donderdag 1 maart 2001 / Internationale Samenwerking / Foto's: Karijn Kakebeeke

Reportages & interviews

Kosovo krabbelt op

Pristina swingt weer, twee jaar nadat de eerste bommen vielen. Zo zeer dat je bijna vergeet dat Kosovo van de grond af moet worden opgebouwd. De tijd van noodhulp is voorbij, het is tijd voor ontwikkeling. Maar de etnische spanningen zijn nauwelijks verminderd. Een rondje Kosovo.

Langs de weg van Pristina naar Peć staan duizenden monumenten. Er zijn drie soorten. De eerste soort bestaat uit glanzend marmer met heroïsche afbeeldingen van UÇK-strijders, voorzien van wapperende, vuurrode vlaggen met de tweekoppige Albanese adelaar. De andere monumenten – de overweldigende meerderheid – zijn afgebrande huizen. De zwart beroete karkassen, voor de oorlog bewoond door Albanezen, zijn symbolen van groot verlies en oneindig verdriet. Maar in het kale, grauwe winterlandschap staan ook de afgebrande huizen van gevluchte Serven. Die ruïnes zijn voor de Albanezen net zo belangrijk – het zijn monumenten van de haat, de overwinning en de wraak.
In de omgeving van Peć, in het afgelegen dorpje Ljutoglava, woont Naim Kelmendi met zijn vrouw en kinderen, ooms en tantes, neven en nichten. Hij is bezig de forse familieboerderij te herbouwen. Al zijn buren hebben al nieuwe huizen gebouwd, maar Naim (30) heeft alleen de muren overeind staan. De ogen van Naim schieten vol als hij vertelt waarom. “Ik moest eerst de lijken van mijn familie vinden voordat ik de rust had om te bouwen. Elf familieleden heb ik verloren, waaronder mijn vader en mijn zoontje. Maar ik geloof niet dat we hun lijken ooit nog vinden, daarom ben ik maar begonnen met het bouwen van ons nieuwe huis.”

Wraak
Naim laat de kogelgaten in de laadbak van zijn tractor zien die tegen de dikke buitenste muur staat. Vrijwel elk Albanees huis heeft een grote muur om het erf staan – ter bescherming, want in Kosovo zwerft de wraak en wederwraak al eeuwen over de bergen en het vlakke land van boerderij naar boerderij. Ditmaal daalde die neer vanuit de heuvels, vlak achter de boerderij. Naim vertelt hoe het er die dag, acht mei 1999, aan toe ging. “We werden gewaarschuwd door onze verkenners in de heuvels dat de Serven er aankwamen. We pakten in paniek onze spullen, maar de Serven vuurden granaten af op ons erf en onze huizen vlogen in de brand. Mijn neven en een nichten stierven. We klommen snel in de laadbak en reden met de tractor de weg op. De Serven openden het vuur op ons, en mijn zoontje en mijn vader werden gedood. Vrijwel iedereen raakte gewond. Kijk, hier zie je de kogelgaten in de laadbak.”

Het nieuwe huis van Dine Kuqi (42) is wel klaar. Het ligt in hetzelfde dorp als dat van Naim, maar toch minstens een half uur rijden vanaf zijn boerderij. Met een trotse zwaai opent Dine de poorten van haar erf. Ze is heel blij met haar nieuwe huis: het is veel groter dan de verbrande ruïne die achter op het erf staat. Onze begeleiders, de Albanese ingenieurs van de Dutch Relief & Rehabilitation Agency die Dine geld en materiaal voor haar nieuwe huis gaven, krijgen vele bedankjes en glimlachen. Dine woont met zeven van haar kinderen in slechts twee kamers, want er is nog niet genoeg geld om de rest van het huis in te richten. De overige kamers zijn niet meer dan kale muren van feloranje bakstenen, grijze cementvloeren en uitstekende elektriciteitsdraden. Maar dat vindt ze niet erg: “Het is al onnoemelijk veel beter dan vorige winter”, lacht ze, “en deze zomer komen mijn oudste zonen en hun families weer bij me wonen, net als vroeger. De rest van het huis komt dan ook wel af.”

