woensdag 1 juni 2011 / Esquire / Foto: Wikipedia

Reportages & interviews

Onder Heeren

“Waar anders vind je nog gelijkgestemden?” vraagt de voorzitter retorisch. Na jaren van dalende ledenaantallen vinden steeds meer ‘heren’ hun weg terug naar de sociëteit. Een beetje netwerken, maar toch vooral voor een “geestig en intelligent gesprek”. Verslaggever Evert Nieuwenhuis omzeilde de ballotage.

Reis mee naar Zaltbommel. Aan de Waalkade met prachtig uitzicht op de Waal en de beroemde brug van dichter Nijhoff — “Ik ging naar Bommel om de brug te zien” — ligt Sociëteit De Verdraagzaamheid. Sinds 1803 komt hier de gegoede burgerij samen — adel heeft van oudsher niet veel op met sociëteiten — om het provinciale leven te vieren. Onder elkaar, want vrouwen zijn niet gewenst. Een grap die met luid gelach wordt beantwoord: “De laatste vrouw die we hier op bezoek hadden, was koningin Wilhelmina toen ze hier in 1913 op haar verjaardag voorbij kwam varen. Nou, dat bezoek is destijds niet bij iedereen in goede aarde gevallen, en sindsdien komt er geen vrouw meer in!”

Niet dat de leden iets tegen vrouwen hebben. In tegendeel. Maar hier horen ze gewoon niet. Een lid: “Ik ben ook lid van de Rotary, en daar ben ik een groot voorstander van lidmaatschap voor vrouwen. Maar ik stap op zodra ze hier worden toegelaten.” Een ander springt hem bij: “Maar er is domweg geen discussie over. Bij ons niet, maar ook niet bij onze echtgenoten. Wij ondervinden van niemand enige druk om dames toe te laten.” Maar wat zou er veranderen in deze sociëteitszaal, waar vanavond zo’n vijfentwintig heren bijeen zijn, met de aanwezigheid van één dame? Een derde tafelgenoot: “Neem maar eens een kijkje in de sociëteit van zo’n gemengd studentencorps. Wat die allemaal wel niet aan regels en mores hebben om het geflirt tegen te gaan en het geheel een beetje op niveau te houden, dat is niet mis. Dat wil ik hier niet. Ik ben tegen regels op een sociëteit.” “Welnee,” merkt de vierde tafelgenoot droogjes op, “Met een of twee vrouwen in de tent zou er helemaal niets veranderen. Maar ik heb er gewoon geen zin in. Het is goed zoals het is.”

Het kostte enige overredingskracht om een buitenstaander, en dan nog wel eentje met pen en notitieblok, toe te laten. Want, zo legt voorzitter Peter Thole, architect, uit, “wij hebben hier geen regels, behalve deze: alles wat binnen de sociëteitsmuren gebeurt of gezegd wordt, blijft binnen diezelfde muren.” Voor een keer werd een uitzondering gemaakt, mits de aanwezigen niet met naam genoemd worden.

De Verdraagzaamheid komt elke woensdagavond samen. Sommige leden zetten vanaf negen uur het eerste biertje of jenevertje aan de lippen, anderen druppelen na elven binnen. Er is geen sluitingstijd. Het monumentale pand is eigendom van De Verdraagzaamheid en wordt verpacht aan een plaatselijke ondernemer die er een grand café en restaurant uitbaat. Maar de sociëteitszaal op de eerste verdieping is het domein van de leden en niemand anders dan de leden. Bij het afsluiten van het contract met de uitbater is bedongen dat de sociëteitsbezoekers net zo lang mogen blijven als de laatst blijvende dat wil. Net als vroeger, toen op zolder zelfs een slaapkamertje ingericht was voor de nachtbrakende notaris of burgemeester. Met de verbouwing is een ander relikwie verdwenen: de verborgen trap aan de achterkant van het pand, uitkomend op de binnenstraatjes van Zaltbommel. De dronken Bommelse notabelen konden zo ongezien van de trap afkelderen en naar huis gedragen worden. Beschamende taferelen op de prominente Waalkade werden vermeden.

