zaterdag 27 januari 2007 / NRC Handelsblad / Foto's: Evert Nieuwenhuis

Reportages & interviews

In een terreinwagen van marktplaats.nl naar Timboektoe

Woestijnrovers en zandstormen kunnen Evert Nieuwenhuis niet afschrikken. Hij moet en zal naar Timboektoe met een oude terreinwagen, want hij wil daar miljonair worden door de auto te verkopen.

(km 0) N52°22’50” E4°52’59” – Amsterdam
“Timboektoe? Bestaat dat echt?” Ook in onze vriendenkring leeft de mythe van Timboektoe. Eeuwenlang waren Europeanen gefascineerd door verhalen over de onvindbare woestijnstad. Het El Dorado van de Sahara zou zo rijk zijn dat de moskeeën met goud bedekt waren en vijfentwintigduizend geleerden er op kosten van de sultan studeerden. Minstens veertig Europese ontdekkingsreizigers moesten hun nieuwsgierigheid met de dood bekopen. Pas in 1826 kon de eerste Europeaan zijn reis naar Timboektoe navertellen.

Ook nu is een reis naar de legendarische Malinese stad niet zonder gevaar. Amerikanen hebben er een uitvalbasis voor terrorismebestrijding. In de woestijn ten noorden van Timboektoe dwalen roofzuchtige Touaregs rond die met de loop van hun kalashnikov een terreinwagen bemachtigen. Maar ook wij kunnen onze nieuwsgierigheid niet bedwingen en besluiten met z’n drieën in twee terreinwagens naar Timboektoe te rijden, dwars door de Sahara.

Op www.marktplaats.nl zien we onze auto staan: een Toyota Land Cruiser LJ70 Turbodiesel. Bouwjaar 1987, ruim 330 duizend kilometer op de teller. De carrosserie roest behoorlijk, motor en versnellingsbak lekken olie en hij staat scheef vanwege een doorgezakte vering. We weten af te dingen naar 1550 euro. Een redelijke prijs, temeer daar we onze auto in Timboektoe willen verkopen. Land Cruisers zijn naar verluidt zeer geliefd in West-Afrika en staan te boek als praktisch onverwoestbaar en gemakkelijk te reparen vanwege de meccano-achtige bouw. Onze reisgenoot reist zo’n vijftien jaar in West-Afrika en heeft daar al heel wat auto’s verkocht. “Deze verkoop je in Timboektoe met gemak voor drieduizend euro”, belooft hij.

Een paar maanden later rijden we de straat uit. Nog voor we de snelweg oprijden, dient het eerste technische mankement zich aan: de motor stop niet als je de sleutel uit het contact haalt. Pas in Zuid-Frankrijk leren we hoe de motor uit gaat: door de achterruitwisser aan te zetten.

(km 2498) N36°5’11” W5°23’19” – Straat van Gibraltar
De overtocht door de Straat van Gibraltar duurt nauwelijks langer dan Den Helder-Texel. Op het dek van de veerboot verbazen we ons erover hoe dicht Europa en Afrika bij elkaar liggen – beide continenten passen op één foto.

De schrikverhalen over het klaren van een auto door de Marokkaanse douane worden ons bespaard. De dienstdoende douanier is meer geïnteresseerd in een “stylo pour les enfants” dan in een volledig ingevuld chassisnummer. Binnen een kwartiertje rijden we Tanger in.

Vanaf Tanger is het simpelweg kilometers vreten. Met name in het zuiden van Marokko en West-Sahara is het oersaai. Dagenlang rijden we over een eindeloze tweebaans asfaltweg door vlak en leeg landschap. Soms passeren we kaalgeplukte autowrakken. De muziek gaat wat harder om niet in slaap te vallen.

(km 4765) N20°54’28” W17°3’11” – Nouadhibou
Na de Marokkaanse grens houdt de asfaltweg op en moet je de weg naar de Mauritaanse grenspost zelf maar vinden. Een wirwar van paadjes en zandweggetjes krioelt langs uitgebrande autowrakken, hutjes en nomadententen. Wegwijzers zijn in geen velden of wegen te bekennen. Wie verstandig is, huurt een peperdure gids in om niet in het mijnenveld terecht te komen. Maar de ervaren reisgenoot kent de route van vorige reizen, en dus wuiven we vriendelijk naar de wachtende gidsen. Helemaal gerust zijn we niet: wie wil verdwalen in een mijnenveld?

In Nouadhibou, de meest noordelijke kuststad van Mauritanië, bereiden we ons voor op de eerste etappe in de woestijn. We proberen het olielek weer eens te dichten, slaan onze watervoorraden in en de brandstoftank en de jerrycans worden tot en met het laatste druppeltje gevuld – een specialiteit van Afrikaanse pompbedienden.

