dinsdag 1 november 1994 / Spiegeloog /

Reportages & interviews

De wormen van Castro

De massale uitstroom van Cubaanse bootvluchtelingen naar Florida trekt diepe sporen in de ‘socialistische heilstaat’. Elke Cubaanse student lijkt in de ban van die ene vraag: blijven zonder toekomst of vertrekken met gevaar voor eigen leven? De eerste (buitenlandse) reportage van Evert Nieuwenhuis.

Die dag hing er een merkwaardige sfeer op de Malecón, de kilometers lange boulevard in het centrum van Havana. Zoals gewoonlijk waren er honderden Cubanen die in de zon van hun rum, salsa en geliefden genoten, maar vlakbij het monument voor Antonio Maceo – een van de vele Cubaanse vrijheidsstrijders uit een van de vele Cubaanse vrijheidsoorlogen – stond een groep Cubanen zwijgend naar een hoop hout, touw en autobanden te kijken.

Het nieuws verspreidde zich snel door Havana, van alle kanten kwamen mensen aangesneld in de hoop dat ze niets van het wrakhout zouden herkennen. Waar zijn de eigenaren van het vlot? “Daar”, mompelde een jong meisje, waarbij ze wees naar de lege Straat van Florida.

Nog geen half uur later zou een heel andere groep Cubanen zich bij het monument verzamelen. Ze kwamen met honderden, veelal uitgelaten schoolkinderen, en ze droegen bijna allemaal uniformen met rode insignes. Ze riepen uit volle borst: “Si por Cuba! Si por Cuba!” of “Libre Liberdad Cubano!”

“Daar heb je de Castro Jugend”, zegt een jongen glimlachend. “Ze weten niet wat ze zeggen. Ze weten niet wat er in Cuba gebeurt. Zij hebben geen honger, want hun ouders zijn vooraanstaande partijleden. Welke andere Cubaan gaat er nu dat soort dingen op straat roepen?” De groep neemt langzaam de gedaante van een optocht aan, onder leiding van andere uniformen met megafoons aan hun mond. Ondertussen sluiten steeds meer mensen zonder uniform zich aan. Ook communisten? “Sommigen, maar de meesten niet”, zegt een jongen naast me, die zich Octavio noemt. “Dat zijn gewone trabajodores (arbeiders; EN). Hun baas is waarschijnlijk een partijlid die een wit voetje bij zijn meerderen wil halen. Hij dwingt ze niet letterlijk, maar als ze niet gaan verliezen ze hun baan of erger. In Cuba staat een jaar cel op werkloosheid, terwijl het momenteel bijna onmogelijk is een baan te vinden. Zo gaat dat in Cuba.”

De demonstratie is georganiseerd door de Unión de Jóuenes Communistas en zal naar de Universiteit van Havana gaan, waar het zomerreces nog maar net ten einde is. De demonstranten zijn duidelijk in hun standpunten: vóór Castro en tégen de gusanos (wormen – Castro’s benaming voor de bootvluchtlingen). De stoet is een fraai voorbeeld van Cuba’s paradox – haar flamboyante Caraïbische aard geketend door star en stijf communisme. Vol passie en blijdschap rent de mensenmassa door de straten, maar dan wel precies de rooie vlaggen van de volgauto achterna. Er worden liederen gezongen en leuzen geschreeuwd, ingezet door de uniformen met megafoon. Langs de kant van de weg staan mensen wat beteuterd en verwonderd te kijken.