De sociëteitszaal is ruim en in oude luister hersteld. Witte pilaren, stijlvolle, moderne kroonluchters en een knetterende openhaard. Het portret van de koningin hangt aan een van de muren. Halverwege de zaal bevindt zich het fraaie balkon — van waar de heren naar Wilhelmina moeten hebben gezwaaid — met uitzicht op de Waal. Achterin de zaal staat het biljart en de bar met een puisterige puber, personeel van de uitbater, die de heren bedient. De tafeltjes en stoelen, her en der over de zaal verspreid, zijn een beetje ‘knorrig’ zoals dat in sociëteitsjargon heet. “Bij de renovatie hebben we een fout gemaakt: de uitbater het meubilair laten kiezen”, verontschuldigt een lid zich, “het is een beetje horeca-achtig— niet wat we gewend zijn.” Nog iets wat moet wennen: de dranken worden niet meer geturfd, maar met bonnetjes afgerekend. “En sinds wanneer is in De Verdraagzaamheid bier op de bon?”

De Verdraagzaamheid heeft zo’n vijfentachtig leden. Bijna allemaal woonachtig in Zaltbommel, de meesten academisch geschoold. Enkele huisartsen zijn lid, een paar advocaten, enkele accountants, een veearts, een notaris. Geen middenstand. Toetreden tot de illustere gelederen gaat middels ballotage. Na een introductieperiode van enkele weken moeten twee leden de voordracht ondersteunen. Afgelopen jaar sloot de sociëteit zo’n tien nieuwe leden in haar armen, enkele meer dan het aantal dat de sociëteit verliet. De ‘harde kern’ bestaat uit zo’n vijfentwintig man, en per avond zijn tussen de twintig en veertig leden aanwezig. Soms organiseert het bestuur een mosselavond of een haringavond, maar over het algemeen wordt er niets georganiseerd. Deze avond kaarten wat heren aan een tafeltje, elders wordt gediscussieerd over de staatsrechtelijke consequenties van Willem-Alexanders huwelijksaanzoek, bij de bar praat een groepje over de angst voor massale witwaspraktijken tijdens de invoering van de Euro en weer drie anderen gaan op in hun biljartspel. Een enkeling heeft net iets te veel gedronken om het uitgelaten gedrag aan louter vrolijke inborst te kunnen toeschrijven.

In De Verdraagzaamheid hangt een weldadige, ongedwongen sfeer. Je zou er bijna voor in de provincie willen wonen.

Wat trekt de heren? De voorzitter van bestuur van een nabijgelegen universiteit, al eenentwintig jaar lid: “Wij kennen geen verplichtingen, en dat is wel zo aardig. Sommige van mijn sociëteitsvrinden zijn lid van de Rotary, de Lions Club en wat al niet meer. Daar moet van alles. Hier heerst een anarchistische vrijblijvendheid, en dat is wel zo elegant.” De huisarts: “In het café kom ik soms mijn patiënten tegen, en daar heb ik niet altijd trek in. En trouwens: zoveel cafés die de moeite waard zijn, kent Zaltbommel niet.” De accountant: “Het ontmoeten van gelijkgestemden. Zeg me eens eerlijk: waar ontmoet je nog mensen die in staat zijn een geestig en intelligent gesprek te voeren?” En de verschillende contacten zullen ongetwijfeld goed zijn voor de zaken. “Nee, niet echt”, zegt de exporteur van zuivelmachines, “ik doe vooral zaken met het Midden-Oosten. Maar ook voor de anderen geldt: we zijn de hele dag al bezig met zaken en dat is het laatste waar we tijdens ons sociëteitsbezoek aan willen denken. De Verdraagzaamheid is onze tweede thuis.”

Zo zien ze dat in sociëteit De Witte ook. “Geoorloofde uithuizigheid” heet het in de statuten. Met andere woorden: de echte heer is ’s avonds niet uithuizig, zeker niet in cafés of andere openbare etablissementen. Maar op sociëteitsbezoek gaan, dat is iets anders. De sociëteit is immers ‘s heers tweede thuis.

