donderdag 1 maart 2001 / Hivos Magazine /

Reportages & interviews

Koeien voor Kosovo

De oorlog in Kosovo zorgde voor vele doden, ook onder dieren. In de noordelijke heuvels loopt haast geen vee meer rond. Het project Income generation through cattle restocking in Istog/Istok Municipality wil niet alleen een veestapel creëren, maar ook samenwerking tussen de boeren. Een veestapel als perpetuum mobile.

De heuvels rondom Peć, een provinciestadje in het noorden van Kosovo, zijn leeg en verlaten. Een grauw, kaal landschap, met zacht glooiende heuvels. Het is winter 2001. De laaghangende, ijskoude mist snijdt door merg en been. Tijdens de oorlog om Kosovo, in de zomer van 1999, hebben de Servische milities zwaar huisgehouden in dit gebied. Bijna alle Albanezen vluchtten plotsklaps en lieten huis en haard achter. En dus ook hun vee, dat vervolgens bij bosjes stierf. Wie nu door de heuvels van Peć rijdt, ziet vele braakliggende akkertjes, zo nu en dan een ploeterende tractor. Maar nauwelijks vee.

“Heerlijk vlees”, zegt Adriaan van Apeldoorn. We eten in restaurant Kashati, gelegen tegenover de populaire bar Amerikana. “Dit is waarschijnlijk import uit Bulgarije. Ik mag hopen dat ons vee ook zulk lekker vlees opleveren.” ‘Ons vee’ — Van Apeldoorn doelt op de tweehonderd koeien en zestien stieren die met geld van Hivos naar de heuvels rondom Peć bij de berooide boeren ondergebracht worden. Koeien kent Van Apeldoorn als geen ander. In Nederland heeft hij het nodige aan ervaring met vee opgedaan en onvergetelijk waren de twee jaren die hij meereisde met de Soedanese nomadenstam de Dinka’s. “Die zijn zo afhankelijk van hun vee”, zegt Van Apeldoorn, “dat de dieren bijkans heilig zijn.” De befaamde Balkanmentaliteit leerde Van Apeldoorn tijdens zijn vier jaar in Bosnië kennen, waar hij een soortgelijk project als in Peć leidde.

Twee stappen vooruit
Het is een bijzonder project. De koeien worden geschonken aan boeren die kunnen aantonen dat ze goed met vee weten om te gaan. Zij doen een aanbetaling van tien procent aan een centrale pot — die tevens dienst doet als verzekering — en dit geld komt vrij als de boer aan als zijn verplichtingen heeft voldaan. Een andere verplichting is dat het eerst geboren vrouwelijke kalf, geschonken wordt aan een andere boer. Het overige nageslacht mogen ze houden. Op deze manier zal de oorspronkelijke veestapel vermeerderen, terwijl de welvaart niet bij enkele boeren blijft, maar zich verspreidt over de heuvels van Peć.

Het project wil meer dan een veestapel creëren. Van Apeldoorn: “Het mes snijdt aan twee kanten. De boeren moeten zelf toezicht houden op naleving van de twee eisen. Dat gebeurt door middel van een Landbouwraad, het laagst gekozen hiërarchische niveau in een dorp, waarin vertegenwoordigers van de boeren zijn afgevaardigd. Op die manier kweek je gemeenschapszin.” Het project is zo ingericht dat het de boeren tot samenwerking dwingt. “Later”, zegt Van Apeldoorn tussen twee happen Bulgaarse worst, “als de veestapel voldoende is uitgegroeid, kan door middel van dezelfde structuren gewerkt worden aan een gezamenlijke veevoermenger, het gezamenlijk goedkoop inkopen van voer of andere producten — noem maar op.” Het project heeft nu al enige vruchten afgeworpen. Door inzet van de Landbouwraden zijn wegen hersteld, elektriciteitspalen in een dorp geplaatst en is een maïsmolen gekocht.

Lang zal Van Apeldoorn niet blijven in Peć: “Ik wil een perpetuum mobile achterlaten. De boeren moeten zelf het project in stand houden. Daarom geven we ook training. Een Kosovaars-Albanese student landbouwkunde blijft na mijn vertrek als teamleider bij het project betrokken. Dat is nodig, want dit zijn andere, grotere en productievere koeien dan zij gewend zijn. De oorlog heeft de boeren een stap achteruit gezet, wij proberen ze nu twee stappen vooruit te laten zetten.”