woensdag 1 december 1999 / De Groene Amsterdammer / Geschreven met Jeroen Thijs

Reportages & interviews

Uitgeklaagd

Het Rwanda-tribunaal leek lang succesvoller dan het Joegoslavië-tribunaal. De laatste weken volgde echter fout op fout, met als dieptepunt de vrijspraak van topverdachte Barayagwiza. Aanklaagster Carla del Ponte mag Rwanda niet meer in.

ARUSHA – Een half doorzichtig gordijntje bewaakt de anonimiteit van getuige A.B. Een getuigenis afleggen voor het Rwanda-tribunaal in Arusha, Tanzania, is spelen met je leven. In Rwanda woont de vijand immers nog steeds een deur of een dorp verderop. Maar A.B. durfde het aan. Ze is het verplicht aan dorps- en familieleden die het niet kunnen navertellen.

In de rechtszaal spelen andere zaken. Er wordt gesteggeld over procedures: moet de getuige wel of niet vertellen waar en wanneer ze geboren is? De aanklager, de verdediging, de griffie en de rechter debatteren. A.B. kijkt naar haar schoenen. De Noorse rechter Erik Møse beslist geïrriteerd dat het voldoende is dat de rechtbank zojuist heeft vastgesteld dat de getuige in Rwanda geboren is en dat ze vijfendertig jaar oud is. Onder protest van de verdediging begint de aanklager zijn verhoor.

‘Mevrouw, vertel ons hoeveel mensen er in het stadhuis waren.’

‘Zoveel dat als je een bekende zou zoeken, je deze niet zou kunnen vinden.’

‘Wat gebeurde er toen de bewapende jongens van de Interahamwe aankwamen?’

‘Ze stapten uit hun busjes.’

‘Wat deden ze daarna, mevrouw?’

‘Ze hakten op ons in.’

Deze maand bestaat het International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR) vijf jaar. Zeven rechtszaken, vijf veroordelingen, talloze moties en verweerschriften en meer dan tweehonderd getuigen verder, staat het tribunaal er beroerder voor dan ooit. Vorige maand bereikten de tegenslagen hun climax. Topverdachte Jean-Bosco Barayagwiza ging wegens vormfouten vrijuit. Rwanda was woedend en bevroor de samenwerking met het tribunaal onmiddellijk. Het Barayagwiza-debacle is de zoveelste schaduw over de zo goed als onbekende, maar belangrijke successen. Want het ICTR mag gemankeerd en geplaagd zijn, het is succesvoller dan het Joegoslavië-tribunaal en daarmee een unieke leerschool voor het in Den Haag op te richten permanente, internationale hof voor humanitaire misdaden.

Rwanda heeft alle reden furieus te zijn om Barayagwiza’s vrijlating, want hij was zowel bedenker als uitvoerder van de zorgvuldig geplande genocide. Vanaf april 1994 werden in zo’n honderd dagen naar schatting vijfhonderdduizend tot een miljoen mensen vermoord. Barayagwiza ontwierp en bestuurde een essentieel instrument dat nodig was om de Rwandese Hutu-meerderheid op te hitsen tegen de Tutsi-minderheid en democratisch gezinde Hutu’s: de beruchte hate media. Radio Télévision Libre des Mille Collines (RTLM) en de krant Kangura verspreidden lijsten met namen van te vermoorden Tutsi’s en hun ‘sympathisanten’, alsmede de locaties van hun toevluchtsoorden, zoals kerken en stadhuizen. Na de slachtingen volgden in de regel een lofzang op de daders en nieuwe namen en locaties. Daarnaast was Barayagwiza nauw betrokken bij een ander onmisbaar instrument: de jeugdmilities Interahamwe en Impuzambugambi. Zij trokken met machetes en hakbijlen een spoor van lijken door Rwanda.

Tot slot voegde, aldus de aanklacht, Barayagwiza de daad bij het woord door het commando te voeren over enkele wegversperringen, waar vluchtende Tutsi’s afgevoerd en afgeslacht werden.
Het Hof van Cassatie oordeelde dat de rechten van deze man op flagrante wijze geschonden zijn. De aanklager heeft een opeenstapeling van procedurefouten begaan, waarvan de belangrijkste is dat Barayagwiza zo’n acht maanden werd vastgehouden zonder te weten wat de precieze aanklacht was. ‘Niets minder dan de integriteit van het tribunaal staat bij deze zaak op het spel’, aldus het Hof . Hoewel de vrijspraak afgelopen week voor zeer korte tijd is bevroren, is de zaak een regelrechte klap in het gezicht van de aanklager.

