zaterdag 7 december 2002 / Het Parool & De Standaard / Foto's: Karijn Kakebeeke

Reportages & interviews

Strand, jungle en roestige tanks

Marco Polo noemde Sri Lanka “het mooiste eiland in zijn omvang”. Gelijk had hij: Sri Lanka biedt tropische temperaturen, spierwitte stranden met azuurblauwe zeeën en eeuwenoude tempels en paleizen. De twintig jaar oude oorlog lijkt ten einde en met name Sri Lankanen reizen weer vrij over hun paradijselijke eiland.

Het is dringen geblazen bij de uitgebrande tanks. De toeristen uit Colombo willen een voor een op de foto met het verwoeste wapentuig op de achtergrond. De wachtenden kijken hun ogen uit, tikken elkaar aan en wijzen op de bomkraters, de kapotgeschoten huizen en de als luciferhoutjes geknakte palmbomen. “Dat de verwoesting zo groot is, dat wisten we niet”, zegt een handelaar in auto-onderdelen uit hoofdstad Colombo. “Dit laten ze nooit zien op televisie.” Vanuit hun schuttersputje houden de rebellen van de Tamil Tijgers de toeristen uit vijandelijk gebied in de gaten.

Dit is de Elephant Pass, een smalle strook land met een hobbelige autoweg die het schiereiland Jaffna met het vasteland verbindt. De laatste veldslag om deze zwaar bevochtte corridor vond twee jaar geleden plaats, toen de strook land nog in handen was van het regeringsleger. Vijf zelfmoordcommando’s van de Tijgers bestormden de legerbasis die de Elephant Pass moest bewaken. De Tijgers bliezen zichzelf op vlakbij de munitiedepots, waarna de basis de lucht in vloog. Ruim tweeduizend vluchtende regeringssoldaten werden door niet meer dan veertig Tijgers in een hinderlaag omgebracht. De veldslag die volgde duurde dagen en verwoestte zo goed als alles in de omliggende omgeving, inclusief de populatie giant shrimps die zulke gretige aftrek in Colombo vond.

Nog geen twee jaar later klimmen de toeristen op de uitgebrande tanks van hun eigen regeringsleger voor vakantiekiekjes. Sinds de wapenstilstand die de Tamil Tijgers en de regering begin dit jaar tekenden (zie kader), kunnen de Sri Lankanen voor het eerst in jaren vrij rondreizen. De bevolking neemt het ervan, geniet van de herwonnen vrijheid. Buitenlandse toeristen mijden het tropische eiland voor de kust van India – zeker na de bomaanslag van de Tamil Tijgers op het nationale vliegveld vorig jaar, waarbij de halve commerciële luchtvloot van Sri Lanka in rook opging – maar het nationale toerisme bloeit op: het zijn de Sri Lankanen zelf die naar al die prachtige stranden, havenstadjes en oude ruïnes reizen waar tot voor kort gevochten werd.

Vrede?
In Sri Lanka gloort hoop aan de horizon: de bijna twintig jaar oude oorlog lijkt voorbij. De Tamil Tijgers – het rebellenleger dat vecht voor gelijke rechten voor de Tamil-minderheid – en de door de door Singalesen gedomineerde regering, komen eind oktober in Thailand bijeen voor de tweede ronde vredesonderhandelingen. De weg naar vrede kent nog vele angels en voetklemmen, maar de eerste ronde in de vredesbesprekingen verliep zeer succesvol: de Tamil Tijgers lieten zelfs hun eis op een eigen staat varen, onder voorwaarde dat de Singalezen de Tamils niet meer discrimineren. Het bloedige conflict tussen de overwegend hindoeïstische Tamils (zo’n 20% van de bevolking) en de voornamelijk boeddhistische Singalezen (iets minder dan 74%) eiste meer dan 65.000 doden en een veelvoud aan gewonden op. “Vrede is welhaast onafwendbaar”, zegt een westerse diplomaat, “de kemphanen zijn moegestreden”. De deviezen van de Tijgers zijn in de strijd tegen het internationaal terrorisme bevroren (overigens al voor Elf September) en de Sri Lankaanse schatkist is leeg. Daarnaast zijn de meeste Sri Lankanen de oorlog meer dan beu.