Veel geld heeft Dine niet. Alles wat ze krijgt, zo’n 300 DM per maand, ontvangt ze van de Moeder Theresa Stichting. Haar man is in de oorlog overleden en ze kan het land niet bewerken omdat, zo zegt ze, de Serven en de zigeuners haar machines hebben geroofd. Daarnaast is ze bang voor mijnen. Toch prijkt onder een zeiltje van de UNHCR een donkerblauwe BMW. “Van mijn zus uit Duitsland gekregen”, lacht Dine verontschuldigend, “tja, zou jij zo’n cadeau weigeren?”

Resolutie 1244, UNMIK en KFOR
Met Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad kwam een einde aan de NAVO-bombardementen op Servisch grondgebied. De interim regering United Nations Mission in Kosovo (UNMIK) moet Kosovaars zelfbestuur creëren en de terugkeer van alle – dus ook Servische – vluchtelingen mogelijk maken. Daarnaast krijgt Kosovo “substantiële autonomie” binnen de Federale Republiek Joegoslavië.
UNMIK kent vier ‘pilaren’. De eerste wordt gevormd door de UNHCR. De taak van de VN-vluchtelingenorganisatie – het verlenen van noodhulp – zit er bijna op. Vrijwel de gehele Albanese bevolking heeft een (nieuwgebouwd) huis. De tweede pilaar wordt gevormd door de VN zelf en bestaat uit het opzetten van openbaar bestuur en het verzorgen van publieke diensten, variërend van post en telecommunicatie tot en met gezondheidszorg. De Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking Europa (OVSE) vormt de derde pilaar. De OVSE draagt zorg voor een democratische, open en transparante maatschappij. Het trainen van politie, het opzetten van een justitieel apparaat, het waarborgen van persvrijheid, het stimuleren van naleving van mensenrechten en het organiseren van verkiezingen zijn de voornaamste taken van de OVSE. De vierde pilaar, reconstructie en economische ontwikkeling, neemt de EU voor haar rekening. Het gaat daarbij met name om het creëren van een gunstig economisch klimaat.
Aan het hoofd van UNMIK staat de Deen Hans Haekkerup, die afgelopen januari de Fransman Bernard Kouchner opvolgde. Een belangrijk onderdeel in UNMIK vormt de Kosovo Transitional Council (KTC), waarin prominente Kosovaren vertegenwoordigd zijn en middels adviezen invloed op de besluitvorming hebben. Op dit centrale politieke niveau zijn nog geen verkiezingen gehouden, op gemeentelijk niveau wel (28 oktober 1999).
KFOR zorgt voor veilige omgeving en bestaat uit zo’n 50.000 soldaten uit dertig landen. De Navo neemt daarvan het leeuwendeel voor zijn rekening. Het doel van KFOR is simpel: het creëren van een veilig Kosovo voor al haar inwoners, ongeacht etniciteit. Maar de komende jaren zal keer op keer bewezen worden hoe moeilijk die opdracht is. Want waar een Serf en een Albanees elkaar ontmoeten, ontstaat nog altijd een kleine oorlog.

In Pristina, de hoofdstad van Kosovo, rijden opvallend veel BMW’s. Er heerst een bedrijvige, zo niet opgetogen sfeer in Pristina. Het is haast onvoorstelbaar, maar in Pristina zijn op het eerste gezicht nauwelijks sporen te vinden van de oorlog. Op enkele grote kantoorgebouwen die door Navo-bommen zijn getroffen na, staan zo goed als alle huizen, winkels en kantoren er blakend bij. De wegen zijn gerepareerd en de stoplichten werken weer. Satellietschotels prijken als opzichtige puisten op duizenden balkons. Restaurant Amerika en café California doen goede zaken, net als de vele espressobarretjes en de tientallen zo niet honderden Albanese thee- en eethuisjes. De etalages van de juweliers zijn overvloedig gevuld en de inwoners van Pristina hebben de keuze uit een ruim assortiment avondkleding. Amper twee jaar na de bombardementen adverteren zelfs de verzekeringsmaatschappijen weer.

