zaterdag 10 maart 2001 / De Groene Amsterdammer & De Standaard / Foto's: Karijn Kakebeeke

Reportages & interviews

Zwartgeblakerde vrede

Voor de Kosovaarse Albanezen is onafhankelijkheid van Kosovo onder Albanese leiding de enige wens; voor Servië is het onacceptabel. Intussen roeren Albanese minderheden zich ook in de Servische Presevo-vallei en in Macedonië en ziet ‘de internationale gemeenschap’ de droom van een multi-etnische Balkan langzaam vervliegen. De tijdbom Kosovo tikt steeds luider.

PRISTINA – Aan de voet van de Verdoemde Bergen die de grens met Montenegro vormen, ligt het dorpje Naklo. De heuvels rondom het niet meer dan honderd huizen tellende dorpje zijn leeg en verlaten. Zo nu en dan passeert een ezel en wagen, soms ploetert een auto over de modderweggetjes. De laaghangende, ijskoude mist snijdt door merg en been. Het is doodstil.

Naklo is een spookdorp. Althans, dit gedeelte van het dorp. Vroeger woonden de Serven aan deze kant van de weg en de Albanezen aan de andere kant. In het Albanese gedeelte ronken de kachels in de gloednieuwe, uit feloranje bakstenen opgetrokken huizen. De beschermingsstickers zitten nog op de aluminium sponningen. In deze heuvels staan nauwelijks huizen die ouder zijn dan twee jaar.

In het Servische gedeelte van Naklo staat geen huis meer overeind. De zwartgeblakerde ruïnes steken af tegen de grauwe winterhemel. Onkruid overwoekert de bouwvallen. Midden in het Servische spookgedeelte, tussen de tientallen karkassen van gebouwen, staat een gloednieuw Servisch-orthodox kerkje. Het zal niet groter zijn dan drie bij acht meter. Ertegenover staat een ingegraven Italiaanse pantserwagen, geflankeerd door een metershoge uitkijkpost. Van de zwaarbewapende en in kogelvrij vest gehulde soldaten mogen geen foto’s worden genomen: dit is een hot spot. Het herbouwen van het kerkje kon alleen met zwaarbewapende soldaten in de buurt. De Servische gelovigen worden bij hun kerkgang vanuit hun met prikkeldraad en tanks omringde enclaves begeleid door Kfor. Het kerkje wordt 24 uur per dag met mitrailleurs en kanonnen bewaakt – opdat het niet binnen 24 uur weer met de grond gelijk is gemaakt.

Zo kwetsbaar als dat kerkje in Naklo is, zo kwetsbaar is de vrede in heel Kosovo.

Twee jaar na de bombardementen heerst in Pristina een bedrijvige, zo niet opgetogen sfeer. Afgezien van enkele grote gebouwen die door Navo-bommen zijn getroffen, staan vrijwel alle huizen, winkels en kantoren er blakend bij. De wegen zijn gerepareerd en de stoplichten werken weer. Satellietschotels prijken als opzichtige puisten op duizenden balkons. Restaurant Amerika en café California doen goede zaken. Amper twee jaar na de bombardementen adverteren zelfs de verzekeringsmaatschappijen weer.

Een waar Marshall-wonder heeft zich voltrokken. Veertig jaar socialisme en tien jaar ontzegging van openbare functies en staatsonderwijs – vanaf 1989 hadden de Serven een soort apartheidsregime jegens de Albanezen ingesteld – hebben een enorm vacuüm achtergelaten. United Nations Mission in Kosovo (Unmik) probeert dat te vullen. Politie, radio en televisie, belastingdienst, ziekenhuizen, scholen, elektriciteitsvoorziening – alles staat onder supervisie van de Verenigde Naties en zal uiteindelijk worden “gekosovoseerd”, zoals dat in Unmik-jargon heet.

Maar het rommelt in Kosovo. Unmik en Kfor, de militaire beschermingsmacht waarvan de Navo het leeuwendeel levert, verliezen hun populariteit. Tijdbom Kosovo tikt steeds luider.