“Vind je het niet prachtig, al die mensen die El Lidre Maximo blijven steunen?” Xiomara Pérez, éénentwintig jaar en studente farmaceutische scheikunde, zegt het met oprechte trots en blijdschap. Het plein voor het prachtige, Spaans-koloniale hoofdgebouw van de universiteit staat bomvol studenten, burgers, politie en millitairen. Vlaggen, vaandels, spandoeken, gigantische luidsprekers, een podium met Cuba’s populairste salsaband – de UJC pakt uit. Terwijl de massa begint te dansen op Cuba’s lievelingsmuziek (Ace of Base, 2 Unlimited en natuurlijk de salsa), vertelt Xiomara waarom ze demonstreert: “De balseros (een iets respectvollere term voor de bootvluchtelingen; EN) zijn momenteel Cuba’s gevaarlijkste contra-socialistas. Ze ondermijnen de revolutie door weg te gaan. Iedereen heeft het nu zwaar in Cuba, iedereen heeft minder te eten. Maar daarom moet elke Cubaan juist blijven, daarom moeten alle Cubanen samenwerken om aan de toekomst van Cuba te bouwen.” Xiomara wordt onderbroken door opgewonden gejuich achter ons; mannen van middelbare leeftijd in partij-uniformen delen van achter een tafel iets uit. “Grapefruits!” zegt Xiomara met een overweldigende glimlach, “Die hebben we in geen tijden meer gegeten! Kom, snel!”

Bijtend in haar grapefruit vervolgt ze: “Kijk, toen de USSR en de Berlijnse Muur in elkaar donderden, verloor Cuba in één klap vijfentachtig procent van haar handelspartners. Zoiets overleeft natuurlijk geen enkele economie zonder kleerscheuren. We hebben tijd, moed en inzet nodig om dat te boven te komen. Ontwikkeling en hervormingen, daar gaat het om. Maar die luie gusanos vertrekken als laffe honden met hangende pootjes naar Clinton, en ze laten hun eigen Cuba met de brokstukken achter!”

Ondertussen is een vriendin van Xiomara, Laura Vives (tweeëntwintig jaar, studente agrarische wetenschappen), erbij komen staan: “Ik ben zwart en arm. In de Verenigde Staten zou ik nooit kunnen studeren, in Cuba wel. Hier heeft iedereen dezelfde kansen en is iedereen gelijk, in de VS is dat absoluut niet zo, luister maar naar rap-muziek. En dan komt Clinton met al die ghetto’s in z’n eigen land ons de les over vrijheid, gelijkheid en democratie lezen! Ik begrijp niet waar hij het lef vandaan haalt.” Plotseling draaien Xiomara en Laura zich om naar het podium waar een student zojuist onder gejuich zijn toespraak beëindigde. Het Cubaanse volkslied wordt ingezet. Xiomara en Laura pakken lachend elkaars hand en zingen uit volle borst mee. De luidsprekers overstemmen met gemak de kelen van de menigte.

“Natuurlijk noemt Castro mij een worm. Ik ben een gevaar voor hem. Door te vluchten laat ik de wereld zien dat het socialisme is vastgelopen, dat we walgen van Castro en dat Cuba honger lijdt. Denkt Castro soms dat ik hier een vlot sta te bouwen om hem te pesten of zo?”

Playa del Cojimar, tien kilometer ten oosten van Havana. CNN, ABC, Reuter, The New York Times – ze zijn hier allemaal kind aan huis. Hier gebeurt het, dit is één van de Cubaanse stranden waar de exodus plaatsvindt. Hier nemen elke dag tientallen gezinsleden afscheid van elkaar, onwetend of ze elkaar weer zullen zien in de VS, Guantanamo Base, een socialistisch, dictatoriaal of een democratisch Cuba. Of helemaal nooit meer. Radio José Marti, één van de anti-Castro zenders in Miami, leest elke avond de lijst voor met de duizenden namen van de balseros die die dag door de US Coast Guard of de US Navy opgepikt zijn. En elke dag noemt Radio José Marti het percentage dat het überhaupt niet haalt: ruim veertig procent. Van elke tien balseros die ik hier spreek, zullen er vier sterven. Ik weet het – en zij weten het.
Maar Alliendo, tweeëntwintig jaar oud, is enthousiast en uitgelaten, hij heeft er zin in. Na maanden van piekeren en weken van voorbereiding is het dan eindelijk zover. Alsof het geënsceneerd is draagt hij een t-shirt met ‘Fatal Attraction’ erop, “van een Amerikaanse amiga in Havana gekregen” zoals hij later vertelt. Tijdens het met touw in elkaar sjorren van zijn autobanden-vlot, vertelt hij: “Ik heb op de School voor Toerisme gezeten. Iedereen wil in de toeristenindustrie werken, vanwege de fooien in dollars. Maar een tijd geleden werd ineens twaalfduizend pesos per jaar collegegeld gevraagd. Twaalfduizend, terwijl het gemiddelde maandsalaris honderdtwintig pesos is! In Cuba, het land van gelijkheid, moet je eerst betalen om een miezerig baantje te krijgen. Het is duidelijk een truc van de Communistische Partij van Cuba, want alleen partijmensen kunnen dat voor hun kinderen betalen, zodat de schaarse baantjes in de toeristenindustrie binnen de partij blijven. The government is nothing but bullshit. Ik heb hier geen toekomst meer, ik heb hier niets meer te zoeken.”