Niet iedereen heeft het even goed. Overvolle waslijnen op balkonnetjes van grauwe flatgebouwen buiten het centrum verraden het ruimtegebrek waarin veel grote families moeten leven. Op straat draagt niet iedereen een goede winterjas. Na afloop van de markt bedelen oude vrouwtjes om overgebleven groenten.

Bevrijd
Tegelijkertijd is er ook een nieuwe bovenklasse van rijke jongeren ontstaan. In de trendy nachtclub ZanziBar neemt het bandje ZanziBounce een videoclip op. Bassist Adrian (28), werkzaam bij een videoproductiemaatschappij, reageert verbaasd op de vraag of dit de eerste Kosovaarse videoclip is sinds de oorlog: “Je denkt toch niet dat we twee jaar stil hebben gezeten?” In café Papillion vertelt Valbona Shujaku (22) over haar baan bij Ericsson – producent van mobiele telefoons – en haar nieuwe leven: “Wij Albanezen zijn de Italianen van de Balkan. We houden van mooie kleren en mooie auto’s. Op dit moment is la dolce vita nergens beter dan in Pristina.” Adrian Avdyli (20) werkt in het Italiaanse restaurant La Perla del Kosova en zit op de theaterschool: “Het leven is duizend keer beter dan vroeger. Albanezen mochten niet naar de theaterschool en vlak voor de oorlog konden we niet over straat lopen zonder bang te zijn voor de Servische politie. We zijn bevrijd.”

Alleen de Serven zijn, op z’n zachtst gezegd, ontevreden. Voor de oorlog was ongeveer tien procent van de bevolking Servisch, nu is dat naar schatting vijf procent. Ze leven in door KFOR beschermde enclaves en een bezoek aan Pristina – zo leren verschillende incidenten – staat gelijk aan zelfmoord. De zigeunerwijk in Pristina is met de grond gelijk gemaakt omdat de zigeuners van collaboratie met de Serven werden beschuldigd. Ook andere minderheden – Bosniaks, Turken – hebben moeite met de Albanese hegemonie.

Een waar Marshall-wonder heeft zich voltrokken in Kosovo. De Serven lieten een geruïneerd land achter. Wat ze in de fabrieken en kantoren niet vernield hadden, namen de terugtrekkende troepen mee naar Servië. Veertig jaar socialisme en tien jaar ontzegging van openbare functies en staatsonderwijs – vanaf 1989 hadden de Serven een soort apartheidsregime jegens de Albanezen ingesteld – heeft een enorm vacuüm achtergelaten. De internationale gemeenschap, samengebald in UNMIK (zie kader I), vult dat vacuüm. Een waar leger niet-gouvermentele organisaties (ngo’s) is in de kleine provincie neergedaald. Het aantal witte terreinwagens in Kosovo is ontelbaar en het lijkt niet overdreven te stellen dat nergens ter wereld de dichtheid aan ngo-medewerkers en ngo-geld ooit hoger is geweest dan de afgelopen twee jaar in Kosovo. Politie, radio en televisie, belastingdienst, ziekenhuizen, scholen, elektriciteitsvoorziening – het staat allemaal onder supervisie van de VN en zal uiteindelijk ‘gekosovoseerd’ worden, zoals dat in UNMIK-jargon heet.

In Kosovo wordt een land van de grond af opgebouwd. De noodhulp is zo goed als afgerond – huizen herbouwen, ziekenhuizen inrichten, voedseltekorten aanvullen – en nu is het tijd voor bestendiging en ontwikkeling.

