zaterdag 6 februari 2016 / Vrij Nederland /

Reportages & interviews

"Wie zit er aan het stuur, de politiek of de industrie?"

Wat doe je als bedrijf wanneer nieuwe duurzame initiatieven je geen profijt opleveren? Je stelt nieuwe producten in een kwaad daglicht en zorgt dat je zelf meeschrijft aan overheidsbeleid. Hoe Philips, Shell en Gasunie democratisch genomen besluiten ondermijnen.

Kamervragen en de opening op de voorpagina van een landelijke krant: menig promovendus zou er een moord voor over hebben als zijn proefschrift dat weet te bewerkstelligen. En dan niet over het verborgen oorlogsverleden van een lid van het Koninklijk Huis of zo, maar over een taai onderwerp dat zelden de gemoederen verhit: de overgang naar een duurzame economie.

Het lukte Magda Smink (29), die aan de Universiteit Utrecht promoveerde op het proefschrift Incumbents and institutions in sustainability transitions. Achter deze weinig uitnodigende titel schuilt een fascinerend en opvallend goed leesbaar onderzoek naar de vraag waarom duurzaamheid in Nederland zo moeizaam op gang komt. Welke partijen remmen de transitie? En hoe doen ze dat?

Nauwgezet ontleedt Smink vier dossiers waarin gevestigde partijen hun belangen bedreigd zien door duurzame alternatieven. Hoofdrolspelers zijn bedrijven als Shell, Philips, Coca-Cola en Gasunie.

Smink onderzocht hoe deze bedrijven overheidsbeleid beïnvloeden. Omkoping of het verspreiden van leugens over klimaatverandering – de openbaar aanklager in New York onderzoekt momenteel ExxonMobil op verdenking van dit vergrijp – liet ze buiten beschouwing. En juist dat maakt haar proefschrift zo interessant. Het laat zien hoe grote bedrijven democratisch genomen besluiten ondermijnen, maar keurig binnen de lijntjes blijven. Het spel wordt open en bloot voor je ogen gespeeld, en je hebt het nauwelijks in de gaten.

Nederland is fossiel
I
n een Utrechts café vlakbij haar nieuwe werkgever, milieuorganisatie Natuur & Milieu, vertelt Magda Smink over haar onderzoek dat vijf jaar in beslag nam. Ze kiest haar woorden zorgvuldig en zoekt geregeld iets op in haar proefschrift. Van complottheorieën of giswerk moet ze niets hebben; regelmatig antwoordt ze: ‘Dat heb ik niet onderzocht dus dat weet ik niet,’ of: ‘Ik laat de feiten liever voor zichzelf spreken.’

Eerst maar eens het misverstand uit de weg ruimen dat Nederland een groen en schoon land zou zijn. ‘Integendeel,’ zegt Smink. ‘Nederland heeft juist een van de meest CO2-intensieve economieën van Europa. De energiesector is in Nederland opvallend groot en goed voor maar liefst 6 procent van het bruto nationaal product. Via belastingen financiert deze sector zelfs 20 procentvan de rijksbegroting. Ons aardgas levert de overheid 10 tot 15 miljard euro op, oftewel 6 tot 9 procent van de overheidsinkomsten. De Nederlandse economie is kortom door en door fossiel en elke regering is zeer afhankelijk van fossiele brandstoffen.’

De overgang naar een duurzame economie ondervindt dan ook de nodige weerstand, en in haar proefschrift laat Smink zien hoe die zich manifesteert.

Rond 2005 werd de led-lamp geïntroduceerd als een serieus alternatief voor gloei- en spaarlampen. Philips was daar niet blij mee, schrijft u.
‘Philips had een probleem. Het bedrijf had net met succes gelobbyd voor de afschaffing van de gewone gloeilamp. Spaarlampen leveren namelijk meer winst op dan gewone peertjes en Philips had fors geïnvesteerd in de productie van spaarlampen. Dankzij het verbod op peertjes hoopte Philips meer spaarlampen te verkopen. Maar toen dook de led-lamp op: duurder in aanschaf, maar veel zuiniger en ze gaan langer mee. Nieuwkomers, zoals de Pharox van ondernemer Ruud Koornstra, betraden met succes de markt. Maar Philips had geen grootschalige productiecapaciteiten voor led-lampen, en stond dus met lege handen.’ LEES VERDER OP VN.NL