vrijdag 1 december 2000 / onzeWereld /

Reportages & interviews

De kalashnikovs van Karamoja

Eeuwenoude stammentwist dreigt door smokkel van kleine wapens en de halsstarrigheid van een verre overheid te ontaarden in een burgeroorlog. “Er was rivaliteit, maar geen oorlog. Er was droogte, maar geen honger. Er waren vijanden, maar er was geen regering.”

De os zakt door z’n hoeven. De droogte is hem te veel geworden. Een groepje herders van zo’n twaalf jaar oud staat er hulpeloos bij te kijken. Hun gewaden wapperen in de hete wind en het stuivende zand schuurt langs hun gezichten. Dit is een slecht teken: áls de os opstaat zal hij daarna nog een keer inzakken, en nog een keer. En als deze os sterft, hoeveel zullen dan volgen? De jongens pakken routineus hun machinegeweren vast als een man op ze af loopt. Niet zo lang geleden stierven op deze plek zo’n tweehonderd herders bij onderlinge gevechten, en met de huidige hongersnood moet je extra op je hoede zijn. Maar de man blijkt van een bevriende clan te zijn en de herdertjes laten hun greep op de geweren verslappen. Samen proberen ze de os weer overeind te krijgen en zowaar: even later loopt de kudde met de verslapte os langzaam de droge steppe in. Maar enkele honderden meters later herhaalt het schouwspel zich. De man die de helpende hand bood, loopt niet meer naar ze toe. “Het heeft geen zin”, verzucht hij, “hun vee zal sterven. En als het niet sterft, zal het geroofd worden.”

Karamoja: één van de meest afgelegen en onaangetaste gebieden in Afrika. De Britten trokken pas in de jaren twintig van de twintigste eeuw het gebied binnen en hebben er nooit vat op kunnen krijgen. De semi-nomaden, die in het regenseizoen met hun vee in traditionele gehuchtjes wonen en in het droge seizoen over de dorre steppe trekken, passen niet in de mal van welke overheid dan ook. Tegenwoordig heeft Kampala, de hoofdstad van Uganda, eveneens weinig op met haar Noordoostelijke provincie. Voor vijfhonderdduizend mensen is er één telefoonlijn en in het regenseizoen is de streek per weg zo goed als onbereikbaar. Aids komt zo goed als niet voor – er zijn nauwelijks contacten met andere volken. Op het piepkleine Ministry of Karamoja Affairs wordt steen en been geklaagd over de weerbarstige landgenoten. Een secretaris: “Wat wij ook proberen, de Karamojong luisteren nooit naar ons.”

De schaarse contacten met de moderne wereld hebben de Karamojong niet veel goeds gebracht. De komst van machinegeweren deed de eeuwenoude veeroof escaleren tot een eindeloze burgeroorlog en holde traditionele gezagsstructuren uit. En momenteel heerst de ergste droogte van de afgelopen tien jaar. Waar vroeger de Karamojong zuidwaarts naar de moerassen trokken om hun vee te laten grazen, verbiedt de overheid tegenwoordig dergelijke migraties. “Mijn voorouders hadden het zoveel beter” verzucht een dorpsoudste van een van de strijdende clans. “Er was rivaliteit, maar geen oorlog. Er was droogte, maar geen honger. Er waren vijanden, maar er was geen regering.”

Zinderende steppe
Mijlenver verwijderd van stenen huizen, uren wandelen over de van hitte zinderende steppe, zit Lokor Lorochom lusteloos voor zijn lemen hut. Hij is oud, de groeven in zijn gezicht zijn diep. Om hem heen zitten wat oude mannen en vrouwen die instemmend knikken als hij praat.