Wijn
Daan Everts leunt tevreden achterover. Het is zaterdagmiddag, het OVSE-hoofdkantoor, gevestigd in het voormalige gebouw van de Sloveense bank, is leeg en verlaten. Sigaretten worden rondgedeeld en het hoofd van de OVSE-missie in Kosovo ontkurkt wijn uit buurland Montenegro. Everts: “Jazeker, ik ben zeer tevreden over de voortgang van onze missie. Er is nog heel veel werk te doen, maar voor alles wat we hier doen geldt: vergelijk het met de situatie die we aantroffen toen we drie weken na de bombardementen binnentrokken.”

Als het om de wederopbouw van Kosovo gaat, stelt Everts, wordt er vaak met twee maten gemeten. Everts: “Neem de rechtshandhaving in Kosovo. Toen we arriveerden was het hier één grote chaos en anarchie. Op een bevolking van nog geen twee miljoen zielen werden maar liefst veertig moorden per week gepleegd. De afgelopen anderhalf jaar is de veiligheidssituatie veel beter geworden, maar nog lang, lang niet goed genoeg. Maar mijn punt is: is dit nu een typisch Kosovaars fenomeen? Als in Nederland de helft van de politie wegvalt, de rechtspraak nauwelijks functioneert en de gevangenissen zo lek als een zeef zijn, wat zou er dan in Nederland gebeuren? De gelegenheid maakt de dief, en zo gaat dat hier ook. Ik bespeur regelmatig een soort defaitisme in de internationale gemeenschap: het zal altijd een puinhoop blijven in Kosovo. Maar bekijk het van een andere kant, en dan zie je dat het heel opvallend is dat de situatie in Kosovo niet veel ernstiger is.”

Een nieuw fiscaal stelsel
Dit wordt een spannend jaar voor de Australiër Mike Ives, budget director van de Central Fiscal Authority (FCA). Vanaf juli wordt het belastingstelsel substantieel uitgebreid. Ives: “We hebben al een voorzichtig begin gemaakt met horecabelastingen en invoeraccijnzen. Maar dat is natuurlijk niet genoeg om publieke diensten als scholen, straatverlichting of ziekenhuizen te financieren. Daarom gaan we dit jaar een BTW-tarief van 10% introduceren.” Inkomstenbelasting laat nog even op zich wachten.
Nederland maakt dit jaar twintig miljoen gulden rechtstreeks over naar de rekening van het CFA. Ives: “Dat geld kunnen we bijzonder goed gebruiken. Het is niet alleen de hoogte van het bedrag dat ons leven gemakkelijk maakt, maar ook het tijdstip waarop we het ontvangen: aan het begin van het belastingjaar. Belastingen in je altijd achteraf, dus aan het begin van het jaar hebben wij nauwelijks geld omdat we nog maar net begonnen zijn. Maar er moet wel van alles betaald worden.” En het is de CFA niet toegestaan om geld te lenen. “We willen een strikte uitgavendiscipline introduceren en daarnaast is er een praktisch probleem: we kunnen een zelfstandig Kosovo niet opzadelen met schulden die UNMIK aangaat.”
Ives heeft leuk maar geen gemakkelijk werk. Het verleden speelt op: “Veertig jaar socialisme en tien jaar onderdrukking zijn funest geweest. Mensen zijn niet gewend belasting te betalen en associëren het bovendien met de Serven. Ook is het heel moeilijk om ervaren personeel te vinden en ze vervolgens te houden. Ik kan ze niet meer dan driehonderd D-mark per maand betalen, terwijl een portier bij UNMIK minstens duizend D-mark verdient. Daarnaast heeft Kosovo een cash economy en werkt het banksysteem zeer gebrekkig. Dat maakt het niet alleen voor de burgers lastig om belasting te betalen. Ives: “Laatst moest ik honderdduizend D-mark aan een instantie betalen. Toen heb ik KFOR maar gebeld of die het transport konden verzorgen.”

