zaterdag 26 augustus 2000 / De Groene Amsterdammer /

Reportages & interviews

Naar moeder India

Anil Ramdas, presentator van Het blauwe licht, wordt wel “beroeps-allochtoon” genoemd. In zijn werk draait alles om identiteit, en wat het leven tussen verschillende culturen met je doet. Ramdas citeert Rushdie: “Het verleden is een land waar we allemaal uit emigreren” en gaat verhuizen naar India.

Extatisch was hij. Met trillende handen en schokkende ademhaling liet hij de volle omvang van het voorstel tot hem doordringen. Een correspondentschap voor NRC Handelsblad vervullen - in India. India, het land waarvoor hij op zijn zeventiende in een auto stapte om in hartje Paramaribo een bom te gooien. De Surinaamse rassenstrijd vierde hoogtij, de creolen en hindoestanen stonden elkaar naar het leven en Anil Ramdas (Paramaribo, 1958) was bereid alles voor de hindoestaanse zaak te doen. Want “in Suriname wonen Surinamers, en hindoestanen”, zoals hij later zou schrijven, en “waar ze ook zijn, welk beroep ze ook uitoefenen en in welke god ze ook geloven, Moeder India blijft hen binden”. In India was hij nog nooit geweest. Wat gaf het. Paramaribo lag een paar uur van zijn woonplaats, maar “India was dichterbij, in de belevingswereld”.

Terwijl zijn joelende vrienden overlegden waar de bom tot ontploffing zou komen, kreeg hij slappe knieën. Hij veinsde wagenziekte en stapte uit. Later, eerst als student sociale geografie in Amsterdam en daarna als essayist, columnist en tv-maker, bleef hij zich afvragen wat hem in die jaren van racisme bezielde. Hoe kon zijn hindoestaanse identiteit zijn denken en daden zo resoluut regeren? De vraag tekent Ramdas. Want identiteit, en wat het leven tussen verschillende culturen met je identiteit doet - of het nou om creolen en hindoestanen in Suriname, allochtonen en autochtonen in Nederland of pakweg blanken en zwarten in Zimbabwe gaat - is in zo goed als al zijn werk het uiteindelijke fixatiepunt.

Die ene, simpele zin van Salman Rushdie bleef hem fascineren: “Het verleden is een land waar we allemaal uit emigreren.” Hoe heeft het verleden Ramdas gevormd? En wat gebeurt er als je ook nog eens naar een ander land emigreert? Hoe moet je omgaan met “het onbehagen dat alle immigranten bekend is: het gevoel hier nooit helemaal aanvaard te zullen worden, nooit een volle en onvervormde betekenis te zullen krijgen, nooit méér te kunnen zijn dan een brok curieuze exotica”?

Nu, zes weken na de geboorte van het idee om correspondent voor de NRC in India te worden, beginnen zijn neusvleugels nog steeds te trillen als hij over zijn nieuwste migratie vertelt: “Ik hoorde toevallig dat de post in New Delhi vrijkwam. Ik nam het gewoon ter kennisgeving aan en de volgende dag vertelde ik het achteloos aan mijn vrouw. Koeltjes zei ze: ‘Misschien moet jij de nieuwe correspondent worden.’ Totale paniek maakte zich van mij meester. My god, ze heeft gelijk! Want waarom ook niet? Eindelijk komt mijn droom uit, die ik sinds mijn zeventiende koester. Waarom heb ik een schotelantenne aangeschaft waarmee ik Indiase televisie kan kijken? Waarom laat ik Indiase tijdschriften in mijn huis slingeren, in de hoop dat mijn kinderen erin gaan neuzen? Waarom zit mijn dochter op een internationale school? Vanaf mijn zeventiende leefde ik altijd in de veronderstelling: over vijf jaar woon ik in India. Maar het gebeurde nooit, en nu heb ik de sleutels van mijn huis in India naast me liggen. Onvoorstelbaar.”

De keuze voor India is duidelijk. Maar waarom in godesnaam er als correspondent gaan werken? Die vraag vereist enige uitleg.

