vrijdag 1 november 2002 / Wordt Vervolgd / Foto's: Karijn Kakebeeke

Reportages & interviews

Onafwendbare vrede?

Op het door burgeroorlog geteisterde eiland Sri Lanka houdt een staakt-het-vuren vooralsnog stand. Wat blijft is een diep wantrouwen tussen boeddhistische Singalezen en hindoeïstische Tamils.

MUTHUR, Sri Lanka – “Opa, hij wil het over de vrede hebben” fluistert de jongen tegen zijn grootvader. Verschrikt staat de oude man op en gebaart zijn bezoekers snel naar binnen te komen. “Kom, loop mee naar de keuken achter het huis.”

In Muthur, een havenplaatsje in het oosten van Sri Lanka, heeft de middaghitte haar hoogtepunt bereikt. In de moskee, aan de overkant van de straat, verzamelen de gelovigen zich voor het gebed. Even verderop luiden de klokken van de methodistische kerk. De straten zijn verlaten, de winkels sluiten hun luiken. Wat geiten liggen versuft in de schaduw van een leeg marktkraampje. Stof waait over het wegdek.
“Vrede? Wat is vrede?” vraagt de oude Abdullah Hakeem in zijn keuken. “Als de politici in Colombo en de rebellen afspreken niet meer te vechten, betekent dat dan dat wij in Muthur vrede krijgen? Laat me niet lachen.” Sinds de wapenstilstand, getekend in februari dit jaar, heerst Muthur een gespannen sfeer. “De mensen praten niet meer met elkaar”, zegt Hakeem, “iedereen wantrouwt iedereen.”

Vorige maand vonden de eerste twee rondes van vredesonderhandelingen plaats die een einde moet brengen aan bijna twintig jaar oorlog. De Tamil Tijgers vechten voor een eigen staat op het door Singalezen gedomineerde eiland. De hindoeïstische Tamils (iets minder dan een vijfde van de bevolking) voelen zich gediscrimineerd en gemarginaliseerd door de boeddhistische Singalezen. In het noorden van Sri Lanka hebben de Tijgers grote gebieden in handen, en in het oosten enkele enclaves. De bloedige oorlog heeft meer dan 64.000 doden en een veelvoud aan gewonden opgeleverd. De Tamil Tijgers specialiseerden zich in guerrillatechnieken en terroristische aanslagen op staats- maar ook burgerdoelen, terwijl het regeringsleger uitblinkt in willekeurige arrestaties van Tamiljongeren, martelingen en verdwijningen.

Nu overheerst de hoop op vrede. “Vrede is welhaast onafwendbaar”, zegt een westerse diplomaat, “de kemphanen zijn moegestreden”. Sinds begin vorig jaar verkeren de Tijgers in ernstige financiële problemen omdat enkele landen met grote aantallen Tamils uit de diaspora (Groot-Brittannië, Canada en Australië) de deviezen van de terroristische organisatie bevroren. Ook de Sri Lankaanse regering kan de oorlog niet meer betalen nu het land economisch op de rand van de afgrond balanceert. Maar de weg naar vrede kent vele angels en voetklemmen.


Zoals de problemen in het plaatsje Muthur. Hakeem schuift zenuwachtig heen en weer op zijn keukenkrukje. Hij is moslim en voelt zich bedreigt, niet in de laatste plaats omdat de Tijgers tijdens de oorlog 120.000 moslims uit hun gebieden hebben verjaagd. “Sinds de wapenstilstand kruipen de Tijgers uit hun holen en beginnen ze weer met hun afpersingen. ‘Belasting innen’ noemen ze dat. Ik weiger te betalen, en ze hebben al gedreigd mijn kleinzoon als kindsoldaat mee te nemen.” Leden van de Sri Lanka Monitoring Mission (SLMM), die toeziet op het naleven van de wapenstilstand, bevestigen dergelijke klachten te hebben ontvangen. Eind juni kwam het zelfs tot ernstige rellen tussen moslims en Tamils. Ondanks het staakt-het-vuren vielen enkele doden en vele gewonden. “En de politie stak geen poot uit. Niemand beschermt ons.”