Nederlands meest eerbiedwaardige sociëteit heet voluit De Nieuwe of Littéraire Sociëteit De Witte. De spelling dateert uit oprichtingsjaar 1802, toen Napoleon in Nederland de scepter zwaaide. De Witte bestond al enige jaren voor de keizerlijke zegetocht, maar de sociëteit werd verboden wegens de Franse angst voor samenzwering. Door zich voor te doen als een ‘salon littéraire’ — bakermat van de Verlichting, waaraan Napoleon indirect zijn macht te danken had — werd dat verbod omzeild. Vandaar de toevoeging ‘Nieuwe of Littéraire Sociëteit’. In de biljartzaal hangt ironisch genoeg een portret van Napoleon, met daarnaast een prent van Rutger Jan Schimmelpennick, voorman van de laat achttiende-eeuwse Patriotten die onder invloed van de Verlichting — en, hoe Hollands, de behoefte aan economische hervormingen — zich keerden tegen de Prinsgezindten, oftewel de volgelingen van de Oranjes. Zij verenigden zich in sociëteiten als De Witte — bolwerken van de verlichte bourgeoisie, geïnspireerd door het Franse revolutionaire gedachtegoed. De oude landadel gruwde ervan.

Maar die vooruitstrevende ideologie is al lang vervlogen: in de zalen van De Witte is heden ten dage behoudzucht een prijzenswaardige eigenschap. Adel en Oranjes zijn sinds mensenheugenis bon ton, en op de plaquettes die her en der in de sociëteit hangen, prijkt heel wat edele titulatuur. Op de omloop op de eerste verdieping hangen prominent de portretten van vier generaties Oranjes, geschilderd door Willy Sluiter. Naar verluidt — bij De Witte doen ze daar wat geheimzinnig over — krijgt elke mannelijke Oranje sinds jaar en dag lidmaatschap voor het leven aangeboden. Zo zou kroonprins Willem-Alexander lid zijn, maar zelden aanwezig. Bloed kruipt waar het niet gaan kan: in een televisie-interview met Paul Witteman maakte Willem-Alexander enige jaren geleden bekend niet verzot te zijn op zijn Leidse studentensociëteit Minerva.

Aan het Plein, schuin tegenover de ingang van de Tweede Kamer en naast het Mauritshuis, ligt het kolossale, bijna honderd meter lange pand. De oude sociëteit, het huidige pand stamt uit 1870, was wit gepleisterd en daar komt de naam De Witte vandaan. Heel wat projectontwikkelaars hebben een oogje op het pand laten vallen. Het verhaal wil dat een en stuk of dertig projectontwikkelaars gezamenlijk lid werden om en masse tijdens een vergadering te stemmen het pand te verkopen, zodat zij er een andere, commerciële bestemming aan konden geven. En een andere partij gaf onlangs te kennen — godbetert — een bowlingbaan op deze plek te willen openen.

Ik word ontvangen door Toine van Benthem, commissaris (bestuurslid) van De Witte. Van Benthem heet hij me welkom met een weids gebaar naar de majestueuze, negentiende-eeuwse hal. Lelieblank marmer, glimmend koper en een knerpende rode loper onder de verplichte lederen schoenen. Net als elders in De Witte heerst hier geen protsende pracht en praal, maar een ingetogen weldadigheid. De Witte is een sociëteit de residentiestad waardig. De Witte is in alles Haagsch.

Het hart van De Witte, de Oude Conversatiezaal, voldoet volledig aan het ideaalbeeld van een sociëteit. De lederen fauteuils en salontafeltjes vallen haast weg in het uitbundige, negentiende-eeuwse neorenaissance decor. Gepleisterde pilaren ondersteunen neoklassieke boogjes, in koper omlijste spiegels creëren een ruimtelijk effect en de vele kroonluchters geven een gedempt licht. In de muren is zo nu en dan een beeldhouwwerkje ingebouwd, al dan niet bedekt door een tempaantje. Aan het plafond schittert een trompe-l’oeil: waar je in de zaal ook staat, de engeltjes glimlachen vanuit de hemel je recht in het gelaat toe.