In de bundels van Ramdas staat bijna geen essay waarin niet óf V.S. Naipaul óf Salman Rushdie wordt aangehaald. Het zijn de bakens van Ramdas. Naipaul en Rushdie zijn net als Ramdas onmiskenbaar kinderen van de Indiase diaspora. Naipaul, de wereldvermaarde somberman en gifkikker, is net als Ramdas hindoestaan en terwijl Ramdas geboren en getogen is in Suriname, komt Naipaul uit buurland Trinidad. Naipaul is - net als Ramdas - geobsedeerd door culturele conflicten. Salman Rushdie worstelt net als Ramdas met “het wezen van de migrant”. “Het verleden is mijn huis”, schrijft Rushdie in zijn roman Imaginary Homelands, “al is het dan een verdwenen huis in een verdwenen stad in de mist van een vervlogen tijd.” Het opnieuw bouwen van dat huis is de taak die Rushdie zich al schrijvende heeft opgelegd. “Rushdie erkent het verlies van iedere migrant, het verlies van het vaderland”, reageert Ramdas vol herkenning in zijn essay “Heimwee”. “Er is geen plek waar hij hoort, hij heeft slechts zijn verbeelding.”

Tegelijkertijd zijn Naipaul en Rushdie tegenpolen, zoniet gezworen vijanden, en hun standpunten zijn de uitersten waartussen Ramdas zich als auteur beweegt. Naipaul is de universalist, Rushdie de kosmopoliet - volgens Naipaul twee tegenovergestelde en onverenigbare wereldbeelden. De universalist wil de naakte waarheid kennen en beschrijven en is alleen geïnteresseerd in de waardevrije “oppervlakte van de dingen”, terwijl de kosmopoliet de wereld slechts als decor gebruikt om zijn eigen identiteit te bepalen. Ramdas verwoordt het beter, bijvoorbeeld in zijn essay “Een huis voor meneer Naipaul”: “Terwijl kosmopolieten goed en kwaad afhankelijk kunnen stellen van de politieke opportuniteit, of het schrijven over de werkelijkheid misvormen tot autobiografische grootspraak, heeft de universalist slechts één doel: het vertellen van de waarheid. (…) Naipaul wenst (in tegenstelling tot de kosmopoliet Rushdie – E.N.) geen schrijver te zijn die een persoonlijk thema illustreert en invult aan de hand van verschillende situaties, of die door de wereld trekt op zoek naar zijn diepere Zelf.”

Als rapporteur van de naakte waarheid is Ramdas’ nieuwe professie het schoolvoorbeeld van de universalist. Maar is Ramdas niet veeleer de peinzende “beroepsherinneraar” - zoals hij zichzelf omschrijft in zijn bundel De beroepsherinneraar en andere verhalen (1996) - die leunend tegen de boekenkast en voorovergebogen aan de schrijftafel zijn tussen Suriname, Nederland en India verbrokkelde identiteit “telkens opnieuw uitvindt”? In de essaybundel De papegaai, de stier en de klimmende bougainvillea (1992) citeert Ramdas instemmend de Jamaicaanse socioloog Stuart Hall: “De taak, het levenswerk van de immigrant bestaat eruit om met al die restjes en stukjes een nieuwe constructie te maken en dan op een willekeurig moment te roepen: hé, dat ben ik.” Het citaat is op maat gesneden voor Ramdas. Met andere woorden: is Ramdas niet boven alles kosmopoliet? Is Anil Ramdas wel geschikt als correspondent?

Die vraag, en de uitvoerige inleiding, verrast Ramdas een beetje. In de serre van zijn huis in Loenen aan de Vecht schijnt de zon rond dit middaguur op z’n felst. Ramdas hangt in zijn rieten stoel en heeft zijn blote voeten nonchalant op tafel gelegd. Hij neemt een slokje van zijn blikje bier (“Het Indiase ritme heeft me al helemaal in zijn greep”), peinst een beetje in de verte en prevelt langzaam: “Interessant, interessant.”

Het is even stil, maar dan vaart Ramdas uit: “Ik ben zowel kosmopoliet als universalist, en Naipauls bewering dat beide wereldbeelden niet in één persoon verenigbaar zijn, klopt simpelweg niet. Basta. Want aan de ene kant wil ik verhalen louter en alleen horen om iemand te portretteren. Dan ben ik de objectieve universalist. Ik probeer totaal op te gaan in de verhalen, totale empathie, totale identificatie - ik wil vanuit hun gevoel en met hun stem spreken. En dat gaat me buitengewoon goed af. Maar dat proces voert verder dan het portretteren an sich, en daarin schuilt het kosmopolitische. Want ik merk hoe ikzelf verander doordat ik van positie wissel. En dat is buitengewoon spannend. Het is noodzakelijk dat ik van tijd tot tijd mijn eigen, kosmopolitische positie bepaal en dat ik na al die wisselingen van perspectief mezelf hergroepeer. De Duitse schrijver Gunter Walraff toonde met zijn boek Ik Ali (waarin Walraff voor lange tijd leefde en werkte als de allochtoon Ali en zijn bevindingen te boek stelde – E.N.) aan wat er gebeurt als je je af en toe niet als kosmopoliet opstelt. Walraff ging zo blindelings op in Ali, dat hij zijn eigen identiteit kwijtraakte. Ali had de plaats van Walraff ingenomen, met desastreuze gevolgen. Je moet dus de levenshouding hebben van de universalist, maar de arrogantie van de kosmopoliet. Je moet je bevindingen spiegelen: wat vind ik er nou zelf van, nu ik alles gevoeld en begrepen heb? Het is een voortdurend spel, een slingerbeweging, die mij geweldig boeit. En bovenal: het is een werkwijze die bij uitstek past bij een goede correspondent. Je moet niet alleen de ander serieus nemen, zoals Naipaul zegt, en je moet niet alleen jezelf serieus nemen, zoals Rushdie zegt. Maar allebei. Naar dat evenwicht streef ik.”

