zaterdag 3 maart 2001 / De Groene Amsterdammer / Foto: Karijn Kakebeeke

Reportages & interviews

Het verboden elixer

In Nederland rust een taboe op ibogaïne, een West-Afrikaans wortelextract dat drugsverslaafden voor een lange periode van hun verslaving afhoudt. De overheid is sceptisch, onderzoek is niet lucratief en de verslavingszorg gebruikt liever klantenbindende methoden.

‘Richard komt er zo aan. Hij is nog even wat heroïne aan het roken.’ Hans Post, arts bij het Centrum Maliebaan te Utrecht, moet er een beetje verlegen van lachen. Het blijft immers wat merkwaardig: de legale verslavingszorg die heroïne aan verslaafden verstrekt. Zo’n 625 verslaafden doen mee aan het landelijke onderzoek waarin wordt gekeken of heroïne op medisch voorschrift bijdraagt tot een gezonder leven in psychisch, fysiek en sociaal opzicht. De verslaafde genezen is niet aan de orde - beheersing is het credo. De Centrale Commissie Behandeling heroïneverslaafden (CCBH) voert het omvangrijke onderzoek uit en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport betaalt.

Daar komt Richard binnen. Smoezelige spijkerbroek, rafelige jas en verlegen, snel heen en weer schietende ogen die op alles en tegelijkertijd niets gefixeerd lijken te zijn. Richard valt met de deur in huis: ‘Dus je wilt het over ibogaïne hebben. Jezus man, dat is pas echt bijzonder spul - de enige drug die mijn leven positief veranderd heeft.’

In 1993 gebruikte Richard voor het eerst ibogaïne. Hij was al jaren aan van alles en nog wat verslaafd, en hij had zo goed als alle manieren om af te kicken geprobeerd. Niets hielp. Een vriendin van hem had in New York ene Howard Lotsof ontmoet. Een charismatische man. Lotsof stond internationaal bekend als ‘ervaringsdeskundige’ van harddrugs en was zelf min of meer toevallig van de heroïne afgekomen - dankzij ibogaïne. Die lente was Lotsof in Nederland en via die vriendin kwam Richard met hem in contact. Er was nóg een beroemde man bij Richards ibogaïne-sessie: de Leidse hoogleraar Jan Bastiaans.

Richard vertelt zonder onderbreking in sneltreinvaart over zijn meest memorabele psychedelische trip. ‘Een half uur nadat ik de ibogaïne had geslikt, begon het te werken. Het deed me aan LSD denken, maar toch heel anders. LSD werkt vooral op je zintuigen, terwijl ibogaïne diep in je innerlijk graaft. Tijdens een ibo-trip zijn er verschillende fasen, en in de eerste golf veranderde het plafond in allerlei zachte kleuren, heel mooi allemaal. Mijn aderen begonnen te bruisen alsof er Seven Up inzat en mijn vlees voelde als een aardbei. Maar ik was niet helemaal van de wereld, het was eerder alsof ik sliep, maar dan met vol bewustzijn. Langzaam werd het hallucineren minder en na een uur of acht begon het echte werk: allerlei belangrijke maar ook minder belangrijke gebeurtenissen uit mijn leven trokken aan me voorbij. Ik herinnerde het me niet zomaar, nee, ik voelde alle emoties die erbij hoorden alsof ik het allemaal echt meemaakte. Ik zag mijn opa, mijn oma, mijn ouders en andere belangrijke mensen uit mijn jeugd en puberteit. Ik beleefde alles weer door mijn ogen van toen. Het leek wel alsof alle kennis, en ja, hoe noem je dat, alle gedragsregels die ik in mijn leven aangeleerd heb aan me voorbijgingen. Het was totaal onvergelijkbaar met alle middelen die ik ooit gebruikt heb. Ibogaïne gaat diep je ziel in - heel diep. Je gaat terug naar cruciale ervaringen. Dope laat je vervreemden van je familie, je opvoeding, je persoonlijkheid. Ibogaïne bracht me terug naar het echte leven.’

Het meest curieuze van de ibo-trip moest nog komen. Na anderhalve dag liep Richard naar buiten, de stralende lentezon in. Hij voelde zich anders: hij merkte dat hij geen behoefte had aan heroïne. En dat hij geen enkel afkickverschijnsel had - zelfs sigaretten lonkten niet. Als een bijbelse genezing was Richard van zijn jarenlange verslaving verlost. Richard: ‘Jezus man, het was ongelooflijk. Mijn verslaving was helemaal weg! Een diepe rust daalde in me neer. Echte rust, niet de vluchtige rust die je hebt nadat je je shot hebt gehad. Bij junks is heroïne het een na belangrijkste in het leven. Als je niet ademt ga je direct dood, daar ontkom je niet aan. Daarna komt heroïne, het allerbelangrijkste in dit melkwegstelsel, belangrijker dan water of eten of wat dan ook. Na de trip was ik een gewoon mens, geen heroïne verslindende machine. Ibogaïne had als het ware mijn harde schijf gedefragmenteerd.’