Uiteraard klinkt hier geen muziek, dat zou de rust alleen maar verstoren. De bedienden (“Goedemiddag, m’neer Van Benthem”) gaan gekleed in klassiek tenue, en in de lederen clubfauteuils en chesterfieldbanken converseert her en der een groepje bejaarde heren. De sociëteit is vanaf tien uur ’s ochtends tot elf uur ’s avonds geopend (in het weekend is de sociëteit gesloten) en sommige van de vaste bezoekers lezen alleen híer hun boeken. De hoogbejaarde heer enkele meters van ons vandaan slaat zojuist de eerste bladzijden van zijn Ludlum om. En nipt wat van zijn whiskey.

Van Benthem, een veertiger, tandarts en filmscriptschrijver, laat zijn tweede thuis zien. Her en der groet hij bekenden, maakt aan de bar een praatje met twee cricketvrienden (de een directeur van een assurantiemaatschappij, de ander van een accountantsbureau) over “de ouwe Kruyt” die weer aan het cricketten is geslagen. We lopen door de hal, bestijgen de monumentale trap. Op de eerste verdieping ligt de biljartzaal met zeven Wilhemina-biljarts, waaronder twee wedstrijdtafels. Twee heren — de mouwen opgestroopt, de das tussen de overhemdsknoopjes weggestopt — bespreken hun caramboles. Achterin de zaal staat achteloos een antieke houder voor de ‘Vrye Keuen’. Hoe oud zou het gebruiksvoorwerp zijn? Twee eeuwen, net als De Witte?

Langs enkele afgezonderde eetzalen en de bridgezaal, gevuld met zo’n twintig tafels, komen we in de bibliotheek. Hier houden we langer stil, want de bibliotheek is Van Benthems troetelkindje. Ruim veertigduizend boeken liggen en staan hier, de grootste particuliere bibliotheek van Den Haag en omstreken. De Tachtigers, Indië en de Oranjes zijn enkele van de specialiteiten. We lopen naar de aangrenzende leeszaal. Alles is hier oud. Zelfs het tapijt valt onder de monumentenzorg, zegt Van Benthem met een trotse glimlach. Het heeft er inderdaad alle schijn van dat hier de afgelopen honderd jaar hoegenaamd niets is veranderd. Maar er liggen ook hedendaagse tijdschriften als Elsevier, The New Yorker, het huisorgaan van de Navo (van oudsher zijn veel hoge militairen lid) en de Internationale Spectator. Maar het vakje met als onderschrift ‘Plaboy (Engelstalig)’ is leeg — een oude snoeper zou toch niet…? De chambres separées — door gordijnen afgescheiden kamertjes met leeslampjes en fauteuils — zijn deze middag in ieder geval niet bezet.

Hoe mooi ook, de bibliotheek is een zorgenkindje. Ze dreigt in de vergetelheid te raken, terwijl het nu al bepaald niet de meest gebruikte ruimte van De Witte is. Laatst benaderde een lid de bibliotheekcommissie. Hij had in een Hamburgs antiquariaat een honderdentwintig jaar oud boek gevonden waarin het sociëteitsleven in De Witte van destijds treffend werd geschetst. Vol trots lid het lid het boek aan de bibliotheekcommissie zien. Van Benthem: “Een van de oudere leden meende zich te herinneren dat wij dat boek ook hadden, maar dan met de andere drie bijbehorende delen. En verdomd, ze lagen op zolder. Dat is een leuk verhaal, maar wat gebeurt er als dergelijke heren hier niet meer rondlopen?” Daarom wil Van Benthem de bibliotheek beter inventariseren. Van Benthem: “Hoeveel gesigneerde eerste drukken zullen hier wel niet liggen? Of zeldzame uitgaven uit geërfde bibliotheken van overleden leden? Onlangs stelde ik voor om stagiaires van de bibliotheekopleiding hier de boel te laten inventariseren. Een fantastisch project natuurlijk. Maar het bleek voor menig ouder lid onbespreekbaar: die meisjes zouden er alleen maar een rotzooitje van maken, zo heette het. En een computer in onze bibliotheek? Uitgesloten.”