Dat klinkt fascinerend, maar een correspondent bericht vooral over verkiezingen, corruptieschandalen en langeafstandsraketten. Misschien mag hij in de zaterdagbijlage een keer uitpakken en bij zijn afscheid een boek publiceren met het logo van de krant erop, maar daar houdt het op. Wat is daar kosmopolitisch aan?
“Ik krijg een beetje een speciaal correspondentschap. Mijn column op de opiniepagina verschijnt voortaan wekelijks in plaats van tweewekelijks en begint standaard met ‘Delhi: …’. Daar lees je mijn ervaringen en mijn kosmopolitische visie. In de verslaggeving, in de stukken die zowel in het eerste katern als in de zaterdagbijlage verschijnen, zal ik navoelbare verhalen schrijven die de betrokken individuen tot leven brengen - verhalen zoals een overtuigd universalist die schrijft. De echte kale verslaggeving ga ik niet doen, dat doen de jongens van Reuters wel. Zij hebben privé-vliegtuigen en wat al niet meer. Als ergens een ramp plaatsvindt, liggen hun stukken met alle precieze informatie en alle officiële verklaringen al op de redactie van mijn krant voordat ik überhaupt ter plekke kon zijn. Aan dat soort verslaggeving heb ik dus niets toe te voegen.

"Neem de vliegtuigramp in het Indiase Patna van enige weken geleden. Een vliegtuig stort neer in een woonwijk en er zijn tientallen doden. De NRC plaatst een foto op de voorpagina met als onderschrift: ‘Familieleden zoeken tussen de wrakstukken naar hun verwanten’, of iets dergelijks. Ben je gek! Zoveel familieleden kunnen helemaal niet ter plekke zijn en hoe weet je nou dat het familieleden zijn die er rondlopen? Ik heb gehoord dat er onder de reguliere vliegroute een puissant rijke familie woont met een uitgebreide kristalcollectie. Omdat ze bang zijn dat het kristal sneuvelt als de vliegtuigen laag overvliegen, hebben ze de vliegleiding omgekocht zodat de vliegtuigen over de woonwijk vliegen. Dat is zo’n ontzaglijk bizar en mooi verhaal! Het is haast een metafoor van het hedendaagse India. Dát zou ik willen uitzoeken. Wie van ramp naar ramp rent, verliest de alledaagse waarheid uit het oog.”

Een “beroepsallochtoon” werd hij schertsend genoemd. Zwarte scholen in het nieuws? Ramdas was beschikbaar voor commentaar. Een thema-avond over de migrant in de Nederlandse literatuur, georganiseerd door de bibliotheek van Abcoude of Zutphen? Ramdas nam gretig stelling achter het katheder. Opperde iemand de vraag of de hulpjes van Sinterklaas nog steeds Zwarte Pieten genoemd mogen worden? Ramdas wijdde er een essay aan. Wie publiekelijk over allochtonen sprak, kreeg repliek van Ramdas met als hoogtijdagen de opgang van Frits Bolkestein als slechter van minderhedentaboes. Maar het polemisch rumoer verstomde langzaam rond de nationale hoeder van de politieke correctheid. In de kakofonie rondom Paul Scheffers multiculturele drama was Ramdas, behoudens een milde column in de NRC en enkele opmerkingen in zijn tv-programma Het blauwe licht, zelfs geheel afwezig. Kan Nederland tegenwoordig zonder het commentaar van Ramdas?