Een Britse officier rijdt ons rond in het gebied dat onder zijn commando valt. Zijn sectie is onder Kfor-soldaten berucht, want hier bevinden zich Servische enclaves en zelfs gemengde dorpjes. De soldaten vullen hun dagen met het opzetten van wegversperringen van prikkeldraad, het controleren van al het in- en uitgaande verkeer, rondrijden in pantservoertuigen en in wachttorens over de lege velden turen naar eventueel toesluipende Albanezen. Daarnaast onderhouden de soldaten contact met de Servische en Albanese bevolking; ze weten precies welke etniciteit achter welke voordeur woont. Er is immers altijd gelazer — de aanslagen van de afgelopen weken in Kosovo zijn slechts het topje van de ijsberg.

Voor de oorlog was naar schatting tien procent van de bijna twee miljoen Kosovaren Servisch, nu is dat waarschijnlijk minder dan vijf procent. Een groot deel daarvan woont in het noorden van Kosovo (aan de grens met Servië), waar vroeger weer veel Albanezen woonden. Ook de Roma zuchten onder de Albanese hegemonie, want zij worden beschuldigd van collaboratie met de Serven. Hoewel niet elke Albanees even wraakzuchtig is, is het algeheel gevoelen: nooit, nóóit meer Servische of Joegoslavische heerschappij. Die paar Serven mogen best blijven, zolang ze hun plaats maar kennen. In de eeuwige worsteling om Kosovo liggen ditmaal de Albanezen boven, en dat zullen de anderen weten.

De Britse officier houdt ons een keuze voor: “Je hebt twee opties. Eén: je noemt me met naam en rang in je artikel en ik vertel je het officiële Kfor-verhaal. Twee: je citeert me anoniem en ik vertel je hoe ik de situatie persoonlijk zie.” Waarom krijgen we dit aanbod? “Mijn visie is een andere dan die van Kfor en onze politieke leiders. Ik heb niet het gevoel dat het Westen de dagelijkse realiteit beseft.” We kiezen de laatste optie.

Uren rijden we door “zijn” gebied. We zien een andere wereld dan in de rest van Kosovo. Hier geen spiksplinternieuwe benzinestations, maar diesel uit colaflessen, onder Kfor-begeleiding geïmporteerd uit Servië. Want Albanezen die met Serven zaken doen zijn binnen een week dood, zo leert de ervaring. We praten met de Serven en horen hoe zij zich angstvallig vastklampen aan Belgrado, klagen over de werkloosheid en schelden op de “Albanese honden”. We voelen de wanhoop die hen bindt en beelden ons in hoe deze getto’s verworden tot sterfhuizen.

De Landrover rijdt ons naar een van de gemengde dorpjes ten westen van Pristina. “Neem deze Servische school”, zegt de officier, en hij wijst op een gehavend gebouw waarvan de ramen achter zware roosters schuilen, “vroeger zaten er vijfhonderd kinderen op deze school, nu vijftig. Voortdurend werden de ramen ingegooid door Albanese kinderen.” Rondom de school staan laaggebouwde, Servische huizen. Daarachter torenen de hoekige, drie à vier verdiepingen tellende Albanese huizen met hun grote muren om het erf. De officier: “Deze wijken staan dicht bij elkaar, wat betekent dat mijn mannen hier dag en nacht patrouilleren. Toch slagen de Albanese kinderen erin om ‘s nachts de roosters los te schroeven om weer stenen naar de Servische kinderen in de klaslokalen te kunnen gooien.” De officier schopt zachtjes tegen de banden van de auto en kijkt naar de grond. “Kijk, dat die Servische vrouw die daar loopt haar straat niet onbeschermd kan verlaten, is al erg genoeg. Maar dat de kinderen door hun ouders hiertoe worden aangezet, dat vind ik ziek. Ik kan hier geen vrede brengen, laat staan bewaren. Ik heb veel ervaring opgedaan in Noord-Ierland en ik kan je vertellen: Kosovo slaat alles. De enige oplossing is om de Serven naar het noorden van Kosovo te laten verhuizen. Maar dat is etnische zuivering, en dat mag niet van onze regeringen.”