“Deze problemen waren te voorzien”, zegt Deepika Udagama, rechtsgeleerde aan de Universiteit van Colombo en verbonden aan The Regional Centre for Strategic Studies. “De vredesonderhandelingen tussen de regering en de Tijgers hebben een goede kans van slagen, maar daarmee is er nog geen vrede. In het vredesproces is een weeffout geslopen: er is een machtsvacuüm ontstaan. Toen de Tamils en moslims slaags raakten, grepen de politie en het leger niet in omdat dat een schending van het staakt-het-vuren zou betekenen. De moslims waren het kind van de rekening.” Terwijl de oplossing toch voor de hand ligt: “De regering moet gewoon al haar onderdanen beschermen, ook de moslims.”

En mensenrechten worden veronachtzaamd, vindt Udagama. “Er is altijd gekozen voor het hogere doel, namelijk uiteindelijke vrede tussen de regering en de Tijgers. Daarom worden mensenrechtenschendingen van beide partijen door de vingers gezien. De Tijgers maken zich schuldig aan afpersingen, ontvoeringen en het rekruteren van kindsoldaten, terwijl de regering nog altijd vele Tamils zonder enige vorm van proces vasthoudt. De SLMM moet veel meer lef hebben om dergelijke misstanden aan de kaak te stellen. Als mensen zich onveilig voelen, dan is de vrede in gevaar.”

Diep in de Wanni, het gebied in het noorden van Sri Lanka waar de Tijgers heer en meester zijn, maakt S. Puleedevan zich om heel andere zaken zorgen. Puleedevan is nummer drie in de politieke tak van de Tamil Tijgers en coördinator voor het vredesproces. “Ik vraag me af of de Singalezen klaar zijn voor vrede. Zijn ze echt bereid substantiële autonomie aan ons af te staan? En als de regering daartoe bereid is, is de bevolking dat dan ook?”

Puleedevan doelt op de grote verdeeldheid onder Singalezen. De machtige boeddhistische geestelijkheid, die vooral onder de armen en plattelandsbevolking veel aanhang heeft, ziet een opdeling van Sri Lanka als een verraad aan het boeddhisme. De hindoeïstische Tijgers zouden stromannen zijn van de bijna zestig miljoen Hindoes die enkele zeemijlen westwaarts in India wonen. En Hindoes, zo wil het Singalesse volksgeloof, zijn uit op de verdrijving van het boeddhisme en zijn heilige plaatsen op Sri Lanka. Puleedevan: “Wat wij Tijgers eisen – welvaart, zelfbeschikking en gelijkwaardigheid voor de Tamils – hebben verschillende regeringen ons al vele malen toegezegd. Waarom maken ze hun beloften niet waar? Ik zal u het antwoord geven: omdat de politici in Colombo dat niet durven te verkopen aan hun kiezers. Maar ze moeten wel, want ze kunnen deze oorlog niet winnen.”

De kantoren van de Tijgers staan in Kilinochchi, de ‘hoofdstad’ van Tamil Eelam, de staat waar de Tijgers voor strijden. Om de stad is meerdere malen zwaar gevochten, en dat is te zien: geen gebouw heeft de oorlog ongeschonden overleefd. Kraters in de weg, kogelgaten in de muren. De Tijgers hebben er hun eigen overheid: rechtbanken, scholen en irrigatieprojecten dragen het wat sullige logo van een brullende Tijger. Medewerkers van een internationale niet-gouvermentele organisatie die in de Wanni werken, maken er graag grappen over: “Die brullende Tijger moet in een lief snorrend katje veranderen wil de internationale gemeenschap ze accepteren.” Want de Tamil Tijgers, een dictatoriale leger dat met ijzeren hand haar onderdanen regeert, lijkt nu niet echt de meest aangewezen organisatie om democratie en mensenrechten uit te dragen. Puleedevan kijkt verbaasd op van die kritiek: “Waarom zouden wij dat niet doen? Niemand heeft het beter voor met de Tamils dan de Tijgers. De afgelopen twintig jaar hebben wij oorlog gevoerd tegen onze onderdrukker, de Singalezen. En oorlogen vragen nu eenmaal om uitzonderlijke maatregelen.”