Zoals in Trincomalee, de strategische havenplaats die sinds 1624 bevochten is door de Portugezen, de Hollanders, de Fransen, de Britten, de Japanners, de Tamils en de Singalezen. Prem Kumar, manager van het befaamde Nilavelli Beach Hotel, heeft alleen de strijd tussen de laatste twee kemphanen meegemaakt. Zijn hotel – dat jaren achtereen in de frontlinie lag – is welhaast een legende. Prem Kumar heeft naar eigen zeggen geen dag de deuren gesloten sinds het bijna 30 jaar geleden geopend werd. Als door een wonder is zijn hotel de afgelopen twintig jaar ongeschonden gebleven, terwijl de hotels rondom het Nilavelli Beach Hotel in puin geschoten zijn. Bewoners in omringende dorpjes verlieten huis en haard.

Kumar: “Wij zijn altijd open geweest, ook toen er geen toeristen waren. We hadden vijfenzeventig mensen in dienst die altijd hun loon hebben ontvangen. Dit hotel was welhaast liefdadigheid, een soort werkgelegenheidsproject. Omdat hier vooral Tamils werken, schoten de Tamil Tijgers niet op ons. En omdat onze gasten vaak officieren uit regeringsleger waren, schoot het leger ook niet op ons.” Slechts één granaat kwam in het zwembad terecht. “Maar dat was een vergissing”, voegt Kumar haastig toe.

Nu is het luxueuze hotel drie maanden vooruit volgeboekt. Er zijn een paar westerse toeristen, maar het overgrote deel is Singalees. Het strand is afgeladen. De palmen wuiven in het zachte zeewindje, de zon weerkaatst op het spierwitte zand. Voor de kust ligt een klein eilandje met prachtig koraal. Het is de broedplaats van een zeldzaam soort reuzenschildpad. Als hier niet een reclamespotje voor Bounty-repen is opgenomen, dan wel eentje voor douchegel Fa en zijn wilde frisheid van limoenen.

Iedereen wil naar Nilavelli Beach Hotel, en dus wordt aan de hekken streng gecontroleerd op boekingsbewijzen. Bussen rijden af en aan, stalletjes verkopen kokosnoten en frisdrank aan toeristen die nog wat kilometers moeten lopen naar het openbare strand. Een paar honderd meter naast het bord “Welcome to Nilavelli Beach Hotel” ligt cynisch genoeg een vluchtelingenkamp. Honderden Tamils wachten hier totdat ze terug mogen naar hun grond hier in de buurt. De meesten zijn jaren geleden voor het oorlogsgeweld gevlucht en na het staak-het-vuren teruggekeerd, om in dit kamp te wachten op het vrijkomen van hun land.

“Wat betekent vrede zonder gerechtigheid? De Singalezen komen hier op vakantie, wij kunnen niet eens naar Colombo reizen om werk te zoeken”, zegt Chandra Sekaram (56). Hij gaat nooit naar het strand. “De bewakers van het Nilavelli Beach Hotel sturen ons direct weg.”
De oude heer Nakkunrabokban (71) heeft een goed gevoel over de toekomst. Negentien jaar geleden vluchtte hij bij het uitbreken van de oorlog naar Canada, en nu is hij terug om zijn oude huis om te bouwen tot een hotel. Tijdens de oorlog was het een politiebureau en nu worden de oude cellen omgebouwd tot tweepersoonskamers met eigen douche. Nakkunrabokban kreeg zijn huis een paar maanden na het staakt-het-vuren van de politie terug, inclusief de verschuldigde huur. “Maar door de inflatie stelt dat niet zo veel voor”, zegt Nakkunrabokban, “Ik heb er wat matrassen voor kunnen kopen.”

Nakkunrabokban zit op een stoeltje in de schaduw, en slurpt met een rietje een kokosnoot leeg. Werklui repareren de daken en smeren een dikke laag stuc over de kogelgaten. De locatie, op de weg tussen Nilavelli Beach Hotel en Trincomalee, is prachtig: aan de voorkant is er uitzicht op zee, aan de achterkant loert in de verte de massieve jungle. Nakkunrabokban denkt dat met name rugzaktoeristen het hier geweldig zullen vinden. “Ik houd van jonge mensen, die brengen tenminste wat leven in de brouwerij. Er zal elke avond barbecue zijn. Achterin de tuin komt een bar zodat we ‘s nachts naar de sterren kunnen kijken.” Hij bestelt nog een kokosnoot bij een van de bouwvakkers, zet z’n handen in z’n zij en kijkt naar zijn nieuwe hotel in wording. “Als de vrede aanhoudt, heb ik zo die veertienduizend dollar terugverdiend die ik in deze renovatie stop.”

