevangen.

 

Wat is duurzame vis?
Het keurmerk van de Marine Stewardship Council (MSC) geldt als de mondiale standaard voor duurzaam gevangen vis. MSC is een onafhankelijke organisatie zonder winstoogmerk, in 1997 opgericht door het Wereld Natuur Fonds en Unilever (destijds de grootste opkoper van wilde vis).
Het belangrijkste doel van het MSC is het voorkomen van overbevissing. Drie principes zijn leidend:
  • Visbestanden moeten gezond blijven (geen overbevissing; niet vissen op te jonge, ondermaatse vis; et cetera)
  • De invloed van de visserij op het ecosysteem moet beperkt zijn (sleepnetten mogen bijvoorbeeld de bodem niet te veel beschadigen)
  • Het visserijbeheer moet goed georganiseerd zijn (zo moet er de mogelijkheid tot adequate controle zijn)
MSC gecertificeerde vissers worden regelmatig onderworpen aan onafhankelijke controles. Overigens is het keurmerk tot op heden alleen toegekend aan vis die bestemd is voor menselijke consumptie. Een kwart van alle gevangen vis is voer voor varkens, kippen of kweekvissen.
Het MSC richt zich alleen op wilde vis. Het kweken van vis kan ook schadelijke milieueffecten hebben, bijvoorbeeld omdat antibiotica in zee terecht komen, de kweekvissen worden gevoed met wilde vis en zo alsnog bijdragen aan overbevissing of omdat gefokte vissen ontsnappen, zich vermengen met wilde vissen en zo nageslacht verzwakken. Het Wereld Natuur Fonds werkt momenteel aan een mondiaal keurmerk voor kweekvis.
Zeven procent van de wereldwijd gevangen vis heeft het MSC keurmerk, en nog eens vijf procent is in de netten gekomen van vissers die het certificeringstraject nog niet hebben afgerond. Het precieze marktaandeel van MSC vis in Nederland is niet bekend; MSC schat dat twintig procent van de vis die in supermarkten wordt verkocht, het keurmerk draagt.
De Nederlandse visserijsector heeft zichzelf ten doel gesteld om in 2012 alle Noordzeevisserij duurzaam te laten zijn. Momenteel zijn, onder andere, alle Nederlandse haring- en makreelvissers MSC gecertificeerd. Van het Nederlandse quotum voor tong is slechts vijftien procent duurzaam gevangen. De scholvissers zijn eind april begonnen aan hun certificeringstraject, dat twaalf tot vijftien maanden kan duren.

© Evert Nieuwenhuis