Onderkoning
De rechtshandhaving is voor Everts “een topprioriteit”. Maar ‘de onderkoning van Albanië’, zoals zijn bijnaam luidt naar aanleiding van zijn vorige post als hoofd van de OVSE-missie in Albanië, heeft de situatie nog niet onder controle. Everts: “De drie-eenheid politie, rechtbank en gevangenis werkt nog zeer gebrekkig. De OVSE zet zwaar in op de verbetering daarvan.” Zo wordt met Nederlands geld (fl 2,6 miljoen, geschonken aan UNMIK) gevangenissen verbouwd. Daarnaast betaalt het Ministerie van Buitenlandse Zaken de salarissen van Nederlands personeel dat gevangenisbewaarders opleidt en begeleidt. Broodnodig, want de afgelopen tien jaar waren alle gevangenisbewaarders Servisch – en die wonen nu elders.

Ook de rechtbanken zijn een probleem. Everts: “Een goed functionerende rechtsspraak is natuurlijk cruciaal. Het is verdomd moeilijk om goede Albanese rechters te vinden. Dat is niet verwonderlijk, want er staat vreselijk veel druk op ze: intimidatie, geweld. Een rechter in Kosovo verdient zo’n achthonderd D-mark en daar waag je je leven niet voor, zeker niet als je voor duizend mark chauffeur bij UNMIK kunt worden. Daarnaast is van onbevooroordeelde rechtspraak zelden sprake. De oplossing zit ‘m in meer training, betere begeleiding en hogere salarissen. We stellen nu ook internationale rechters aan. Zojuist hebben we weer een aanbod gekregen, ditmaal van vijf Hongaarse rechters. Daarnaast komt er een OVSE-school voor de magistratuur en rechters. Ondertussen monitoren wij alle rechtszaken. Het gaat allemaal wat langzaam, maar we komen er wel.”

Het politiekorps wordt opgebouwd door middel van een politieschool. “Het kroonjuweel van de OVSE-missie”, zegt Everts. Op naar de politieschool.

Kneepjes
De zeshonderd cadetten staan tijdens het ochtenddefilé in slagorde opgesteld. De drill officer, een Canadees, schreeuwt zijn bevelen en mededelingen in het Engels. Vervolgens vertaalt de Albanese vertaler en dan pas de Servische. Bij de volgende bevelen mag de Serviër eerst vertalen en dan pas de Albanees. Niemand mag zich achtergesteld voelen. “En toch is dit een van de weinige plekken waar verschillende etnische groeperingen van Kosovo succesvol samenwerken”, zegt de Amerikaan Dale Samuels, lid van het managementteam van de Kosovo Police Service School in Vuctrin. Ongeveer vijfentachtig procent van de vierduizend gerekruteerden is Albanees, zeven procent Servisch en de rest behoort tot de overige minderheden. Er is onder de werkloze Kosovaren veel belangstelling voor de opleiding, hoewel een groot aantal afgewezen wed (Samuels: “Het blijft hier de Balkan hè: ze roken te veel”). Onder de studenten zitten opvallend veel oudere mannen: deze waren agent of officier voordat in 1989 de apartheid werd ingevoerd. Nog een cijfer waar Samuels trots op is: tachtig procent is man, twintig procent is vrouw. “Dat kwam in Kosovo nooit voor. Wij zetten nu een moderne politiemacht op.”

Onder de studenten bevinden zich ook veel oud UÇK-ers, die op deze manier terugkeren naar de burgermaatschappij. Eén van hen is Sami Hajdari (24). “Het was in het begin behoorlijk wennen,” lacht Sami tijdens zijn warme lunch in de eetzaal. “In het UÇK ging het er natuurlijk heel wat anders aan toe. Maar,” zo voegt hij er wat verlegen aan toe, “nu vecht ik ook voor mijn land.” Van zijn Servische medestudenten heeft hij geen last: “Iemand die oorlogsmisdaden heeft begaan meldt zich natuurlijk niet bij een politieschool.”

Het curriculum wordt verzorgd door een kakofonie van uniformen – de docenten komen uit drieëntwintig landen – en neemt acht weken in beslag. Het standaard politiewerk wordt onderwezen: proces verbaal opmaken, het gebruik van geweld en wapens, eerste hulp verlenen, et cetera. Vervolgens leren de groentjes negentien weken lang de kneepjes van het vak in de praktijk, begeleid door de officieren van de UNMIK-politie.