We rijden Nouadhibou uit, op weg naar onze piste. Een piste is een route door de woestijn die nederzettingen, bronnen en steden met elkaar verbindt. De meeste pistes worden al eeuwen en soms duizenden jaren bereisd door handelskaravanen. Soms is een piste een soort karrenspoor waarvan je niet kunt verdwalen, soms zijn ze nauwelijks te onderscheiden van de rest van het landschap. In speciale reisgidsen worden pistes beschreven, inclusief de lengte- en breedtegraden van locaties waar de pistes langskomt. Met behulp van kaart en gps vind je zo je weg door de woestijn.

De hutjes van de laatste nederzetting verdwijnen uit ons achteruitkijkspiegeltje. Langzaam openbaart zich de grote leegte van de woestijn. Hier is niets anders dan zand, zand, zand.

Maar niet voor lang: in dit gedeelte van de Sahara verandert het landschap verrassend snel. Zandvlaktes worden duinen, die weer plaatsmaken voor bergen of kleine rotsformaties. Soms is het zand zacht en rul, even verderop is de ondergrond zo hard dat je met gemak tachtig kilometer per uur kunt rijden. Het leukst zijn de duinen: flink gas geven, razendsnel terugschakelen als het toerental te laag wordt en dan maar hopen dat de motor genoeg kracht heeft om de top te halen. Opletten dat je bovenop de duintop zo goed als stil staat, want je moet recht naar beneden rijden om niet te kantelen. Euforie maakt zich van ons meester – dit is kicken. Een diepgewortelde kinderwens is vervuld: de wereld als een grote zandbak.

Maar dan gebeurt het onvermijdelijke: we zitten vast. Hoe meer gas we geven, hoe dieper de wielen zich ingraven. Ook de ervaren reiziger rijdt zich vast in dit meertje van zacht zand. Er zit niets anders op dan de wielen uit te graven, de ijzeren zandplanken onder de wielen te schuiven en naar achter te rijden tot de auto weer vast zit. Voor elke halve meter ben je een kwartier aan het graven en sjouwen met zware ijzerplaten. Het duurt niet lang of de ervaren reisgenoot begint te vloeken. “Je komt altijd vast te zitten op het heetst van de dag. Nooit eens vroeg in de ochtend of zo.”

Heet is het zeker. De thermometer wijst 45,6 graden aan. Na een halfuurtje graven draait de wereld voor je ogen en wil je niets anders dan schaduw. “Vergeet niet minstens een liter water bij te drinken”, roept de ervaren reisgenoot ons toe als we eindelijk wegrijden. “En neem een flinke hap zout, om te compenseren wat je hebt uitgezweet.”

(km 5063) N21°12’44” W15°37’53” – The middle of nowhere
De zon gaat onder, het licht wordt zachter en de woestijn koelt af. Bij wat rotsen en duinen zetten we onze tenten op. We drinken de veel te warme wijn, proberen de vliegen te negeren (wat doen die eigenlijk als wij hier niet zijn?) en kijken naar de ondergaande zon, de rode duinen en de eindeloze vlakte.

Sprakeloos zitten we naast elkaar.

Nog voor de zon onder is, steekt een stevige wind op. De ervaren reisgenoot begint weer te vloeken. “Een zandstorm. Dat betekent zand in je eten en drie dagen lang zand uit je oren peuteren.” Niet lang daarna vloeken wij ook.

De volgende ochtend worden we wakker van de eerste lichtstralen. Het is windstil en de woestijn is weer net zo bloedstollend mooi als de avond ervoor. Lang kunnen we er niet van genieten, want in een mum van tijd staat de zon hoog genoeg om schaduw tot een eerste levensbehoefte te maken. We drinken snel onze koffie op en keren terug naar de piste.

De volgende dagen rijden we over zandvlaktes, duinen, bergen, hoogvlaktes en kilometerslange, keiharde ‘wasbordjes’ die bijna elke moer in de auto doen los trillen. We drinken thee bij nomaden en horen ‘s nachts kuddes kamelen brullen en hun herders zingen. In de wat grotere plaatsjes overnachten we in ‘auberges’ waar we douchen, uitrusten en eten. Om daarna weer voor drie, vier dagen in de woestijn te verdwijnen.

(km 6569) N16°36’39” W7°16’13” – Nema
Nema is de laatste plaats voor Timboektoe. Hier moeten we ons paspoort bij de Mauritaanse douane afstempelen omdat we ergens in de woestijn de grens met Mali zullen passeren. We melden ons in een groot gebouw zonder meubels. Her en der lopen, zitten en liggen politieagenten. Het is een uur of twee in de middag, het warmste uur van de dag.

Paspoorten stempelen doet alleen de chef, maar die is er niet. “De chef is thuis aan het slapen”, zegt een van de agenten. “Kom, ik breng je naar zijn huis.” De chef woont in een groot huis met een groot erf. Ook hier lopen, zitten en liggen overal mensen. Niemand durft de chef wakker te maken, en dus kijken we met zijn kinderen naar dvd’s met de mooiste goals van Ronaldinho. Ze vragen of we een dvd van Van Nistelrooij willen opsturen.