Ramdas: “Het was een bewuste keuze mij op de vlakte te houden. Ik had het gevoel dat het meeste over Scheffers artikel en het minderhedenvraagstuk als geheel al gezegd is. Toen Bolkestein zo’n tien jaar geleden begon over minderheden, stonden mijn grote essays en artikelen daarover al in De Groene Amsterdammer. Daarna kwamen de lezingen, de stukken in Vrij Nederland en de NRC, enzovoort enzovoort. Ik had het gevoel: het is mooi geweest en ik vind het goed dat anderen nu de discussie gaan voeren.”

De immer zelfverzekerde Ramdas toont zijn pedante kant: “Het debat rondom het multiculturele drama is niet de beste discussie geworden - te oppervlakkig, te veel holle termen, te veel onwetendheid - maar ik heb het gevoel dat de volgende generatie er op een redelijk goede manier mee bezig is. Kijk, elke tien jaar komt dit debat weer terug en dat is maar goed ook. Maar als je het begin jaren negentig hebt gevoerd, ga je het niet nogmaals doen eind jaren negentig. Niets is zo irritant om te zeggen: ‘Zoals ik tien jaar geleden al opmerkte...’.”

Het onderwerp verveelde je.
Ramdas (geïrriteerd): “Ach, dat is zo zwaar uitgedrukt… Nee, belangrijker is dat het abstractieniveau waarop Scheffer spreekt voor mij persoonlijk niet meer haalbaar is. Toen ik tien jaar geleden begon te schrijven over dit onderwerp kon ik nog van een afstand kijken en hadden de grote gemeenplaatsen voor mij inhoud. Dan kun je heel belangrijke dingen zeggen. Maar dat kan ik nu niet meer, ik sta te dicht op de personen waar het echt om gaat. Ik ken Marokkaanse intellectuelen, eerste generatie Turken, islamitische pubers die willen losbreken, noem maar op. Daarom vind ik het niet meer spannend om te spreken over ‘de asielzoeker’, ‘de Turkse gemeenschap’ of ‘de Marokkaanse jongeren’. Ik ken ze te goed, ze zijn te dichtbij gekomen. Ik heb theoretische kennis verruild voor persoonlijke kennis. En ik zeg het je, over twee jaar kan Paul Scheffer het debat ook niet meer voeren nu hij zich onderdompelt in verschillende gemeenschappen en hij steeds meer allochtonen leert kennen. Het is buitengewoon belangrijk dat deze discussie wordt gevoerd, maar dat wil niet zeggen dat het voor mij persoonlijk nog belangrijk is.”

Terwijl je de afgelopen twintig jaar over bijna niets anders schreef.
“Ik wil op mijn manier met het probleem omgaan: ik wil de individuen waar het om gaat een naam geven, een gezicht, een persoonlijkheid. Ik wil ze leren kennen, ze begrijpen. Als in Dover 58 gekken sterven - want zeg nu zelf: wie laat zich nou opsluiten in een koelcel -, dan wil ik het niet hebben over ‘Fort Europa’ of ‘de economische ongelijkheid in de wereld als achterliggende oorzaak’. Nee, ik wil hun persoonlijke motieven navoelen. Waarom doen die mensen dat in godsnaam? Wat waren hun dromen? Wie en wat laten ze achter? Die vragen zijn voor mij veel interessanter.”

Als je nu terugkijkt op de afgelopen tien jaar dat je je manifesteerde als “beroepscommentator minderhedenkwesties”, zoals je jezelf eens omschreef, heb je dan het gevoel dat je Nederland veranderd hebt? Minder racistisch?
“Dat vind ik een rare vraag. Ja zeggen zou grootspraak zijn. Ik heb wel het gevoel dat Het blauwe licht meer heeft bijgedragen dan alles wat ik geschreven heb.”