Na een bezoek aan de antieke kegelbaan in de kelder begeven we ons naar de Oude Conversatiezaal voor nog een drankje en het diner. Het is een gewone doordeweekse avond en langzaam raakt de zaal wat voller. Sommigen hebben er duidelijk een werkend leven opzitten, anderen lijken net uit kantoor te komen om eerst “onder vrinden” een borrel te drinken voor naar vrouw en kinderen te gaan. Sinds 1998 mogen ook vrouwen lid worden, en momenteel zijn dat er enkele tientallen. Een omstreden besluit waar ook Van Benthem geen voorstander van was. Daarvoor mochten vrouwen wel als introducé mee, maar niet de Oude Conversatiezaal betreden. De borrelzaal was goed genoeg. Tijdens ons diner loopt een muisje door de zaal. Van Benthem moet al lachen voordat hij z’n grap maakt: “Ons laatste wapen om die vrouwen eruit te werken!” Boys will be boys.

En zo komen we te spreken over “het voorrecht” lid van een herensociëteit te mogen zijn. Van Benthem lacht jongensachtig, het is niet makkelijk om uit te leggen wat de onweerstaanbare aantrekkingskracht van de gentlemen’s club is. “Misschien had ik een andere eeuw in Engeland geboren moeten worden”, zegt hij. “Ik val voor het decorum, dat is waar. Dat de bedienden weten welk drankje ik graag drink, is aardig. Maar er is meer. Het heeft ook iets met onthaasting te maken. Hier geen televisie, geen internet, geen voorbij flitsende beursberichten. In De Witte nemen mensen nog de tijd om met elkaar te discussiëren en om het leven met enige afstand te beschouwen. Hier heerst een kameraadschappelijke sfeer. Mannen onder elkaar. Het gevoel waar ik tijdens mijn studententijd zo van genoot, dat vind ik hier nog steeds. Ik hoef mij bijvoorbeeld niet te schamen dat ik een middag bezig ben geweest om uit te zoeken waar de titel van een bepaalde roman naar verwijst. De trefkans mensen te ontmoeten die zoiets ook interessant vinden, is hier groter dan waar ook. In De Witte vind ik mijn gelijken.”

Steeds meer mannen — en een enkele vrouw — vallen daarvoor. Het ledenaantal heeft de recordgrootte van tweeëntwintighonderd bereikt. De zogeheten Jongerentafel is groeiende en bestaat nu uit zo’n tweehonderdenvijftig leden, de meesten tussen de dertig en veertig jaar, waardoor de gemiddelde leeftijd in De Witte behoorlijk daalt. Van Benthem: “Tien jaar geleden moest ik bij vrienden en kennissen verdedigen dat ik lid was van De Witte, nu vinden ze het juist interessant. Kijk ook naar jongeren: niet de disco, maar ‘loungen’ is tegenwoordig je van het. Mag ik je eraan herinneren dat het woord ‘loungen’ uit het sociëteitsleven afkomstig is? Jongeren hebben kennelijk ook de behoefte om in een charmante omgeving een Martini te drinken.”

Tot slot die ene, niet te weerstane vraag: welke vooraanstaanden heeft De Witte onder haar leden? Van Benthem kijkt naar zijn bord — daar wordt immers niet over gesproken. Voormalig minister-president Joop den Uyl verbood zijn ministers lid te zijn van De Witte. Het gekonkel en gesmoes van de Haagse hoogstgeplaatsten maakte de sociaal-democraat Den Uyl — net als Napoleon — argwanend. Zijn momenteel enkele politici lid? Van Benthem: “Van oudsher frequenteren veel ambtenaren uit de hogere echelons De Witte en heren in vrije beroepen, zoals advocaten of notarissen. De laatste tijd steeds meer managers en anderen uit het bedrijfsleven. Maar ook politici, en ja: zelfs ministers.” Welke? Van Benthem glimlacht beleefd. En hoe zit het nou met de kroonprins? Van Benthem: “Nog wat wijn?”

Ook De Industrieele Groote Club in Amsterdam is zwijgzaam over zijn leden. Maar, zo verzekert Anneke de Jong, verantwoordelijk voor “Management PR & Evenementen”, zowel kleine zelfstandige ondernemers als de top van “de grote multinationals” zijn lid. Zelfs een ziekenhuis wil lid worden, zo blijkt uit de ballotagelijst die in de hal hangt. Vrijwel alle overige leden van de De Industrieele Groote Club (IGC) zijn deal- and decisionmakers uit de oude maar in toenemende mate ook uit de nieuwe economie. Doel van de IGC is om mensen uit het zakenleven op een aangename manier met elkaar in contact te brengen. De IGC is een schier onuitputtelijke bron van interessante visitekaartjes.