De ere, de gehuchtjes waar de Karamojong wonen tijdens het regenseizoen, zijn leeg. Momenteel is immers het droge seizoen, en de jongens en jonge mannen trekken met het vee over de steppe op zoek naar gras en water. Zij slapen in de awi, de kraals, die enkele dagen lopen verwijderd zijn van hun ere. Als het gras op is, zetten ze hun awi elders op. Het zal nog weken duren voordat de mannen met het vee terug zijn, en dat maakt de situatie voor de thuisblijvers er niet rooskleuriger op. Normaal gesproken eten de Karamojong graan, sorghum en vers getapt koeienbloed vermengd met melk. Maar dit jaar was er zo goed als geen oogst en de voorraden zijn nu al op, lang voordat het vee weer terug is. Wat moeten ze nu eten? De vrouwen en meisjes lopen elke dag naar Moroto om bij de markt en de kerk wat eten bij elkaar te scharrelen. Ondertussen moet het land bewerkt worden voor het volgende seizoen, en vele vrouwen en meisjes zien er dodelijk vermoeid uit.

Lokor Lorochom is somber. “We zijn omcirkeld door vijanden. De Jie, de Bokora en de Tepeth gunnen ons geen druppel water. Waar moeten we heen met ons vee?” Lorochom doelt op de strijd tussen de verschillende clans van de Karamojong onderling en omringende volken als de Jie, de Dodoth en de Turkana. Lorochom is een Karamojong van de Matheniko-clan, en die vechten meestal met de Keniaanse Turkana tegen de alliantie van de Bokora (ook Karamojong) en de Jie. Dan zijn er nog de Tepeth die in de bergen wonen en met name de Bokora als vriend en de rest als vijand hebben. Voor allen is vee van levensbelang en allen roven elkanders vee en bevechten de schaarse graslanden. De droogte heeft de strijd geïntensiveerd.

Spil van het bestaan
Voor de Karamojong is het vee de spil van het bestaan. Koeien en ossen hebben een mystieke betekenis, vormen een brug tussen mensen en de hogere wereld. Elke koe en os heeft een eigen persoonlijkheid, een eigen naam en elk dier wordt op verre afstand door de eigenaars herkend. Voor sommige worden zelfs speciale liedjes geschreven die op religieuze gelegenheden ter ere van de os of koe gezongen worden. Elke strijders heeft een lievelingsos waarmee hij sinds zijn vroege jeugd verbonden is. Die ossen zijn belangrijker dan hun vrouw. Vee is het fundament van de cultuur en het schaarste goed op aarde. Wie meer vee wil – en wie wil dat niet in de kale, droge oven van de steppes – rooft het vee van een ander. Roof je mijn vee? Dan roof ik het terug of ik roof het van een ander.

De strijd om het vee is eeuwenoud en werd in een subtiel evenwicht en met strenge mores gevoerd. Die tijden zijn voorbij: de rivaliteit is geëscaleerd Zo heeft het instellen van lands- en provinciegrenzen de delicate balans ruw verstoord. Lorochom: “Wij roven hun vee en zij roven ons vee. Maar de laatste jaren brengen ze ons vee voorbij de grenzen die de regering hanteert en bewaakt. Vroeger waren die grenzen er niet, en konden we ons vee gewoon terugroven. Het is een oneerlijke strijd: hoe kunnen wij én tegen onze vijanden vechten én tegen de regeringstanks?”

En dan zijn er de kalashnikovs. Toen dictator Idi Amin in 1979 Uganda ontvluchtte, bestormden de Karamojong en hun buurvolken de barakken van het verslagen leger. Die lagen vol met machinegeweren en nu draagt elke mannelijke Karamojong een machinegeweer.

Lorochom roept zijn kleinzoon, die dit seizoen achter is gebleven om de ere te bewaken. Het jochie, niet ouder dan veertien, laat vol trots zijn kalashnikov zien. Lorochom moet erom lachen, maar vervolgt ernstig: “Die machinegeweren hebben ons zoveel ellende gebracht. Wij Karamojong hebben eeuwenoude rituelen en ceremonieën om vrede met onze vijanden te sluiten. Vroeger gebruikten we speren, die maar één man tegelijkertijd doden. Tegenwoordig kan geen enkele ceremonie op tegen de twintig doden van één zo’n machinegeweer. We zullen nooit meer vrede hebben.”

