zondag 1 april 2001 / Internationale Samenwerking / Foto's: Karijn Kakebeeke

Reportages & interviews

Op de goede weg

In Kosovo leven etnische minderheden, met name Serven, in een maatschappelijk isolement. Reizen over openbare – lees: Albanese – wegen is voor hen levensgevaarlijk. Het project Trojan Roads wil Serven bewegingsvrijheid geven.

Bovenop de monumentale toren op het historische Merelveld, een half uurtje rijden vanaf Priština, wijst majoor Jamie Marok van de Britse Mariniers naar een heuvel aan de horizon. Hij kent het gebied als zijn broekzak. “Zie je dat dorp in de verte? Dat is Obilic. Daar werd vlak voor kerstmis een bejaard Servisch echtpaar vermoord. ‘s Avonds laat bestormden Albanezen het huis, sleurden het echtpaar naar buiten, sneed hun hals door en liet ze doodbloeden. Wonder boven wonder overleefde de vrouw het. Zij woont nu in Servië.”

Dit soort wraakexercities komen regelmatig voor, maar deze was bijzonder. Marok: “Deze mensen zijn veel te oud om een rol van enige betekenis in de oorlog te hebben gespeeld. Daarnaast wonen ze heel afgelegen, weinig mensen wisten van hun bestaan.” Toch moesten ze dood, sommige Albanezen willen immers een ‘zuiver’ Kosovo. Waarschijnlijk wordt een van hun zonen verdacht van oorlogsmisdaden, en dan geldt de bloedwraak. “Zo diep zit de haat: dat zelfs bejaarden worden vermoord”, zegt Marok.

Het Merelveld is een beladen plek. Hier vocht in 1389 de Servische prins Lazar Hrebeljanović tegen de oprukkende Islamitische Osmanen. Cynisch genoeg vochten de Serven met enkele Albanese clans zij aan zij. In feite werd het gelijkspel, maar voor de Serven bleken de verliezen jarenlang onoverkomelijk en zij beschouwen de veldslag als verloren. In het Servische nationalisme – net als het Albanese een potpourri van mythes en feiten – is het Merelveld dan ook heilige grond. Hier is het Servisch verzet geboren, hier ligt de bakermat van Servië.

Slobodan Milošović vergeleek zich graag met Lazar. Aan de voet van de toren, een monument ter nagedachtenis van de veldslag, hield Milošović zijn historische toespraak bij de herdenking van de zeshonderdste verjaardag van de veldslag. Naar schatting een miljoen Servische Kosovaren luisterden vol enthousiasme. In hetzelfde jaar, 1989, begon Milošović met het instellen van een apartheidsregime jegens de Albanezen. De Servische onderdrukking eindigde met de Kosovo-oorlog van 1998-1999, die culmineerde in de Navo-bombardementen en honderdduizenden vluchtelingen.

Nu is de monumentale toren beschadigd. Dat wil zeggen: de eerste treden van het trappenhuis liggen in puin, de rest bleek te zwaar gebouwd voor eenvoudige sloophamers. Na de oorlog was de wraak van de Albanezen zoet. Niemand kent de Albanese Kosovaren beter dan de Servische Kosovaren en zij wisten wat hen te wachten stond. Massaal ontvluchten zij Kosovo: van de tweehonderdduizend Serven die voor de oorlog in Kosovo woonden, is ongeveer de helft gebleven.

Het merendeel daarvan woont in het noordelijke, door Serven gedomineerde Mitrovica. Regelmatig vinden door heel Kosovo aanslagen op Serven en andere minderheden plaats. Onlangs werd een complete bus met Serven opgeblazen. De Albanezen beschuldigen andere minderheden, zoals de Bosniaks (Servisch sprekende moslims), Turken, Roma, Ashkali (Albanees sprekende zigeuners) en Gorani (een minderheid uit het Gora-gebied in Zuid-Kosovo) van collaboratie met de Serven en velen van hen hebben de wijk genomen. Vlakbij Obilic, waar het bejaarde echtpaar vermoord werd, staat een groep zwartgeblakerde ruïnes: hier woonden voor de oorlog Roma.

In de verbazingwekkend snelle wederopbouw van Kosovo (zie IS, maart 2001) komen de minderheden er bekaaid vanaf. Er zijn enkele sporadische programma’s (zie artikel over financieringsfonds SIMF) georganiseerd door de overgangsregering van de Verenigde Naties, maar het is vooral de internationale troepenmacht KFOR die zich voor hen inzet. KFOR heeft immers de opdracht alle Kosovaren te beschermen.