Dan is de chef wakker. We rijden terug naar het lege kantoor en de chef schrijft onze namen in een groot boek. “Willen jullie echt naar Timboektoe?” vraagt de chef. “Het is een gevaarlijke rit, dat weten jullie toch? In de woestijn zijn veel Touaregs die auto’s stelen. Hier in Mauritanië doen ze niets, maar in Mali...”

Als we naar buiten lopen, probeert de ervaren reisgenoot ons gerust te stellen. Hij is tien jaar geleden beroofd door Touaregs. “Vervelend, maar niet gevaarlijk”, zegt hij. “Zo verloopt een typische overval: opeens staan er een paar rovers voor je, zwaaiend met hun machinegeweren. Je stopt. Veel kabaal, geduw en getrek, maar als je meewerkt, worden ze snel een stuk vriendelijker. Ze gaan naast je in de auto zitten en vertellen welke kant je op moet rijden. Dan moet je uitstappen en vertellen ze hoe je verder moet lopen naar het volgende dorp. Je krijgt wat water mee en dan rijden ze weg. De bewoners in de oase helpen je naar de bewoonde wereld terug te keren en in Nederland wordt de schade keurig vergoed door je reisverzekering.”

Later, in de woestijn, zijn we er nog niet helemaal gerust op. De ervaren reisgenoot ook niet helemaal, overigens. Die rijke nomade bij wie we thee dronken en die zo geïnteresseerd was in onze route, is die wel helemaal te vertrouwen? Hij zag er behoorlijk louche uit, met z’n satelliettelefoons en die dure terreinauto’s. Ongetwijfeld een smokkelaar, maar hij zou ons toch niet aan roverbendes verklikken? Wanneer we ’s avonds in de verte autolampen zien, doen we snel onze zaklampen uit en houden we ons stil.

(km 7023) N16°46’30” W3°0’42” – Timboektoe
De volgende ochtend rijden we Timboektoe binnen. De legendarische woestijnstad heeft zijn gouden glans verloren. Timboektoe is nu een gemoedelijk, lieflijk en vooral stoffig woestijnplaatsje. Maar veel tijd krijgen we niet om de stad te verkennen. We hebben nog geen tien stappen gezet of de eerste kopers dienen zich aan. Eerst even inchecken in het hotel en douchen, zeggen we. Dat wordt ons gegund, maar de laatste van ons is nog niet uit de douche of er wordt op de kamerdeur geklopt. “Meneer? Wilt u uw auto nog verkopen? Ik wacht buiten op u.”

Binnen een uur staan we in de schaduw van een boom en zijn de onderhandelingen begonnen. De tussenpersoon van de autohandelaar, die al het werk doet, is nerveus. Hij wil zo snel mogelijk een deal sluiten en verzint de meest ongeloofwaardige verhalen waarom de koop nog deze ochtend beklonken moet worden. Zoveel haast zijn we nog nooit tegengekomen in Afrika. Waarschijnlijk wil de tussenpersoon voorkomen dat we met iemand anders onderhandelen – als we gaan lunchen stuurt hij zijn hulpjes mee. Die houden iedereen bij ons uit de buurt.

Opvallend genoeg is niemand geïnteresseerd in de technische staat van onze auto’s. Half kreupel reden ze Timboektoe binnen: de Land Cruiser van de ervaren reiziger heeft een gebroken chassisbalk, danst over de piste vanwege een kapotte schokdemper en de doorgerotte uitlaat maakt een kabaal van jewelste. Onze auto heeft nog altijd meerdere olielekken en we vermoeden dat een van de vier cilinders niet meer meedoet. Maar het enige dat de hulpjes doen is tegen de banden schoppen, het interieur bekijken en de motor starten.

Na twee uur onderhandelen besluiten we het bod van 2,1 miljoen CFA (€3.200) te accepteren – ruim twee keer meer dan we voor de auto betaalden. Het duurt nog een paar dagen met vele verhalen en excuses voor we de stapels geldbiljetten kunnen ruilen voor de autosleutels. Maar dan kunnen we ons miljonair noemen. En hoewel we zeker zijn dat die autohandelaar onze terreinwagen voor meer geld zal verkopen, proosten we op het hotelterras: “Eindelijk eens geld verdiend aan een Afrikaan!”

Dan volgt de lange tocht naar Bamako, de hoofdstad van Mali. We reizen met vijftien mensen, twee kinderen en een zware lading in een Land Cruiser die gebouwd is voor twee passagiers en een zware lading. Dit is dus het voorland van onze Land Cruisers. Deze valt haast uit elkaar als je er alleen maar naar kijkt. Slechts een van de vier remmen werkt en de achtervering wordt niet door bouten, maar door een stuk binnenband bij elkaar gehouden. Als de stuurinrichting het begeeft, vinden de passagiers die op het dak zitten een harde landing in de berm. Nu klagen ook onze Malinese medereizigers steen en been bij de chauffeur over de staat van deze Land Cruiser. Achteraf kunnen we erom lachen: dit was veruit de gevaarlijkste etappe van onze reis.