De machinegeweren zorgden ook voor een erosie van de ouderlijke macht. Waar vroeger clanoudsten als Lorochom onomstotelijke autoriteit genoten, luisteren de jongere krijgers met machinegeweer steeds minder naar de oudsten met speer. Het is een onderwerp waar Lorochom liever niet over praat: “Ach, in elke cultuur verliezen ouderen tegenwoordig gezag, in jouw land ook neem ik aan. Maar het is waar, onze zonen negeren onze wil geregeld. Een tijd geleden hadden wij oudsten van de Matheniko vrede gesloten met de oudsten van de Bokora. Maar onze zonen waren het er niet mee eens en begonnen weer te vechten. Voor mijn voorouders was zoiets ondenkbaar.”
Een ere verderop zijn dezelfde geluiden te horen. Net als in alle andere die erom heen liggen.

Hiërarchie
Op de berg Moroto wonen de Tepeth, één van de gezworen vijanden van de Matheniko waar Lorochom toe behoort. De berg geeft een adembenemend uitzicht over de schier eindeloze steppe waar de Karamojong met hun vee rondtrekken. Het lichtbruine landschap is kaal en leeg, met her en der een ere en de karakteristieke dorenstruiken die de nederzetting beschermt tegen hyena’s en vijanden.

Lobur Nyankabong, een oudste, Loduk Lokwang, een krijger, Albert Lodim, eveneens krijger en Nakuwvam, een oude vrouw, zitten onder een boom te wachten als twee motorfietsen met twee jonge, westers geklede Karamojong aan komen rijden. Rose Lochiam Miligan en Peter Ayopo Amodoi werken voor Lutheran World Federation (LWF), een non-gouvermentele organisatie die een brug wil slaan tussen de nomaden en de overheid. Want hoe onderling verdeeld ook, alle Karamojong hebben een gezamenlijke vijand: de overheid.

Rose Miligan van LWF: “Een groot probleem is dat de overheid de traditionele hiërarchie en cultuur van de Karamojong niet respecteert en de clanoudsten zelden betrekt bij het bedenken en uitvoeren van hun plannen. Als er belangrijke besprekingen zijn met politici en andere belanghebbenden, moeten wij ze er regelmatig op wijzen dat enkele cruciale clanoudsten ontbreken. Vaak weten ze niet eens wie ze moeten uitnodigen. Wij kunnen dan helpen, omdat wij goed contact met de oudsten hebben.” Peter Amodoi van LWF: “En dat is hard nodig, want de oudsten kunnen extreem trots en koppig zijn, zo erg dat ze zichzelf in de vingers snijden. In de jaren tachtig was er bijvoorbeeld een groot project waarbij met EU-geld tientallen scholen werden gebouwd. De oudsten werden echter niet betrokken bij het ontwikkelen van de plannen, en vonden dat hun autoriteit niet gerespecteerd werd. Daarnaast vonden ze dat die scholen dingen onderwezen die kinderen helemaal niet nodig hebben, zoals Engels of wiskunde. Gezamenlijk verboden ze de kinderen naar school te gaan – er is niets van het project terecht gekomen.”

Steen en been
De verzamelde Tepeth klagen steen en been over de overheid en geven haar zo ongeveer van alle problemen de schuld. En dat terwijl de overheid juist een bemiddelende rol kan spelen en voor ontwapening kan zorgen. De suggestie zorgt voor enige hilariteit bij het gezelschap.
“De overheid? Die luiaards?” lacht Albert, de Tepeth-krijger. “Als mijn vee geroofd wordt, doet het leger niets. En datzelfde leger wil mij ontwapenen! Als er vrede komt in ruil voor het inleveren van onze wapens, vind ik het prima. Maar wie gaat mijn geroofde vee dan terugbrengen?”