De weg over het schiereiland Jaffna is de treurigste van Sri Lanka. Immense palmbomen – op Jaffna groeit een zeldzaam, hardhouten soort – staan er als afgebrande luciferhoutjes bij. Duizenden huisjes zijn niet meer dan een kaal karkas en in de ramen van de dure villa’s wapperen gordijnen in de wind. Bordjes langs de weg waarschuwen voor mijnen.

Jaffna Stad, de culturele hoofdstad van de Tamils, komt langzaam weer op adem. Sinds het staakt-het-vuren is de avondklok afgeschaft. Voor het eerst in jaren kunnen vrienden elkaar ‘s avonds ontmoeten en als de vuurrode zon in de zee is gezakt, flaneren de inwoners van Jaffna over Main Street of voetballen ze tussen de ruines van de kapotgeschoten huizen. De soldaten van het Sri Lankaanse leger – meestal Singhalese jongens uit de zuidelijke provincie – kijken vanachter hun zandzakken toe.

‘s Avonds is er weinig te doen in Jaffna, slechts enkele restaurantjes hebben de deuren geopend. Ze serveren Coca-Cola, mierzoet gemberbier, cakejes en kokosballetjes – Tamils zijn ware zoetekauwen. Bijna alle restaurantjes hebben dezelfde gloednieuwe koelkasten van hun nieuwe frisdrankleverancier uit Colombo gekregen. Tot voor kort was frisdrank in Jaffna nauwelijks verkrijgbaar – handel met het Noorden was verboden – en nu zijn de volgeladen felgekleurde koelkasten de trots van elk etablissement.

Midden in de stad ligt de boeddhistische tempel Naga Vibara. Er tegenover ligt, hoe kan het ook anders, een immense legerbasis die de tempel moet beschermen tegen aanslagen. Vanavond is het een drukte van belang bij de Naga Vibara. Busladingen vol Singalezen uit Colombo komen hier poya vieren, een belangrijke boeddhistische feestdag. Sinds het staakt-het-vuren is het sinds jaren toegestaan vrij te reizen, ook naar het noordelijke Jaffna, dwars door het door Tijgers beheerste Wanni. De goedgeklede Singalezen kijken hun ogen uit in Jaffna. “We wisten niet dat hier zoveel kapot geschoten is”, zegt een toerist uit Colombo, “op televisie zie je daar nooit iets over.” Een raadselachtig aspect van de Sri Lankaanse oorlog is de gemengde gevoelens die het bij burgers oproept. Sommigen vervloeken elke concessie – met name strenge boeddhisten – maar anderen lijken de zin er nooit van te hebben ingezien. “Laat ze dat arme noorden hebben”, zegt een toerist uit Colombo, “dan hebben zij land en wij vrede.”

Ruwan Chamava (23) denkt er net zo over. Al maanden reist hij op en neer van Colombo naar Jaffna om horloges te verkopen. “Vrede is goed voor de zaken” lacht hij. Daar komt Kabilan Mishantha (19) aangelopen. Hij gaat elke avond naar de tempel. Niet om te bidden, maar om in contact te komen met Singalezen. Kabilan is Tamil en heeft zijn hele leven in Jaffna gewoond en al die jaren was het oorlog. Singalezen kent hij niet, die wonen immers niet in Jaffna. Kabilan en Ruwan zien elkaar elke avond als Ruwan weer horloges komt verkopen. Hij slaat een arm om Kabilan heen. Ze lachen. Kabilan zegt iets, maar Ruwan begrijpt hem niet – ze spreken elk een andere taal. Kabilan zegt het nu in het Engels, en Ruwan lacht weer maar lijkt het nog niet echt te begrijpen. Dan maar handen en voeten, en een gezamenlijk flesje gemberbier. Vindt de Singalees Ruwan het niet gevaarlijk om in Jaffna rond te reizen? “Welnee. Dit was een oorlog van politici, niet van gewone mensen.”

Om veiligheidsredenen zijn enkele namen veranderd.