De Texaan David Spencer, leider van het aanklagersteam in Arusha, zit nog wat verdwaasd achter zijn bureau. Deze uitspraak had hij niet verwacht. Hoe kan het dat er zo slordig is omgesprongen met een verdachte als Barayagwiza? Spencer ontkent niet dat zijn afdeling fouten heeft gemaakt, maar haast zich te zeggen dat critici onvoldoende oog hebben voor de juridische obstakels waar een ICTR-aanklager mee te kampen heeft. Spencer: ‘Ons groot ste probleem hier in Arusha is dat een compleet rechtssysteem gecreëerd wordt. Internationaal humanitair recht, vooral als het over genocide gaat, is gloednieuw, and we create it from scratch. We weten niet op voorhand wat de regels en wetten zijn, want veel regels worden door de rechters gaandeweg bepaald.’ Het tribunaal als schip op volle zee dat al varende wordt afgebouwd. Ook op andere punten is de rechtsgang gebrekkig. Advocaten van Hutu-verdachten klagen dat ze geen onderzoek in Rwanda kunnen doen. Een advocaat: ‘U gelooft toch niet dat wij ons daar kunnen vertonen? We worden gelyncht.’

In de wandelgangen en koffiekamers van het sombere, Spartaanse ICTR-gebouw worden meer redenen voor het Barayagwiza-debacle aangevoerd. Een medewerker van de aanklager, die niet met zijn naam in de krant wil: ‘Toen Barayagwiza gearresteerd was, ontstond er bij ons lichte paniek. We hadden in de verste verte niet genoeg materiaal verzameld voor een aanklacht. Als je zo’n verdachte dan toch arresteert dan is dat vragen om problemen.’ Een legal assistant van een van de rechtskamers: ‘Iedereen wist dat de aanklager er een potje van maakte, maar iedereen veronderstelde dat het Hof van Cassatie het lef niet zou hebben om zo’n grote vis als Barayagwiza te laten gaan.’

Barayagwiza’s rechten zijn flink geschonden, maar zijn aanklagers kunnen verzachtende omstandigheden aanvoeren. In 1997 toonde een intern VN-rapport de ravage bij het ICTR: er werd niet met een bankrekening gewerkt maar met contant geld, er werden te hoge salarissen uitbetaald, de griffie hield zich niet aan de statuten en probeerde de onafhankelijke aanklagers en rechters te controleren, de communicatie tussen de kantoren in Arusha (Tanzania) en Kigali (Rwanda) was deplorabel. Rechter Erik Møse: ‘Het was als een woestijn. Voor honderden medewerkers waren er twee telefoonlijnen en water moest met emmers aangesleept worden.’ In een geruchtmakend interview met een Zweedse krant sprak ICTR-rechter Lennart Aspegren over een ‘corrupte en incompetente’ bureaucratie. De puinhoop was zo groot, dat de toenmalige griffier en het hoofd van de ICTR-aanklagers ontslagen werden - en ontslag is een zeldzaamheid binnen de VN.

Vooral het krijgen van goed personeel was een crime. De vorige hoofdaanklager, de Canadese Louise Arbour, stelde dat ze wat dat betreft ‘alle hoop op een oplossing (had) laten varen’. De VN-bureaucratie noemde ze ‘een systeem dat zo volstrekt inflexibel is dat het grenst aan onvoorstelbare absurditeit’. In 1998 verscheen een vervolgrapport dat, naast nieuwe misstanden, ‘verbeteringen op bijna alle terreinen’ vaststelde. Het ICTR is nog steeds een woestenij, maar een ravage is het niet meer. De medewerkers moeten nog geregeld water en stroom ontberen, een e-mail kan drie dagen onderweg zijn en de telefooncentrale is wispelturig. Maar tegelijkertijd is voorzien in zo goed als alle vacatures en heerst er volgens velen waarachtig een prettige werksfeer.

De Nigeriaan Kingsley Moghalu, woordvoerder van het tribunaal en als special legal advisor de rechterhand van de griffier, is zelfs apetrots. Volgens Moghalu verricht het ICTR pionierswerk en wordt het daarvoor onvoldoende gehonoreerd. Moghalu: ‘Dit tribunaal schrijft geschiedenis. Wij zijn de eerste rechtbank ter wereld die mensen veroordeelt wegens genocide. Dat schept precedenten: ik ben ervan overtuigd dat genocide minder vaak zal voorkomen nu dit tribunaal bewezen heeft dat de internationale gemeenschap het niet ongestraft voorbij laat gaan.’ Moghalu wijst op wat menigeen in het ICTR als een groot onrecht ervaart: ‘Het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag krijgt alle positieve aandacht, terwijl wij met veel minder financiële middelen veel meer werk verrichten. Wij heb ben niet de beschikking over een internationale militaire macht als Sfor, zoals Den Haag, en toch slagen wij er beter in onze oorlogsmisdadigers te arresteren en te berechten.’