Een kijkje in het klaslokaal. “Wie overtreedt de wet als je huiselijk geweld niet rapporteert?” vraagt de Amerikaanse docent. Na een tijdje stilte geeft een van de studenten op vragende toon antwoord: “De echtgenoot die slaat?” “Fout!” roept de docent op theatrale wijze, “jíj overtreedt de wet! Want ook al zegt de vrouw dat hij haar bijna nooit slaat, en ook al heeft de man het met je op een akkoordje proberen te gooien, het blijft jouw plicht er tegen op te treden!”

Maar welke wet overtreedt de echtgenoot met de losse handen? Het Joegoslavische recht van voor 1989 (dat door UNMIK deels weer in gebruik is genomen), verbiedt huiselijk geweld niet en het oude Albanese gewoonterecht al helemaal niet. “Daar ligt inderdaad een probleem”, zegt Steve Bennett, de Amerikaanse directeur van de politieschool, “maar er zijn ook enkele UNMIK-wetten van kracht. Belangrijker is dat wij agenten opleiden volgens democratische en internationaal geaccepteerde normen en waarden. Hier geldt het VN-Handvest voor de rechten van de mens.”

Mijnen
In Kosovo wordt een land van de grond af opgebouwd – maar dan wel naar Westers model. Andy Bearpark, hoofd van de EU-pilaar en daarmee verantwoordelijk voor de economische opbouw (zie kader I), is duidelijk over de toekomst van Kosovo: “Economisch gezien willen wij Kosovo in de Europese Unie integreren. We streven naar een open markteconomie die EU-compitable is.” De industriële dinosaurussen uit de socialistische tijd helpen daar bepaald niet bij. Neem de mijnen van Trepča in het noorden van Kosovo, een van de zeer schaarse voorbeelden van grote industrie. Bearpark: “Pin me er niet op vast, maar stel dat er in Trepča zestigduizend mensen werkten, dan zullen dat in de toekomst niet meer dan tienduizend zijn. Dat is spijtig, maar geen reden het hoofd te laten hangen. Er wordt vaak zeer negatief gesproken over de mogelijkheden van een zelfstandige Kosovaarse economie. Er is reden tot bezorgdheid, maar een complete nachtmerrie is het niet. De mijnen zullen niet sluiten, en tienduizend banen zijn nog altijd tienduizend banen.” De EU wil dan ook boven alles arbeidsplaatsen creëren. Exacte cijfers ontbreken, maar iedereen kan zien dat de werkloosheid hoog is.

Veel gemakkelijker gaat de opbouw van de economie in het midden- en kleinbedrijf. Wie door hedendaags Kosovo reist, kan haast niet geloven dat in zo’n korte tijd zoveel winkeltjes en werkplaatsen (opnieuw) het levenslicht hebben gezien. Bearpark: “Albanezen zijn entrepreneurs pur sang – hen komt alle eer toe. Daarnaast heeft de Kosovaarse economie een geheim wapen: donaties vanuit de diaspora. Naar schatting wonen zo’n vijfhonderdduizend Kosovaarse Albanezen in West-Europa en zij sturen naar schatting 165 miljoen D-mark per maand naar Kosovo. Dat geld wordt grotendeels geïnvesteerd in het midden- en kleinbedrijf. Daar kunnen geen honderd ngo’s tegen op.” Een kanttekening is op z’n plaats. “Momenteel ondergaat Kosovo een enorme economische boom”, zegt Bearpark. “De miljoenen D-marken die de buitenlandse ngo-medewerkers uitgeven en de miljoenen D-marken die aan de wederopbouw besteed worden, zullen ooit opdrogen. De zwakke bedrijfjes zullen dat niet overleven.”