De toerristen die bij de uitgebrande tanks van de Elephant Pass poseren, vinden volgeboekte hotels in Jaffna, de culturele hoofdstad van de Tamils. Te veel toeristen in een stad die al jaren geen toerisme kent. Veel Singalezen slapen daarom tegen betaling thuis bij Tamils. “Wie had ooit gedacht dat wij bij onze oude vijand logeerden”, zegt Anil Kadurugamuwa uit Colombo die een weekend met zijn gezin in Jaffna verblijft. “Wel jammer dat we zo slecht met elkaar kunnen praten, want we spreken elk een andere taal.” De Kadurugamuwa-jes hebben zojuist een bezoek gebracht aan de beroemde, boeddhistische tempel Naga Vibara. “Als kind ben ik hier ooit geweest, maar de afgelopen twintig jaar kon dat natuurlijk niet.”

De avond valt, de straten worden leger. De avondklok is niet lang geleden afgeschaft, maar toch blijven de meeste inwoners van Jaffna ‘s avonds liever binnen. Er zijn nog een paar marktstalletjes open. Anil koopt wat mango’s, en deelt ze uit aan zijn kinderen. “De Tamils hebben gelijk”, zegt hij met het gele vruchtvlees nog in zijn mondhoeken, “de mango’s van Jaffna zijn de lekkerste ter wereld. Kom, ik koop er nog een paar voor ons gastgezin.” En hij loopt Main Street uit naar het strand, voorbij het oude Hollandse fort, de vuurrode zonsondergang tegemoet.

Toeristische hoogtepunten
Onmisbaar zijn natuurlijk de spierwitte stranden met wuivende palmbomen en immense golven. Er zijn luxueuze vijfsterren hotels, maar ook kleine beach bungalows voor minder dan drie euro per persoon per nacht. Kreeft voor het avondeten? Bestel het ‘s ochtends bij je vaste strandrestaurantje, dan gaan de vissers voor je de zee op. Het zuiden en met name het oosten heeft de mooiste stranden, zoals Nilavelli en Arugum Bay, het Mekka voor surfers.

De koele bergen zijn een wereld verwijderd van de tropische stranden. Hier plukken duizenden theepluksters (overigens onder erbarmelijke omstandigheden) de beroemde Ceylon Thee. ‘s Avonds knispert het haardvuur in koloniale bungalows die nu tot hotel zijn omgebouwd. Hoogtepunt (hoewel met 2224 meter niet de hoogste berg) is Adam’s Peak, waar boeddhisten menen dat Boeddha zijn eerste voet op aarde zette, terwijl christenen denken dat het om de voetafdruk van Adam gaat. Hoe het ook zij, de klim naar boven is niet alleen letterlijk adembenemend. In het juiste seizoen (december - mei) vergezellen duizenden boeddhistische pelgrims je tijdens de nachtelijke klim om de zonsopgang te zien. Evenmin te missen is een treinreis door de bergen: een van de mooiste ter wereld.

De koningen van Sri Lanka hebben indrukwekkende sporen achtergelaten. Oude steden, tempels met prachtige fresco’s en weelderige buitenpaleizen liggen her en der over het land verspreid. Kandy, eens hoofdstad van de Singalese koninkrijken, herbergt een van heiligste boeddhistische relikwieën: de tand van de gecremeerde Boeddha. Tijdens het tiendaagse festival Esala Perahera (juli - augustus) verzamelen massa’s boeddhisten uit heel de wereld zich om deel te nemen aan de parades van opzwepende drums, extatische dansers en overdadig versierde olifanten. Nu dreiging van bomaanslagen van de Tamil Tijgers steeds kleiner is, worden meer bedevaartgangers dan ooit verwacht.

Ook onvergetelijk zijn de prachtige oude Britse hotels. Slaap minstens een nacht in het Galle Face Hotel in Colombo: de combinatie van Sri Lankese rommeligheid en koloniale grandeur is uniek.