Erik Møse, behalve rechter ook vice-president van het ICTR, is het hartgrondig met Kingsley eens. ‘Dit tribunaal heeft zo’n veertig kopstukken van de genocide gearresteerd, variërend van ministers, hooggeplaatste militairen, mediagiganten tot en met vooraanstaande zakenmensen. Het unieke van dit tribunaal is dat wij de grote jongens berechten - wij hebben onze Milosevic berecht! Het Joegoslavië-tribunaal heeft hem nog niet eens gearresteerd.’ Møse doelt op Jean Kambanda, minister-president van Rwanda tijdens de genocide in 1994. Kambanda bekende schuld op alle aanklachten, waaronder genocide en misdaden tegen de menselijkheid. Behalve de uitvoerige schuldbekentenis die hij aflegde en waarvan hij naar eigen zeggen hoopte dat het anderen zou aanzetten zijn voor beeld te volgen, is ook zijn toezegging te getuigen tegen andere verdachten een gouden wegbereider voor de aanklager. Dergelijke successen dringen nauwelijks door in westerse media.

Beide tribunalen, het ICTR en het Joegoslavië-tribunaal, worden veelvuldig bekritiseerd om hun trage tempo. Van arrestatiebevel tot veroordeling of vrijspraak is een heel lange weg. Aanklager Spencer verdedigt zich: ‘Het is niet gemakkelijk om een aanklacht rond te krijgen. Alleen al bij het doen van onderzoek in Rwanda zijn er legio problemen. Er zijn heel weinig documenten bewaard gebleven. Daarnaast zijn veruit de meeste getuigen van de genocide óf dood óf zelf daders - die natuurlijk niet graag getuigen. En als we na lang zoeken, ondanks de enorme Rwandese bureaucratie, tóch een paar getuigen hebben gevonden, moet het vertrouwen stapje voor stapje worden opgebouwd. Veel getuigen zijn bang voor represailles van Hutu’s. Het is zo nu en dan echt hondsmoeilijk.’

De ravage uit het verleden, de premature juridische wetten en regels, de onvermijdelijke traagheid - het is allemaal debet aan het Barayagwiza-echec. Inmiddels is er puingeruimd, maar het ziet ernaar uit dat de grootste hobbel in de rechtsgang voorlopig niet kan worden genomen: het ICTR is veel te afhankelijk van Rwanda. Zonder samenwerking met de Rwandese regering is het onmogelijk onderzoek te doen naar de genocide, getuigen te spreken, locaties te bezoeken en archieven te raadplegen. Degenen die het tribunaal moet berechten, zijn politieke tegenstanders van de huidige Rwandese regering, waarvan de leden op hun beurt bijna allemaal doelwit waren tijdens de genocide. Rwanda heeft, kortom, het motief én de middelen om de ICTR-rechtsgang vergaand te beïnvloeden.

Het meest actuele voorbeeld is de reactie van de Rwandese regering op de vrijspraak van Barayagwiza. Rwanda ontstak in woede, bevroor met onmiddellijke ingang de samenwerking met het tribunaal en weigerde een visum te verlenen aan de kersverse aanklager Carla del Ponte (Zwitserland) voor haar eerste officiële bezoek aan Rwanda. De advocaten Charles Taku (Kameroen) en André Dumont (België) vinden die reactie onacceptabel. Dumont: ‘Het is pure intimidatie van het tribunaal: denkt u dat het Hof van Cassatie na deze reactie ooit nog eens een verdachte zal laten gaan?’ Taku: ‘De onafhankelijkheid van de internationale rechtspraak is niet langer geloofwaardig. De internationale gemeenschap moet deze reactie ten stelligste verwerpen.’

Taku en Dumont hebben gelijk. Zij verdedigen Laurent Semanza, een zaak waarvan het beroep als twee druppels water lijkt op die van Barayagwiza. Beiden werden gelijktijdig gearresteerd en doorliepen op essentiële punten dezelfde procedures. Op juridische gronden is er geen reden om Semanza over enkele maanden niet óók vrij te laten. Maar als dat gebeurt, is het niet denkbeeldig dat Rwanda de samenwerking definitief stopzet. Het Hof van Cassatie moet wel zeer dapper zijn als het dat risico wil lopen. Het voortbestaan van het tribunaal hangt aan een zijden draadje.