Het louterende effect hield langer aan dan die ene dag. Richard: ‘Minstens een half jaar. Ik kwam nog weleens bij mijn oude dealers thuis, en dan zag ik al die junks liggen en hangen, net lege brievenbussen waar een pakketje bevrediging in geschoven moest worden. Ik rook de heroïne, ik zag mijn vrienden in hun roes - en het deed me niets.’

Ibogaïne is een wortelextract uit het West-Afrikaanse Gabon met zeldzaam helende krachten. In de Bwiti-cultus heeft ibogaïne een welhaast goddelijke status. Bwiti is de gemeenschappelijke voorouder en een intermediair tussen leven en dood. Ibogaïne plaveit de goddelijke weg naar Bwiti. Verschillende Gabonese stammen gebruiken het heilige elixer in spirituele ceremonieën waar het in lage doseringen opwekt tot nachtenlang extatisch dansen. Bij de initiatieriten voert ibogaïne de jongelingen naar Bwiti, en de ibo-trip dient als lakmoesproef voor de volwassenheid. Want ongevaarlijk is het bovennatuurlijke poedertje, getrokken van de iboga-struik die in het West-Afrikaanse oerwoud groeit, bepaald niet: de trip kan uiterst confronterend en uitputtend zijn. Een te hoge dosis leidt tot de dood.

Ook buiten Afrika kent ibogaïne legers devote volgelingen. Het psychedelicum is sinds 1864 in het Westen bekend en werd reeds in de jaren twintig als geneesmiddel gebruikt. Heden ten dage geldt vooral Howard Lotsof als de grote pleitbezorger. Lotsof experimenteerde in de jaren tachtig met het middel en ontdekte dat ibogaïne niet alleen in staat is verslavingen aan opiaten als heroïne en cocaïne te verslaan, maar ook die aan nicotine en alcohol, terwijl ibogaïne zelf niet verslavend zou zijn. Lotsof kwam haast als vanzelf terecht bij de Nederlandse psychiater Jan Bastiaans (1917-1997), die wereldwijd furore had gemaakt met zijn LSD-therapiën voor getraumatiseerde oorlogsslachtoffers. Terwijl de LSD de patiënt liet hallucineren, draaide Bastiaans grammofoonplaten met opzwepende speeches van Hitler, zodat de patiënt de traumatische ervaringen kon herbeleven en uiteindelijk verwerken. Het was dan ook de hallucinerende werking van ibogaïne die Bastiaans’ interesse wekte, want volgens sommige (ibo-)therapeuten zijn het traumatische ervaringen of slechte relaties met bijvoorbeeld ouders die de verslaving veroorzaken.

Is ibogaïne het lang gezochte wondermiddel om junks van hun verslaving te verlossen? Nee, zegt Frank Leenders, werkzaam bij het Utrechtse Centrum voor Verslavingsonderzoek (CVO). Leenders deed literatuuronderzoek naar ibogaïne. Leenders: ‘Ibogaïne heeft bijzondere, geneeskrachtige kwaliteiten, maar het is geen wondermiddel. De intense ibogaïne-ervaring is zeker niet geschikt voor iedere verslaafde.’ Maar de verslavingszorg moet ibogaïne niet blind van de hand wijzen. Leenders: ‘Juist de onderbreking van de verslaving, die ibogaïne teweegbrengt, is zeer waardevol. Het geeft de verslaafde een time-out om aan zijn of haar problemen te werken. Psychotherapie, het vinden van een baan, ondervinden hoe het leven is zonder verslaving, het zijn allemaal positieve zaken die tijdens die time-out wortel kunnen schieten. Bij de reguliere afkickmethoden gaat dat veel moeilijker. Los van de veronderstelde helende werking van de psychedelische trip en de zogeheten rebirth staat vast dat de afkickverschijnselen verdwijnen, die voor veel junks juist een reden zijn om niet clean te worden. Neem de gebruikelijke, ernstige depressie die na het afkicken volgt door de verstoorde serotoninehuishouding in de hersenen; bij een ibogaïne-sessie is die niet aan de orde.’ Leenders ziet ibogaïne dan ook als een welkome aanvulling op het bestaande arsenaal van behandelmethoden: ‘Serieus onderzoek is wel het minste dat ibogaïne verdient.’