De naam is gevallen: Het blauwe licht. Drie jaar lang maakte en presenteerde Ramdas met zijn boezemvriend Stephan Sanders het televisieprogramma waarin zij en twee gasten televisiebeelden van de voorgaande week becommentarieerden. Het programma groeide voor intellectueel tv-minnend Nederland uit tot een begrip en werd zowel bejubeld (“uitstekend gekozen tv-fragmenten” niet zelden begeleid door “veelbetekenende inzichten” - de Volkskrant) als verguisd (“elitair geneuzel” - het Algemeen Dagblad). Maar begin juni viel het doek: VPRO-baas Hans Maarten van den Brink bleek geen geld en zendtijd voor een volgend seizoen gereserveerd te hebben - zonder overleg met Ramdas en Sanders. De tv-journalisten buitelden over elkaar heen met het aandragen van allerlei elkaar tegensprekende verklaringen en zwartgallige complottheorieën. Ondertussen stonden Ramdas en Sanders op straat, terwijl ze dolgraag door wilden gaan. Heeft de VPRO ze nu wel of niet een loer gedraaid? Ramdas: “Ach, het is allemaal niet zo interessant. Tuurlijk waren wij woedend op Hans Maarten toen we het hoorden, maar nadat hij ons uitgelegd had hoe de vork aan de steel zit, was voor ons de kous af. Miscommu nicatie, misverstanden en andere knullige bedrijfsongevallen zijn de oorzaak van de vroegtijdige dood van Het blauwe licht; meer zit er niet achter. Veel interessanter is waar Het blauwe licht voor stond. Want eigenlijk was het een overtuigd migrantenprogramma en dat was het wezenlijk fascinerende van Het blauwe licht. Twee zwarte jongens waren zo onbescheiden om alles en iedereen van commentaar te voorzien. In elke aflevering zat minstens één item over culturele verschillen en confrontaties, of het nou ging over een blazersensemble in een klein gat in Nederland of over de raciale scheidslijn in het Nederlands voetbalelftal. Maar we behandelden het altijd sluipend en smalend. Het programma was zo multiculti als het maar kon zijn, zonder dat de kijker het in de gaten kreeg. En dat was onze bewuste opzet.”

Terwijl jullie altijd geroemd werden als het enige tv-programma dat kritisch naar tv keek.
(Glimlachend:) “Een prachtig alibi, vind je niet?”

Carte blanche: wat is je droomboek waarmee je over drie jaar terugkomt uit India?

Ramdas aarzelt geen moment: “Het heeft vijfhonderd dichtbedrukte bladzijden en het heet How to Fall in Love with Modern India. Het is in het Engels uitgegeven en het wordt een grote hit in vooral India maar ook de rest van de wereld. Ik verdien daarmee genoeg geld om voortaan alleen maar te kunnen reizen en schrijven. Het is literaire journalistiek en het verenigt het beste van het universalistische en het kosmopolitische in mij. India is schokkend, ontredderend - en tegelijkertijd is het allemaal heel gewoon. India is het snelst veranderende land ter wereld. Het is het jongste westerse land ter wereld en het oudste oosterse. Er wonen ruim duizend miljoen mensen, waaruit in nog geen twintig jaar tijd een middenklasse van - mind you - twee-hon-derd miljoen mensen is ontstaan. En die groeiende groep van tweehonderd miljoen zielen worstelt elke dag, elk uur, elke minuut met nieuwe normen en waarden.Het gaat om zaken die jij en ik volstrekt vanzelfsprekend vinden. Voorbeeld: wat is adolescentie? Dat was er vroeger niet, je was jong of je was oud. Als een meisje menstrueerde was ze vrouw en dan ging ze snel trouwen. Nu ontstaat er een periode van tienerschap waarbij jongeren met elkaar uit willen. Maar mogen meisjes uit met een jongen? Of moet men in groepen van jongens en groepen van meisjes uitgaan? En waar ontmoeten ze elkaar? En wat is dan gepast en wat niet? Allemaal ingewikkelde compromissen worden bedacht voor zaken waar wij geen seconde over hoeven na te denken en elke millimeter moet bevochten worden. Ander voorbeeld: hoe komt het dat iedereen ineens een horloge draagt in India? Wat betekent het voor de sociale omgang dat mensen nu ineens een tijdsbesef hebben? En hoe kan het dat dingen bijna niets kosten? Ach man, ik kan duizend onderwerpen noemen. De essentie is dat dat enorme land onze westerse waarden herevalueert, tussen oude en nieuwe culturen in zit en een nieuwe identiteit uitvindt. En dat vind ik zo ongeveer het spannendste om mee te maken. Daar wil ik bij zijn en ik wil er dolgraag over schrijven.”

Toen Naipaul voor het eerst naar India reisde werd het een deceptie, het land was even wreed als smerig. Rushdie sprak over de “olympische walging” van Naipaul. Ben je bang dat het uitkomen van jouw droom ook een verschrikking kan worden?
“Op mijn zeventiende heb ik geprobeerd om in India te studeren. Ik ben blij dat het niet gelukt is, want dan zou ook ik olympische walging hebben gevoeld. Ik ben veranderd en India is veranderd. India is nu toe aan buitenstaanders, vindt mij nu eindelijk interessant, neemt me op de hak. Mijn deceptie en afschuw van mijn eerdere reizen zijn verdwenen. Nee, eigenlijk kan er niets fout gaan. Waar ik eerder angst voor heb, is wat er na mijn correspondentschap te wachten staat. Stel dat ik na drie of vier jaar het land een klein beetje kan doorgronden, wat dan? Waar moet ik dan van dromen?”