donderdag 27 oktober 2016 / Zilt /

Reportages & interviews

Rekenen en genieten - Wadzeilen voor beginners

Met zijn Galatea, een Taling 32, verkent Evert Nieuwenhuis met twee kinderen en hoogzwangere vrouw voor het eerst de Waddenzee. Vooral het getij vindt hij een uitdaging, maar na verloop van tijd kiest hij zijn eigen koers en durft zelfs het advies van een ervaren waddenzeiler in de wind te slaan.

Klik hier om het verhaal in Zilt te lezen (gratis). Onderaan deze pagina staat een pdf van het stuk zoals het in Zilt verscheen.

De sluisdeuren van Kornwerderzand openen zich en ons nieuwe vaarwater ligt aan onze voeten. Zelfs de hamstertjes – onze dochters van zes en acht jaar oud, die zich tijdens het varen het liefst benedendeks met Tina’s en iPad vermaken – verlaten hun holletjes en komen kijken. De zilte lucht waait ons tegemoet, rond de dukdalven kolkt de vloedstroom en verdomd, al nog geen mijl op de Boontjes richting Harlingen, steekt de eerste zeehond zijn kop boven water. Welkom op de Wadden.

De Wadden. Alleen al die naam tovert bij bijna elke zeiler een glimlach op het gezicht en een weemoedige glans in de ogen. Fotogenieker vaarwater is haast ondenkbaar en zeilende vrienden prijzen de Wadden aan als het ideale vaargebied voor gezinsvakanties. Na het lezen van de boeken van Hans Vandersmissen, die lyrisch schrijft over ‘de Friese zee’, was ook ik definitief bevangen door de aantrekkings- kracht van onze noordelijke archipel.

Stroming en getij

Deze zomervakantie was het zover. Ik was opgetogen en zenuwachtig tegelijk. Want de Wadden zijn mooi, maar niet makkelijk. “Stroming, getij, wantijen – je moet er wel goed mee om weten te gaan”, waarschuwt een vriend die er al jaren met zijn gezin zeilt. Hij kan het weten na diverse avonturen, waaronder een stranding op een zandbank als gevolg van “een klein rekenfoutje” met de getijdentabel. Dat maak ik op mijn eerste Waddentocht liever niet mee, zeker niet met twee jonge kinderen en een hoogzwangere vrouw.

En laat ‘stroming en getij’ nou niet mijn sterkste onderdeel zijn tijdens de cursus (en het examen!) Theoretische Kustnavigatie. Een andere zorg is mijn motor. Het Handboek varen op de Waddenzee, het nieuwe standaardwerk van Marianne van der Linden, noemt een ‘betrouwbare motor’ essentieel.

Dat is mijn motor bepaald niet. Vorig jaar kocht ik mijn huidige schip, de Galatea, een prachtige Taling 32 uit 1978 (onder de naam Vigilanter ooit eigendom van haar ontwerper Cor Taal) en liet afgelopen winter de motor reviseren. De Sabb 2H (18 pk met verstelbare spoed) stond zo hard te stampen in het motorruim dat alles op de boot trilde alsof het van boord geschud moest worden. Na de revisie veranderde stampertje, zoals de motor al snel heette, in een soepel lopende diesel. Alleen: hij was al twee keer uitgevallen. Nu ook weer, op een rimpelloos Markeermeer. We komen zelfstandig de haven in en monteurs in Enkhuizen wijzen een verkeerd geplaatst dieselfilter als oorzaak. Is het euvel dan eindelijk gevonden? Zal stampertje ons niet in de steek laten op de Wadden?

Rekenen

De vloedstroom brengt ons probleemloos van Kornwerderzand naar Harlingen, ooit thuishaven van wijlen Vandersmissen. Morgen willen we naar Vlieland en ’s avonds ga ik aan de slag met stroomatlas en getijdentabel. Ik schrijf keurig mijn berekeningen uit, check en dubbelcheck en omcirkel trots het moment van vertrek.

Ik denk aan mijn overleden schoonvader. Jarenlang zeilde hij met zijn gezin het Wad over. GPS of plotters waren er niet en hij navigeerde met potlood, passer en vectorberekeningen. Als zijn gegist bestek bleek te kloppen, stak hij tevreden een sigaartje op.

“We moeten morgenochtend om kwart voor acht vertrekken”, zeg ik zelfverzekerd. “Dan hebben we de hele reis de ebstroom mee.” Een tijdvenster uitrekenen is eenvoudiger dan gegist bestek, maar toch steek ik een sigaartje op.

“Huh? Hoe laat is het dan hoogwater?” vraagt mijn vrouw Wieke, die van haar kinderjaren op de Wadden veel heeft geleerd.
“Kwart voor zes.”
Ze kijkt even voor zich uit.
“Kan niet kloppen. Vandaag kwamen we om een uur of twaalf binnen, met hoogwater. Ik zou het nog maar eens narekenen als ik jou was.”

Gvd. Na een uurtje puzzelen kom ik er achter dat ik niet Harlingen, maar Hoek van Holland als referentiepunt heb gebruikt. Dat is namelijk het eerste referentiepunt dat de stroomatlas van de HP33 vermeldt, maar die geldt natuurlijk niet voor Harlingen. Wieke had gelijk.