In Nederland rust echter een groot taboe op ibogaïne. Vrijwel iedereen in de professionele verslavingszorg kent het middel, maar niemand piekert erover het helende hallucinogeen voor te schrijven. Harry Kuiper, woordvoerder van het Boumanhuis te Rotterdam: ‘Wij zijn niet geïnteresseerd in ibogaïne. De bijwerkingen zijn te riskant.’ Peter Geerlings, eerste geneesheer bij de Jellinekkliniek te Amsterdam: ‘ibogaïne is geen bruikbaar alternatief voor de huidige behandel methoden. Maar belangrijker: ik mag geen verboden middelen gebruiken, dat lijkt me duidelijk.’

Gebruik van ibogaïne is in Nederland inderdaad niet toegestaan, zoals elk medicijn waarnaar niet voldoende onderzoek is gedaan. Dat het in Nederland echter niet onmogelijk is onderzoek te doen naar verboden middelen, bewijst voornoemd landelijk heroïneonderzoek. Toch komt onderzoek naar ibogaïne in Nederland maar niet van de grond.

De Nederlandse huiverigheid voor ibogaïne wordt vooral gevoed door de dood van de Duitse Nicole K. In 1993, enige maanden na de ibo-sessie van Richard, voerden Bastiaans en Lotsof een onderzoek uit waarin heroïneverslaafden ibogaïne toegediend kregen en onder videobewaking werden opgesloten in hun kamer van het Oegstgeestse hotel Het Witte Huis. Het was het eerste (quasi-wetenschappelijke) onderzoek in Nederland waarbij mensen ibogaïne kregen. Het ging vreselijk mis: Nicole K. overleed en Bastiaans werd voor het medisch tuchtcollege gedaagd. Volgens Bastiaans en Lotsof werd de dood niet door ibogaïne veroorzaakt, maar door het shot heroïne dat Nicole K. zich in weerwil van de expliciete instructies toediende. Wat er precies is gebeurd, bleef uiteindelijk onbekend, te meer daar het autopsierapport geen doods oorzaak aanwees en de zaak nooit daadwerkelijk voor de tuchtcommissie is gebracht. Desalniettemin werd in 1994 een onderzoeksaanvraag van het Psychiatrisch Centrum Bloemendaal geweigerd onder verwijzing naar de dood van Nicole K.

In de Verenigde Staten wordt heel anders over ibogaïne gedacht. Vorig jaar november organiseerde de prestigieuze New York University (NYU) een symposium over ibogaïne. Professor Kenneth Alper, verbonden aan de afdelingen Psychiatrie en Neurologie van de NYU, was de initiatiefnemer. Alper: ‘Het grootste nadeel van ibogaïne zijn ironisch genoeg niet de vermeende negatieve bijwerkingen, maar de sterke polariserende reacties die het oproept. Er zijn fanatieke volgelingen en fanatieke kruisvaarders. Beide houdingen zijn verwerpelijk. Wij hebben de conferentie belegd omdat wij serieuze, onafhankelijke, wetenschappelijke interesse in ibogaïne willen stimuleren. Alle grote verslavingsonderzoekers waren op de conferentie aanwezig, en die zaten daar natuurlijk niet voor niets.’

Alper erkent dat er nog veel vragen te beantwoorden zijn (hoe werkt ibogaïne?, welke dosering is het meest effectief?, wat is de beste begeleidende therapie?), maar er zijn volgens hem meer dan genoeg aanwijzingen om onderzoek met menselijke verslaafden uit te voeren. Alper: ‘Naast het vele, indrukwekkende anekdotische materiaal van individuele verslaafden zijn er verschillende onderzoeken gedaan met aan morfine verslaafde ratten die na toediening van ibogaïne geen of nauwelijks verslaving meer toonden. Daarnaast is er aan de universiteit van Miami een degelijk onderzoek met menselijke verslaafden gedaan. Door geldgebrek kon er geen vervolgonderzoek komen, maar de resultaten waren veelbelovend. Zelf heb ik ook een onderzoek met 32 verslaafden gedaan en binnenkort hoop ik een soortgelijk onderzoek te beginnen.’

Dat het onderzoek met ibogaïne extra gevaarlijk zou zijn, wijst Alper van de hand: ‘Geen enkel klinisch onderzoek is zonder risico. Als je je daardoor laat afschrikken, kom je nooit verder. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat een dosering die gebruikelijk is bij een ibogaïne-sessie geen hersenbeschadiging oplevert. Mijn universiteit heeft een naam hoog te houden, en ze heeft mijn onderzoeksvoorstel voor mijn nieuwe, klinische onderzoek goedgekeurd. Ik hoef alleen nog maar een geldschieter te vinden.’