Grote investeringen van buitenlandse bedrijven zijn echter schaars. Het komt voor – Bearpark wijst op Italiaanse investeringen in een fabriek waar straatlantaarns gemaakt worden – maar het is eerder uitzondering dan regel. Bearpark: “Investeerders willen stabiliteit en zekerheid. Dat is momenteel niet het sterkste selling point van de Balkan.”

Kosovo heeft een extra complicatie. Het is onduidelijk of Kosovo ooit los van Servië komt, zoals alle Albanese Kosovaren willen, terwijl de internationale gemeenschap er nog niet aan toe is daar een definitieve uitspraak over te doen. Stel dat een bedrijf in een Kosovaarse fabriek investeert. Met wie kan het dan een contract afsluiten om tien jaar lang een industrieterrein te pachten? UNMIK? Servië? Kosovo? Wie is over vijf of tien jaar de wetgever?

Dit jaar wordt een cruciaal voor de Kosovaarse economie, denkt Bearpark. “We moeten consolideren wat we hebben opgebouwd. Er is gezaaid, er is geoogst, maar hoe vruchtbaar zijn de investeringen op de langere termijn? Ook heel belangrijk zijn de ontwikkelingen rondom het belastingstelsel. Tot nu kent Kosovo weinig soorten belasting. Dat gaat veranderen.” (zie kader III)

De opbouw gaat gestaag voort, maar de spoken uit het verleden waren nog altijd rond. Neem Mitrovica, de grootste stad in Kosovo met een gemengde bevolking. De stad, gelegen in het noorden van Kosovo, doet denken aan Berlijn in de donkerste dagen van de Koude Oorlog. Mitrovica wordt verdeeld door de rivier de Ibar. Zuidelijk daarvan wonen de Albanezen en aan de noordoevers begint een bijna geheel en al door Serven beheerst gebied dat tevens grenst aan Servië. In dat gedeelte van Kosovo wapperen de Servische vlaggen, wordt in cafés de Servische ‘turbofolk’ gedraaid van Ceca (de vrouw van wijlen militieleider Arkan) en wordt de benzine met bonnen uit Belgrado afgerekend. UNMIK heeft er niet zoveel in de melk te brokkelen.
In het centrum van Mitrovica staat de met prikkeldraad en schuttersputjes bewaakte brug over de Ibar. De Franse KFOR-kapitein Cazada voert het commando over het zuidelijke checkpoint dat cynisch genoeg ‘Verdun’ heet. Kapitein Cazada legt de situatie uit: “Het noorden van de stad is geheel Servisch, op enkele kleine gebieden na. Met name die drie flatgebouwen daar aan de overkant zijn een probleem.”

Die flatgebouwen zijn beroemd en berucht. Er wonen voornamelijk Albanezen en dat zint de omwonende Serven niet. De flats liggen aan de noordkade van de Ibar en zo’n vierhonderd meter verwijderd van de brug. Het gevolg is dat de Albanezen niet naar het zuiden van Mitrovica kunnen, want elke Albanees die de vierhonderd meter over de kade loopt, rent of rijdt, wordt door de Servische verkenners gespot en binnen de kortste keren aangevallen. Daarom heeft KFOR voor de flatbewoners een aparte brug gebouwd die vlak voor de ingang van de flats ligt. De flatgebouwen liggen achter grote bossen prikkeldraad en KFOR-tanks en -pantserwagens rijden voortdurend rondjes om het complex. Op het aparte bruggetje voor de flatbewoners worden de speciale pasjes van de flatbewoners gecontroleerd door zwaarbewapende KFOR-soldaten.

We roken wat sigaretten met de Franse soldaten die de pasjes controleren als Violeta Hyseni (25) op ons afloopt. Of we bij haar thuis, in het flatgebouw, koffie willen drinken? Bij binnenkomst wordt volgens goed Albanees gebruik ons gevraagd de schoenen uit te trekken, gaat de Turkse koffie op het vuur en worden de sigaretten uitgedeeld. Afgezien van het uitzicht op de tanks en het prikkeldraad is het eigenlijk een flat zoals overal in Kosovo. Violeta lucht haar hart: “De Serven behandelen ons als beesten. Waarom vallen de Serven mij aan als ik buiten het prikkeldraad kom? Er zal nooit vrede zijn zolang de Serven in Kosovo wonen.”