Het is een drukte van belang op Cojimar, de vlotten en bootjes komen af en aan, vergezeld door tientallen toekijkende Cubanen en journalisten. De afgelopen dagen was het weer te slecht om uit te varen, maar vandaag is de wind afgenomen en daarmee de hoogte van de golven. Alhoewel, in het groepje rond het vlot van Alliendo en zijn acht metgezellen, mengt zich een oude zeeman: “Jullie zijn loco als jullie vandaag gaan! Hier zijn de golven niet zo hoog, maar op zee zijn de golven nog steeds zeven of acht meter! Ik kan het weten, ik heb dertig jaar gevaren en ik zeg jullie: ga vandaag niet!” “In Cuba zijn de golven nog veel hoger” reageert Alliendo laconiek. “Mij kunnen die golven niets schelen, goodbye Cuba, that’s all!” Gejuich en geklap alom. Hoe meer het geheel op een vlot begint te lijken, hoe meer er gelachen en gedronken wordt.

De zeeman neemt me nog even terzijde: “Elke dag loop ik hier rond om ze te helpen. De meesten zijn nog zo jong, ze weten niets van de zee af. Kijk, als ze door de Amerikanen opgepikt worden vlakbij de twaalf mijl-grens, zijn ze één of twee dagen onderweg. Maar anders duurt hun tocht minstens een week. Dit vlotje zal wel even blijven drijven, maar varen zal het nooit. En met deze golven heeft de zee maar een paar uur nodig om het stuk te krijgen. Loco zijn ze, loco.”

Hoe heeft het zover kunnen komen? Waarom verkopen mensen alles, maar dan ook alles wat ze hebben om een een vlotje te kunnen bouwen om met gevaar voor eigen leven als een dief in de nacht hun land te verlaten? Manuel is vijfentwintig jaar oud en studeerde economie in Santiago de Cuba. Op Parque de Céspedes, het centrale plein van Santiago waar dagelijks zowel jonge als oude Cubanen hun avond doorbrengen, legt hij het me uit: “Nu het communisme zo goed als uitgeroeid is in de wereld, heeft Fidel Castro geen vrienden meer. Cuba ontving van de Sovjet Unie meer dan vijfhonderd dollar per inwoner per jaar aan contanten en goederen. Eten, onderwijs, sociale zekerheid of noem het maar op, alles was hier in overvloed. Totdat Gorbatsjov daar een einde aan maakte.