Kfor bewaakt de Servische enclaves steeds zwaarder. De officier merkt de gevolgen: “De Albanese vijandigheid tegenover Kfor groeit. Wij zijn niet langer vanzelfsprekend een bevrijdingsmacht.” En hoe vaker Kfor moet optreden tegen Albanese gewelddadigheden, hoe sneller het zal veranderen in een bezettingsmacht. Net als in Noord-Ierland.

“Achter elk probleem in hedendaags Kosovo schuilt de kwestie van de finale status”, zegt Bob Churcher, directeur van de afdeling Kosovo van de gezaghebbende International Crisis Group (ICG). De rapporten van zijn organisatie behoren tot de scherpste en best geïnformeerde over Kosovo. Het volgende ICG-rapport, dat waarschijnlijk deze maand verschijnt, zal Kosovo at drift heten en is geheel gewijd aan de finale status van Kosovo: het heikele vraagstuk van de onafhankelijkheid. Resolutie 1244 van de VN-Veiligheidsraad – waarmee op 10 juni 1999 een einde kwam aan de Navo-bombardementen – bepaalde dat Unmik Kosovaars zelfbestuur moet creëren en de terugkeer van alle (dus ook Servische) vluchtelingen mogelijk moet maken. Kosovo krijgt “substantiële autonomie” binnen de Federale Republiek Joegoslavië, maar blijft een Servische provincie en dus onderdeel van Joegoslavië.

We dineren in een doodgewone pizzeria die ook op het Rembrandtplein in Amsterdam had kunnen staan. Alleen valt het licht regelmatig uit. Bij kaarslicht vertellen we Churcher een grap die we van Albanezen hoorden. Op zijn laatste werkdag in Kosovo wordt voormalig Unmik-leider Kouchner wakker en merkt vol verbazing dat het licht werkt als hij het aanknipt. Hij gaat koffie zetten, en verdomd: er is stromend water. Kouchner belt in lichte paniek generaal Cabigiosu, de opperbevelhebber van Kfor, om te vragen wat er loos is en, nu ja, de telefoon werkt. Cabigiosu weet ook niet wat er de afgelopen nacht is gebeurd, en ineens schiet Kouchner de enige mogelijkheid te binnen die het wonder van elektriciteit, water en telefoon kan verklaren: de Serven zijn terug!

Churcher moet schaterlachen. Om er doodserieus aan toe te voegen: “Of het nu gaat om elektriciteit, water en telefoon, het beteugelen van het geweld tegen de Serven, of het op poten zetten van het bedrijfsleven, voor al deze zaken geldt: wie een ontwikkeld en vooral stabiel Kosovo wil, en daarmee een stabiele Balkan, moet eerst bepalen wat de status van Kosovo wordt. En de internationale gemeenschap kan het zich niet veroorloven om daar te lang mee te wachten.”

Neem de bruinkoolcentrale die Kosovo van elektriciteit voorziet: de naar zwavel stinkende dinosaurus van socialistische makelij is aan groot onderhoud toe. Maar van wie is dat ding? Van Unmik, Servië, Joegoslavië of het toekomstige, zelfstandige Kosovo? Welk buitenlands bedrijf gaat in een land investeren als het niet weet onder welke wetgeving het over pakweg een jaar valt? Ander voorbeeld: de Kosovaarse Albanezen verloren hun paspoort toen zij Kosovo ontvluchtten tijdens de oorlog. Maar Unmik is geen land en kan dus geen paspoorten uitvaardigen, waardoor Kosovaren niet naar het buitenland kunnen reizen. Op dit moment kunnen Kosovaren ook geen rijbewijs halen. Amnesty International klaagde twee weken geleden dat in het rechtsstelsel dat Unmik hanteert beroepsprocedures voor verlengde opsluiting ontbreken. Die problemen draaien allemaal om die ene vraag: wie vult het vacuüm dat overgangsbestuur Unmik achterlaat? Joegoslavië? Servië? Een onafhankelijk Kosovo?