Lobur, de oudste: “De oplossing is dat iedereen tegelijkertijd zijn wapens inlevert. Maar niemand vertrouwt iemand. De Tepeth de Matheniko niet, de Bokara de Turkana niet, en ga zo maar door. Iedereen zal altijd een geweer achterhouden. De overheid kan niet eens ontwapenen, al zou ze dat willen.”

Nakuwvam, de oude vrouw: “Daarom moet de invoer munitie uit Soedan stoppen. Waarom sluit het leger de grens niet af?”
Loduk, de andere krijger: “Dan kopen we onze munitie gewoon van het leger, net als nu gebeurt. Is veel goedkoper ook. Die soldaten willen veel liever extra geld verdienen, en ontwapening zou ze van hun extra inkomsten beroven.”
Albert, de eerste krijger: “Mijn geweer is als een god: het beschermt me. En wie zijn god verlaat, zal door rampspoed getroffen worden.”

Beneden de berg, in het stadje Moroto, woont de Italiaanse priester Bruno Novelli. Hij leeft al dertig jaar tussen de Karamojong, ruìkt als een Karamojong. Naast vuistdikke naslagwerken schreef hij het eerste woordenboek van het Ngikaramojong, de taal van de Karamojong, en onlangs publiceerde hij een boek over hun religie.

Novelli praat met zichtbare opwinding en ontsteltenis over de recente geschiedenis van de Karamojong: “Niemand luistert ooit naar de Karamojong, dat is het grootste probleem. Dat begon al toen de Britten hier in de jaren twintig kwamen: ze waren te trots om ook maar een greintje respect te tonen voor de manier waarop de Karamojong leven. Zo installeerden ze chiefs als vorm van hun befaamde ‘indirect rule’. In het zuiden van Uganda, met z’n hiërarchische sociale verhoudingen, was dat zeer succesvol gebleken. Maar de Karamojong kennen een strikt patriarchaal systeem: de ouderen hebben het voor het zeggen en binnen de raad van ouderen is iedereen gelijk. De Britten benoemden echter ‘collaborerende’ jonge mannen als chief. Dat was de wereld op z’n kop, want voor de Karamojong is het onbestaanbaar dat een jongere vertelt wat een oudere moet doen. Die botsing van denkwijzen alleen al heeft vele mensenlevens gekost. Een andere stommiteit was het oprichten van landsgrenzen die voor de Ugandese Karamojong of de Keniaanse Turkana geen enkele betekenis hebben, maar wel hun traditionele migratiepatronen onmogelijk maakt. En zo kan ik nog vele, vele voorbeelden geven.”

Wantrouwen
Het diepe wantrouwen jegens de overheid dat de Britten bij de Karamojong zaaiden, is na de onafhankelijkheid van 1962 alleen maar gegroeid. De gruwelregimes van de dictators Idi Amin en Milton Obote terroriseerden de Karamojong de volgende twee decennia, variërend van het roven en verkopen van het beste vee aan het buitenland tot het stelselmatig uitmoorden van opstandige dorpjes. Amin vond het bijvoorbeeld beneden de waardigheid van het Oegandese volk dat veel Karamojong naakt lopen, en dus droeg hij het leger op elke naakte Karamojong ter plekke neer te schieten. Met de overwinning van guerrillaleider en huidige president Yoweri Museveni, het best te omschrijven als een verlicht despoot, leek er hoop aan de horizon te gloren. Novelli: “Wij inwoners van Karamoja haalden opgelucht adem: eindelijk een gedisciplineerd leger dat niet uit louter barbaren leek te bestaan. Maar die hoop was van korte duur. Al snel probeerde Museveni de Karamojong, die zich traditiegetrouw tot de tanden toe bewapenen, te ontwapenen. De soldaten konden de wapenvoorraden niet vinden, omdat de Karamojong hun wapens altijd bij zich dragen. Daarom besloten ze maar de vrouwen en oude mannen te martelen waarop een veldslag tussen de Karamojong en de soldaten volgde. Ander voorbeeld: een jaar geleden waren er weer eens grote gevechten tussen verschillende stammen, waaronder de Karamojong, en wat doet het leger? Het schiet vanuit helikopters op alles wat beweegt. Honderden vrouwen, kinderen en koeien stierven. Kortom: Museveni blijkt net zo doof, blind en dom als zijn voorgangers. Niet zo lang geleden heeft Museveni eindelijk toegegeven: ‘Het is hopeloos, houden jullie je wapens maar.’“