Geld is een van de grootste problemen van ibogaïne-onderzoek. Want wie wil er nou onderzoek naar een anti-verslavingsmiddel financieren? De farmaceutische industrie is er niet al te happig op. Aan ibogaïne valt weinig te verdienen omdat een therapie uit hooguit vier ibogaïne-sessies bestaat. Het verslavende methadon - in de jaren twintig uitgevonden en door de nazi’s herontdekt die het onder de naam Adolfine gebruikten ter vervanging van het schaarse morfine - is bijvoorbeeld veel lucratiever, omdat het in een therapie veel en veel vaker wordt toegediend. Daarnaast is ibogaïne een plantenextract, en daar valt geen patent op aan te vragen. Investeren in onderzoek wordt dan filantropie, en daarin blinkt de farmaceutische industrie niet uit. Een protocol voor een therapie is wel te patenteren, maar dat heeft Lotsof al gedaan. Blijft over: de overheid als geldschieter.

Professor Wim van den Brink, gespecialiseerd in verslavingszorg en verbonden aan het Academisch Medisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam, heeft daar weinig vertrouwen in. Van den Brink: ‘Naast het heroïne onderzoek loopt een groot methadononderzoek. Ook wordt er onderzoek gedaan naar de effecten van afkicken onder narcose. Ik zie het ministerie voorlopig niet nog meer onderzoek financieren. Daarnaast kan grootschalig onderzoek met ministeriële financiering alleen plaatsvinden na degelijk, preklinisch onderzoek waarbij de noodzakelijke en veilige dosering komt vast te staan. Dat soort onderzoek is heel duur en wordt eigenlijk alleen maar door de farmaceutische industrie gefinancierd.’

Een grof schandaal, meent Erik Fromberg, die werkzaam was bij het Trimbos Instituut en het Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs. Jarenlang pleitte hij voor serieus onderzoek naar ibogaïne. Het nieuws dat de NYU onderzoek gaat doen, noemt hij ‘een doorbraak’. Fromberg: ‘Dat er in Nederland nooit fatsoenlijk onderzoek naar ibogaïne is geweest, komt door de grote schijterigheid van de Nederlandse overheid en verslavingszorg. Alles wat riekt naar hallucinogene middelen wordt hier “zeer eng” gevonden. Het is dezelfde angst die de gevestigde orde in de jaren zestig had voor LSD. Dus geven we onze junks methadon, want dat houdt ze lekker suf. We denken dat we het Mekka zijn voor verslavingszorg, maar onze nek uitsteken met controversiële experimenten, ho maar.’

Daan van der Gouwe, medewerker van het Landelijk Steunpunt Drugsgebruikers, kan zich in Frombergs woorden vinden. ‘Ik ken zeer weinig drugsgebruikers die over methadon positief zijn. Je wordt er dof van en het werkt veel verslavender dan heroïne. En juist daarom verstrekken de verslavingsinstellingen methadon: ze binden op die manier verslaafden aan zich, zodat ze zicht op hen houden Èn tegen hun bazen kunnen zeggen: ik heb veel klanten, ik ben succesvol, en dus wil ik meer geld hebben. Ibogaïne gaat daar lijnrecht tegenin.’

Richard slurpt van zijn kopje thee. Hij vertelt dat het de laatste tijd heel goed met hem gaat; hij voelt zich in balans, heeft grip op zijn leven. Een opmerking van zijn arts Hans Post heeft hem geïrriteerd. Post had gezegd: ‘In de Verenigde Staten zie je een omslag in de interesse voor ibogaïne, maar het zal nog wel minstens tien jaar duren voordat we echt goed onderzoek zien. Zo ging dat ook met het onderzoek naar afkicken onder narcose. Want ja, verslavingszorg blijft natuurlijk een beetje geneeskunde aan de rafelranden van de maatschappij - dat geldt zowel voor junkies als voor onderzoekers. In mijn somberste momenten denk ik: het zal de overheid worst zijn of junkies verslaafd zijn of niet, zolang ze maar geen last veroorzaken. En dan biedt het verstrekken van heroïne en methadon een optie. Het is bijna Aldous Huxleys Brave New World: verdoof de kansarmen, dan heb je er geen last van.’

Richard: ‘Tja, daar word je niet vrolijk van. Ik denk de laatste tijd steeds vaker aan ibogaïne. Ik zou het graag weer willen gebruiken, want ik voel dat dit een goed moment is. Ik ben klaar voor een nieuw leven. Maar ja, dat zit er voorlopig niet in.’

De naam Richard is om privacyredenen verzonnen.