Dat zie ik toch echt te eenzijdig, zegt Anneke de Jong: “Wij zijn een businessclub, maar niet zo’n moderne die alleen bestaat om te netwerken. Dan schiet je je doel voorbij. Tuurlijk, er worden hier heel wat netwerken onderhouden. Maar wij leggen veel nadruk aan een hecht verenigingsleven en de ambiance die daarbij hoort.”

Op meer punten bestaat een schril contrast met De Witte. Zo staat er in de hal, vlak voor de ingang van de borrelzaal, een teletekstmonitor afgestemd op de laatste beursberichten. En waar in De Witte getwijfeld wordt over het nut van computers, verkleint het IGC de bibliotheek om ruimte te geven aan een businessroom waar faxen en internetcomputers zoemend op de haastige zakenman wachten. En vrouwen zijn al sinds jaar en dag lid, momenteel zo’n twaalf procent van de in totaal achttienhonderd leden. “Wat een keurige afspiegeling is van de Nederlandse vrouw in de top van het bedrijfsleven”, zegt mevrouw De Jong trots.

Prachtig is het er. De IGC ligt in hartje centrum: aan de Dam, op de hoek van het Rokin. Buiten woelt en krioelt het en lijkt de Dam door de bouwwerkzaamheden op een Bosnisch slagveld, binnen zorgt het donkere leer en de eikenhouten lambrisering voor rust en grandeur. De portier neemt je jas aan, maakt een praatje met je en wijst je de weg door het elegante art-deco trappenhuis. Het restaurant is stijlvol, de borrelzaal klassiek. Vlakbij de open haard hangen decoraties van prins Bernhard, patroon van het Nederlands bedrijfsleven en dus beschermheer van de IGC.

Net als De Witte is de IGC onderverdeeld in ‘tafels’. Het zijn groepjes van leden die elkaar gevonden hebben vanwege hun gezamenlijke beroep of andere gedeelde interesses. De Witte kent bijvoorbeeld een Diplomaten Tafel maar ook een Travellers' Tafel voor reislustige leden. Bij de IGC worden dit soort besloten tafels veelal genoemd naar hun oprichter. Deze dinsdagavond komt de Habbema-tafel bijeen: grijze heren die toch al zo’n veertig jaar samenkomen. Eerst bridgen bij de open haard, dan borrelen, dan dineren. Elke week. De Witte kent alleen besloten tafels, de IGC ook open tafels. Zo komt diezelfde avond de Vastgoedtafel bijeen; morgen zou dat de Financiële Tafel of de Communicatietafel kunnen zijn. Iedereen die geïnteresseerd is in de ontwikkelingen in de vastgoedbranche, is vanavond welkom. Er is een borrel, een lezing en een diner. Met name jonge leden komen hierop af. Een beetje bedremmeld staan wat jonge leden, niet ouder dan dertig, bij de bar te wachten. De Jong introduceert ze aan enkele oudere leden.

Een week later lunch ik op de club met mevrouw Arnoldina van Berge, bestuurslid van de IGC en notaris te Amsterdam. Bij het opnemen van de bestelling wordt de bediening gemaand het niet te bont te maken — als een bestuurslid met gast eet, willen de koks zich wel eens iets te veel uitsloven. Van Berge vertelt over de aanwas van jonge leden. Net als andere sociëteiten deint het IGC een beetje na op de golven van de studentencorpera: als zij groeien, groeien de clubs vijf á zes jaar later mee. Een paar jaar gelden traden maar liefst in een keer driehonderdenvijftig oud-Nyenrodestudenten tot de gelederen. Van Berge: “Voor de continuïteit van de club is de aanwas van nieuwe, met name jonge leden natuurlijk cruciaal. Daarnaast heeft een groter ledental ook een cumulatief effect: het betekent dat er meer en meer diverse contacten kunnen ontstaan. Met name voor de jeugdige leden is dat belangrijk.”Voor de duidelijkheid: jeugd betekent jonger dan veertig jaar. Om de toeloop verder te stimuleren, wordt binnenkort naar alle waarschijnlijkheid een ICT-tafel opgericht.