Vanaf hun eerste contact met een centraal geleide overheid –de essentie van elke moderne natiestaat– hebben de Karamojong op voet van oorlog met diezelfde overheid geleefd. De kloof lijkt onoverbrugbaar. Neem Samuel Pirin Abura, zelf een Karamojong, en afgevaardigde in het nationale parlement voor de provincie Moroto. Enkele weken geleden is zijn auto en begeleidend konvooi onder vuur genomen door Karamojongkrijgers, maar volgens Abura had dat niets met zijn persoon of functie te maken. Abura: “Ik heb een uitstekende verhouding met de mensen in de gehuchtjes. Ik kom bijna elk weekend vanuit Kampala naar Moroto, en de mensen zijn blij mij te zien. Wij lossen veel problemen voor ze op, en daarom zijn ze blij met ons politici.” De holle praatjes zijn met geen moker te weerleggen. “Nee echt, er is geen kloof” blijft Abura volhouden.

Terrence Sodium Achia is de hoogste vertegenwoordiger in Moroto van de zogeheten ‘Movement’ (de enig toegelaten politieke ‘beweging’ in Uganda, die in de praktijk als een politieke partij functioneert), en daarmee één van de meest vooraanstaande politici in Karamoja. Vanachter een veel te groot bureau in een krakkemikkig gebouwtje raast en tiert hij over de problemen met zijn onderdanen. Achia lijkt iets beter aan te voelen wat de problemen zijn dan zijn collega in Kampala. Achia: “Verplaatst u zich eens in mijn schoenen. Stel dat de Karamojong aangifte doen van een veeroof. Hoe moet de politie dan onderzoek doen? Welke onafhankelijke getuigen zijn er? Welk bewijs is er als er direct een andere roof op dezelfde dieren volgt? En hoe moet ik die rondtrekkende nomaden lokaliseren? Ik krijg vanuit Kampala nauwelijks genoeg benzine voor mijn eigen auto! Nu vraag ik u: is het dan mijn schuld dat de Karamojong geen vertrouwen in de rechtstaat hebben?”

Tegelijkertijd stoort Achia zich aan een ander, fundamenteel probleem. Achia: “Ik ben zelf Karamojong en zie veel goeds in onze oude cultuur. Maar een rechtvaardige cultuur is het niet. Er is geen democratie. De raad van oudsten bepaalt alles voor de nomaden, en wat gebeurt er als die oudsten corrupt zijn? Niets. En wie heeft er op ze gestemd zodat ze de macht verdiend hebben? Niemand. Ik ben gekozen, zij niet. Daarom moeten dorpsoudsten zich niet met politieke zaken bemoeien.”

Later, wandelend door de straten van Moroto, vlak voor zonsondergang als de beukende zon verdwenen is en het zowaar prettig is buiten te zijn, slentert een groepje herders met vee voorbij. Stok en krukje nonchalant over de schouders dragend, karakteristiek voor de Karamojong, praten en lachen ze wat. Het avondlicht maakt Karamoja even de mooiste plaats op aarde. Achia ziet het anders: “Soms denk ik: ze beseffen het niet. We moeten vooruit, moderniseren. We kunnen toch niet eeuwig in hutten blijven wonen en naakt over de steppe dwalen?”