Ik doof mijn sigaar...

Mooie aankomst

De volgende ochtend breekt het spannendste moment van de vakantie aan: het zeegat van Harlingen uit. We hebben bijna twee knoop stroom op de kont maar een stevige windkracht 5 pal tegen. Als stampertje het nu begeeft, liggen we binnen vijf minuten te rijen op de keien. De hamstertjes liggen binnen te lezen en ik veins zelfvertrouwen. Godzijdank mist stampertje geen slag.

Die middag naderen we Vlieland om een uur of vijf. Ik beleef een van mijn mooiste aankomsten ooit. Wat een uitzicht! Tegen een helblauwe lucht schuiven weelderige wolken vanaf de Noordzee de immense weidsheid van de Wadden in. De namiddagzon bestrijkt het strand bij het Stortemelk dat we dichtbij passeren. De hamstertjes kruipen de kuip in en zwaaien naar de wandelaars. Ik zie Wieke volstromen met jeugdherinneringen die ze ook haar kinderen wil laten beleven. “Oh meiden, we gaan krabben vangen! En kijk, daar heb je de vuurtoren!”

Er staat een stevige westenwind en we ronden de laatste ton van het Stortemelk met ruime wind. Maar we ontmoeten de ebstroom, die ervoor zorgt dat we met anderhalve knoop over de grond voorbij de ton kruipen. Ik sta ervan versteld dat die stroming zo sterk kan zijn. Ineens begrijp ik Vandersmissen als hij schrijft dat je er altijd voor moet zorgen dat de zee je vriend is, en nooit je vijand. Welkom op de Wadden.

Dubbelrood bij de haven van Vlieland, terwijl we ’s ochtends nog gebeld hadden om te vragen of er genoeg plek zou zijn. Als de havenmeester in zijn bootje ons tegemoet komt en de dikke buik van mijn zwangere vrouw ziet, wenkt hij ons. “Kom maar”, glimlacht hij. “In onze herberg is nog wel een plekje vrij.”

Naar Terschelling

We krijgen geen genoeg van Vlieland (krabbenraces op de steiger, fietsen naar het Posthuys), maar na een paar dagen zetten we toch koers richting Terschelling. Een buurman in de haven vertelt me dat op de websites van de Waddenhavens adviesvertrektijden staan vermeld. Dat maakt het leven een stuk makkelijker.

Terschelling bereiken we via route: Vliestroom, West Meep en Slenk. Bijna hadden we het vertrek een dag uitgesteld, want er werd zuidwest 5 tot 6 voorspeld, en we hadden afgesproken met een mogelijke zes in het vooruitzicht de haven niet te verlaten. Gelukkig zakt de wind in en bereiken we West-Terschelling probleemloos. Een prachtige tocht, grotendeels alleen op de fok, en toch 6-7 knopen snelheid. Later hoorden we dat het toch nog even zes bft had gewaaid, maar op onze Galatea bleek dat geen indruk te hebben gemaakt.

Ton ronden

Het is tijd voor de terugtocht vanuit Terschelling naar Harlingen. Ik kies ervoor om op de West Meep een beetje vloedstroom tegen te hebben, om later op de Blauwe Slenk alles vol op de kont mee te krijgen. Als we ons klaar maken voor vertrek, fronst die aardige buurman met een paar decennia waddenervaring zijn wenkbrauwen. “Ik zou zeker een uur eerder vertrekken.” Wieke kijkt mee in de getijdenatlas, de HP33. Ze denkt even na en zegt: “Ik ben het met je eens: jouw vertrektijd is beter.” Bijna steek ik een sigaar op.

Op de West Meep moeten we kruisen tegen een stevige zuidwestelijke wind. Het duurt langer dan gedacht, en de vloedstroom zwelt aan. We winnen hoogte met elke slag, maar worden door de stroom teruggezet: we dreigen de West Meep niet uit te komen! Had die buurman toch gelijk?

De te ronden ton komt nauwelijks dichterbij en Wieke stelt voor om de motor bij te zetten. Dat zou toch een kleine nederlaag zijn... Dan bedenk ik me dat met de vloed het water stijgt en de te mijden ondiepte ook kleiner wordt. Misschien hoeven we die ton niet te ronden en kunnen we eerder afvallen. Ik stuif naar de kaartentafel en reken razendsnel met de eentwaalfdenregel uit hoe diep het benedenwinds die ton ongeveer moet zijn. Volgens mijn berekeningen en inschatting kunnen we de ton best benedenwinds langs.

Resoluut laat Wieke de schoten vieren en houden onze dieptemeter in de gaten – voor ons geen stranding op een zandbank, zoals mijn vriend beleefde. We redden het.

Wieke gaat naar binnen om met de hamstertjes wat te slapen. Ik ben alleen in de kuip. Onder een stralende zon en prachtige overdrijvende wolkenpartijen scheren we met een ruimewindse koers en volle vloedstroom over de Blauwe Slenk. Even tikt het log 9,5 knopen over de grond aan, voor mijn Galatea een indrukwekkend record.

Ik kijk uit over die schitterende, bijna lege Wadden om mee heen – en steek een sigaartje op.