Verzoening
Een paar straten verderop staat het kantoor van de Servische Nationale Raad. In zijn moderne colbertje ziet voorzitter Olivier Ivanovic er niet uit als de hardliner die hij in werkelijkheid is. Ivanovic wordt op handen gedragen in het Servische gedeelte van Mitrovica. Hoe denkt Ivanovic over verzoening met Albanezen? Ivanovic: “Verzoening lijkt me moeilijk, want de Albanezen blijven vasthouden aan onafhankelijkheid en dat kan het Servische volk nooit toestaan. Onafhankelijkheid zal tot een nieuwe Balkanoorlog leiden.” Zouden de Serven ooit bereid zijn excuses aan te bieden, zoals veel Albanezen eisen? Ivanovic: “Excuses leiden tot niets. En bij welke oorlog moeten we dan beginnen? Van heel wat oorlogen hebben wij excuses van de Albanezen te goed, om te beginnen bij de duizenden Serven die door de Albanezen zijn vermoord toen KFOR en het UÇK binnentrokken.” Met UNMIK is Ivanovic is niet tevreden: “In Resolutie 1244 staat dat alle minderheden beschermd moeten worden, maar ik kan de brug in mijn eigen stad niet eens oversteken. En alle vluchtelingen zouden volgens de resolutie terug kunnen keren. Wel, in Servië verblijven minstens honderdduizend Kosovaarse Serven die terug willen maar dat niet kunnen. Wij worden onderdrukt door de Albanezen en UNMIK.”

Terug bij Checkpoint Verdun vertelt Cazada over de hoofdbrug die noord met zuid verbindt: “Vroeger controleerden de Serven de brug en deze werd daarom geregeld bestormd door Albanezen. Nu bewaken wij de brug en hebben we vierentwintig uur per dag troepen paraat om rellen te voorkomen. Maar we hebben zo langzamerhand de problemen onder controle. De laatste zes maanden zijn er geen noemenswaardige incidenten geweest.”

Een dag na ons bezoek aan checkpoint Verdun vliegt de vlam weer in de pan. Ernstige ongeregeldheden breken uit en blijven lange tijd aanhouden. Niet alleen stenen, ook granaten worden over en weer gegooid. De Albanezen koelen hun woede ditmaal ook op KFOR en UNMIK. Aanleiding: de dood van een vijftienjarige Albanese jongen, naar verluidt door een Servische granaat.

In Kosovo zijn de meeste huizen herbouwd en begint een nieuwe maatschappij vorm te krijgen. Maar de verbrande ruïnes, monumenten van wraak en wederwraak, zullen nog lang overeind blijven staan.

Nederlandse hulp aan Kosovo
In 2000 besteedde Nederland zo’n 90 miljoen gulden aan de wederopbouw van Kosovo. Daarmee is Nederland een van de grootste bilaterale donoren in Kosovo. Nederland droeg het afgelopen jaar op diverse gebieden bij. Een selectie: directe begrotingssteun aan UNMIK (25 mln, zie kader III), het ontwikkelen van onafhankelijke radio en televisie (7 mln, zie IS volgende maand), het (her)bouwen van huizen (3,9 mln, zie rubriek Van Stapel in dit nummer), het versterken van lokaal bestuur (3,8 mln), wegenbouwactiviteiten (3,6 mln, zie IS volgende maand). Daarnaast draagt Nederland ook fors bij aan de door de Daan Everts geleide OVSE-missie in Kosovo (5,6 mln). Vanaf 2001 zal de hoogte van de Nederlandse bijdrage afnemen, omdat de humanitaire hulp wordt afgebouwd. Nederland is dus een prominente financier van vrijwel alle activiteiten die in dit artikel besproken worden.

Met dank aan Norbert Both