Ook Anneke de Jong luncht mee. Ze benadrukt dat de club lang niet zo stoffig is als vaak wordt gedacht: “Het is nooit meer echt stil op een avond.” Daar heeft ze, acht jaar geleden bij haar indienstneming, heel wat voor moeten doen: evenementen organiseren, het clubblad nieuw leven inblazen en bedrijven interesseren voor lidmaatschap. De Jong: “De sfeer is nu informeler. In mijn eerste jaren hier was het steevast mevrouw De Jong, nu is het gewoon Anneke.” Toen een cateraar de keuken overnam, dreigde even de traditionele gemberpunt van de kaart te verdwijnen. Heftig protest was het gevolg, compleet met ingezonden brieven in het clubblad tot een gedichte lofzang op de gemberpunt aan toe. Het besluit werd teruggedraaid.

Hoe graag Van Berge en De Jong de ‘jeugdigheid’ van de club ook bezingen, de gemiddelde leeftijd is nog altijd hoog: de helft is ouder dan vijftig jaar. Tijdens onze lunch schuifelt voetje voor voetje een hoogbejaarde heer van de bar naar het restaurant. Twee van zijn even oude tafelgenoten ondersteunen hem gebroederlijk: “Rustig aan jongen, dan komen we er wel.” Zouden de leden van de op te richten ICT-tafel over vijftig jaar dezelfde kameraadschap aan de dag leggen? Van Berge: “De tijd zal het leren. De leden maken de club, en in die zin is de ICG een spiegel van haar tijd.”

Terug naar de Bommelse beau monde. Want wat al die grootstedelijke heeren zoeken — “onthaasting”, “een stukje bezinning” — dat vind je pas echt in De Verdraagzaamheid in Zaltbommel. Jonkheer Piet Beelaerts van Blokland schreef eens over zijn Amsterdamse sociëteit Onder Ons: “Hier is honderdvijftig jaar lang niets veranderd. (…) Is dat niet het grootste compliment dat je een sociëteit kunt geven?” Hij had Zaltbommel moeten zien.

Die woensdagavond loopt een van de Bommelse notabelen een beetje loom rond. Dan pakt hij een keu en laat de biljartballen over het laken gaan. Hij oefent wat, maar echt lukken wil het niet. Hij bestelt een biertje, luistert even mee bij een discussierend groepje en loopt even later naar het balkon. Om te staren naar Nijhoffs “landschap wijd en zijd”. En wie weet mijmert hij over een voorbijvarende Beatrix.

Sociëteiten in Nederland

Na de nivelleringsgolf van de jaren ’60 en ’70 bleken de Nederlandse herensociëteiten op sterven na dood. De Groote Club en De Industrieele Club — die op sommige punten antagonisten waren — moesten bijvoorbeeld in 1978 fuseren om te overleven. Maar nu ‘elite’ geen vies woord meer is, bloeit het sociëteitsleven volop. Het is chique, het is lucratief voor het netwerk en ach, het is nog aangenaam ook.

Naast klassieke sociëteiten als de IGC, De Witte en De Verdraagzaamheid, zien de laatste jaren verschillende soorten sociëteiten het levenslicht. Zo opende de Universiteit van Amsterdam in 1995 de deuren van De Amsterdamse Academische Club waar het wetenschappelijk personeel “in Angelsaksische sfeer” van gedachten kan wisselen — of gewoon een borrel drinken. Opvallend is nieuwkomer Baby aan de Amsterdamse Keizersgracht. Geen sociëteit is hipper dan dit loungepaleis. De inrichting is strak en trendy, naadloos aansluitend bij de verfijnde smaak van de hoofdstedelijke art directors, electronic designers, fotografen, reclamejongens — kortom: de commercieel creatieven. Daarnaast verrijzen her en der — met name in provinciesteden — zogeheten buisiness clubs. Hier ontmoeten de look-a-likes van Harry Mens elkaar om in een gewild exclusieve omgeving zaken en plezier te combineren. Niet iets voor een echte heer dus.