“Daarnaast was, en ìs, er el barque (de economische blokkade; EN), wat betekent dat er maar een paar landen zijn die handel met ons willen drijven, als we ze al kunnen betalen. Dus al meer dan vijf jaar komen er nauwelijks goederen ons land binnen. Fidel rantsoeneerde bijna alle denkbare levensmiddelen, maar de laatste tijd is er gewoon te weinig om onder de bevolking te verdelen. Elke Cubaan die werkt krijgt eten van de overheid, wat ongeveer genoeg is voor vijftien dagen per maand. Ondertussen is er op de zwarte markt en in de diplostores voor enorme bedragen vrijwel alles te koop, mits je dollars hebt. Een pak spaghetti kost daar al gauw drie dollar, terwijl een Cubaans maandsalaris omgerekend iets meer dan één dollar bedraagt. Fidel dacht dit probleem op te lossen door het verbod op het bezit van dollars op te heffen. Maar er zijn voor Cubanen maar twee manieren om aan dollars te komen. De eerste manier is dollars ontvangen van je familie in Miami. De tweede is op de één of andere manier geld los te troggelen van toeristen. En precies hierom is het fout gegaan: door de dollar vrij te geven zijn er twee groepen in Cuba ontstaan. De ene groep heeft wèl de mogelijkheid dollars te bemachtigen en de andere nìet. Die laatste groep lijdt dus echt honger, en precies deze groep verlaat Cuba.

“Dan is er natuurlijk ook de morele teleurstelling, waar eigenlijk elke Cubaan last van heeft. Vóór Fidel was er de dictator Batista die met veel Amerikaanse hulp de bevolking pas echt schofterig behandelde. Fidel heeft de revolutie tegen hem geleid, maar uiteindelijk heeft Cuba op eigen kracht zichzelf bevrijd. Daarna heeft heel Cuba hard gewerkt om het land weer op te bouwen, en we zijn daar in geslaagd, zei het met Sovjet-hulp. Zo was Cuba ooit het land met de laagste kindersterfte ter wereld, om maar een voorbeeld te noemen. We waren trots op ons land en we hadden vertrouwen in de toekomst. Maar nu ligt alles in puin, niets functioneert meer.

“Ikzelf ben ook zeer, zeer teleurgesteld. Ik heb zes jaar onder moeilijke omstandigheden hard gestudeerd, en met succes, ik was goed in mijn studie. En kijk wat er van me geworden is: een ober in een luxe-hotel waar alleen toeristen mogen komen. En welke toekomst heb ik? Waarschijnlijk zal ik m’n hele leven arrogante toeristen moeten bedienen. Maar Cuba zal ik nooit verlaten. Ik ben Cubaan en zal het ook altijd blijven. Ik zou nooit zoals de balseros mijn familie, vrouw en kinderen achter kunnen laten. Ze hebben mij nodig, al was het alleen maar om de fooien die ik van de toeristen krijg.”

Op Playa de Cojimar is voor Alliendo en zijn acht medevluchtelingen het moment van vertrek aangebroken. Na drie uur bouwen is het vlot klaar. Familie en vrienden stoppen de Miami-vaarders nog snel wat dollars, eten en drinken toe. Van één vriend krijgt Alliendo zelfs een duikbril en een harpoen mee, als cadeautje. “Voor als je Castro in de Granma (de naam van de boot waar Castro in ‘56 de revolutie mee begon; EN) tegenkomt!” grapt hij. “Maar snel snel! Je moet gaan, anders wil Clinton je niet meer hebben!” Iedereen lacht, maar al snel wordt het stil. Langzaam tillen ze het gevaarte het water in, geholpen door de zwijgende omstanders.

Als het vlot enkele meters uit de kant is, begint één van de moeders het water in te lopen. Wanhopig schreeuwt en huilt ze dat haar zoon en dochter niet met het vlot mee mogen gaan, dat ze haar niet alleen mogen achter laten. Het desbetreffende meisje en jongen zwemmen vanuit het vlot naar haar toe voor een laatste omarming. Als ze uiteindelijk beginnen te roeien richting open zee is er gejuich en blijdschap bij de achterblijvers. “Eindelijk”, zegt een moeder zachtjes.

Ik zie Alliendo nog eenmaal zwaaien en denk aan wat hij op een lacherige, pathetische manier tegen me zei: “Als ik op zee sterf, sta ik tenminste nog in dat studentenblaadje van je.”