Dat is dan ook de dagtaak van majoor Marok. Soms wonen de Serven in gemengde stadjes als Kosovo Polje (Servisch voor Merelveld, waar het vlakbij ligt) maar meestal in gescheiden dorpjes. Prikkeldraad, wegversperringen en rondrijdende pantserwagens geven de enclaves het aanzien van een getto. Orthodoxe kerken zijn steevast voorzien van een hoge, door KFOR bemande wachttoren. Enkele keren per week vertrekt een door KFOR beschermd konvooi naar Servië of het noorden van Kosovo zodat de boodschappen gedaan kunnen worden. Want een Albanees die met Serven handelt is ‘een verrader’ en dus geen lang leven beschoren.

Maar zelfs in hun enclaves zijn de Serven niet veilig. Zo bleek het in het gebied van majoor Marok – vlakbij het Merelveld – voor Serven gevaarlijk om naar een Servische dorpje binnen dezelfde enclave te reizen, ook al lag dat slechts enkele kilometers verderop. Zo nu en dan reden Serven in een hinderlaag.

Marok leidt een project dat daarin verandering wil brengen: ‘Trojan Roads’. Marok: “Het sociale leven werd ernstig verstoord. Deze Serven konden niet meer familie of vrienden een dorp verderop en de dorpjes werden langzaam een gevangenis.” Daarom werden wegen tussen de dorpjes aangelegd. Maar ook dat ging mis. Marok: “De Albanezen legden mijnen onder het wegdek. Tijdens een ontploffing kwamen enkele Serven om het leven en raakten anderen gewond. Toen hebben we besloten de wegen te asfalteren.”

Twee wegen zijn nu geasfalteerd en de laatste weg in deze enclave wordt tijdens onze rondleiding door een eenzame KFOR bulldozer geëffend. Nederland betaalt het asfalt (zo’n 3,6 miljoen gulden) en KFOR levert mankracht en materiaal. Een Amerikaans bedrijf legt het asfalt. In het begin bleek het moeilijk om Albanese werkkrachten te vinden maar later werkten zijn probleemloos mee. Zo’n twintigduizend Serven maken gebruik van de Trojan Roads.

We rijden naar het dorpje Predle. De Servische vlaggen wapperen in het bleke voorjaarszonnetje en de uithangborden van het dorpscafé zijn in het cyrillisch beschreven. De kleine wegstalletjes accepteren alleen de Joegoslavische dinar, niet de D-mark waarmee de rest van Kosovo betaalt. Maar net als in de Albanese dorpjes scharrelt wat klein vee vrij rond en sjokt zo af en toe een paard met wagen voorbij.

Bij een schoolgebouwtje staat een groepje mannen te roken. Het zondagse pak is uit de kast gehaald: vandaag worden diploma’s uitgereikt. Binnen wordt gezongen en is het een drukte van belang. Het gebouwtje is in opmerkelijk goede staat – Belgrado zorgt financieel gezien goed voor deze dorpjes, het zijn immers de laatste strohalmen. Sascha (34) is trots op zijn kleine meid die wat verlegen haar diploma laat zien. Maar Sascha heeft ook heel wat te klagen: “Het leven is voor ons heel zwaar. Er is geen werk en er zijn geen goede opleidingen. We hebben geen volwaardig leven. Vandaag is in Mitrovica een demonstratie waarin wij Serven meer veiligheid en vrijheid eisen. Maar daar kunnen wij niet heen.” Enkele omstanders beamen Sascha’s woorden. Maar de Trojan Roads dan? Sascha haalt zijn schouders op, kijkt naar de grond en schuifelt wat met zijn voeten. “Ja”, zegt hij bedeesd, “die zijn wel goed. Zeker nu ze geasfalteerd zijn. Maar het zijn er veel te weinig.” Een andere man, Marko (40) dringt zich naar voren. “Ach Sascha is een zeurpiet. Wij zijn heel blij met de geasfalteerde wegen. Ik woon in een ander dorp, en dankzij de geasfalteerde wegen kan ik mijn zoontje naar deze school sturen. Maar hij heeft gelijk: we hebben er veel meer van nodig!” De andere mannen knikken ook nu instemmend.

Later, als we langs het Merelveld terug naar Priština rijden, legt majoor Marok uit waarom er niet meer geasfalteerde wegen worden aangelegd: “We kunnen niet meer doen dat dit. In deze enclave zijn alle dorpjes met elkaar verbonden. Een corridor door Albanees gebied aanleggen is geen optie. Te gevaarlijk.”