Onafhankelijkheid is voor iedereen onacceptabel, behalve voor de Kosovaarse Albanezen. Een onafhankelijk Kosovo, waarin uiteraard de Kosovo-Albanezen het voor het zeggen hebben, betekent zonder voorbehoud de definitieve verdrijving van de Servische minderheid. Dat is niet alleen onverteerbaar voor Servië, maar ook voor de internationale gemeenschap, die altijd heeft gehamerd op een multi-etnische Balkan. Een Kosovo zonder Serven betekent bovendien gekrenkte Servische trots – brandstof voor de volgende Balkanoorlog.

Churcher, die benadrukt op persoonlijke titel te spreken: “In veel opzichten lijkt Servië op het Duitsland van 1919. Het is militair verslagen, maar heeft zich daar psychologisch gezien niet bij neergelegd. Het Westen heeft de oorlog niet definitief beslecht door het vijandige regime omver te werpen, dat hebben de Serven zelf gedaan. Ondertussen is de meerderheid van de bevolking, met name in de provincies, lang niet zo westers gezind als met name de nieuwe premier Djindjic doet voorkomen. Servië dwingen Kosovo af te staan betekent een nieuw Versailles.”

Dan zijn er nog de internationale dimensies van het Kosovo-conflict waardoor onafhankelijkheid onbespreekbaar is voor de rest van de wereld. Ten eerste lijkt het Westen niet bereid de ontluikende, goede relatie met de nieuwe president Kostunica op het spel te zetten. Los daarvan zal de Veiligheidsraad nooit met Kosovaarse onafhankelijkheid instemmen. Met name Rusland en China hebben zo hun redenen om een precedentwerking te willen voorkomen: afscheidingsbewegingen, al dan niet terroristisch, mogen in hun ogen nooit worden beloond met onafhankelijkheid. Wie weet welk effect dat zal hebben op Tsjetsjenië of Tibet. Andere lidstaten hebben ook zo hun bedenkingen: waarom mag Kosovo wél wat bijvoorbeeld de Bosnisch-Servische Republiek Sprska volgens de Dayton-akkoorden niet mocht? Een onafhankelijk Kosovo zou een domino-effect hebben dat de Balkan weer in lichterlaaie zet, en zou een complete ontkenning betekenen van tien jaar westerse politiek.
Unmik moet laveren tussen Scylla en Charybdis: aan bakboord doemen de ontevreden Albanezen op, aan stuurboord een onverzettelijke Veiligheidsraad. Churcher: “Unmik durft geen nee tegen de Albanezen te zeggen en draait in cirkeltjes rond, in de hoop dat vanzelf de verlossing komt aandrijven.”

Churcher heeft gelijk. Luister naar Daan Everts, hoofd van de Kosovo-missie van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE): “Zoals de situatie nu is, zeg ik: die discussie over de finale status moeten we niet te snel en niet te opzichtig voeren. Dat ligt allemaal veel te moeilijk. Eerst moeten we democratie implementeren, het zelfbestuur verder ontplooien en een rechtsstaat creëren. Dan zien we wel verder. Ik hoop op Europese toenadering. We moeten tijd scheppen.”

Het is zaterdagmiddag. Buiten schemert het, binnen in het voormalige gebouw van de Sloveense Bank is geen mens te bekennen. In de directiekamer van het wanstaltige glazen kantoorpand in hartje Pristina zetelt de “onderkoning van Albanië”, zoals Everts sinds zijn vorige post als hoofd van de OVSE-missie in Albanië heet. Everts vertelt over de “grote successen” die zijn missie heeft behaald: de gemeenteraadsverkiezingen van oktober vorig jaar, het opzetten van onafhankelijke media, het opleiden van vierduizend nieuwe politieagenten. Hij wijst op het ongeduld van de internationale gemeenschap wat betreft verzoening tussen Serven en Albanezen (“Wees niet schijnheilig: kijk naar Noord-Ierland, kijk naar Palestina – daar verlangt niemand verzoening à la minute. Waarom hier wel?”). Hij waarschuwt regelmatig voor “dagdromerij” en “wensdenken”.

Aan het eind van het interview trekt Everts een fles Montenegrijnse wijn open en leunt achterover. Voeten op tafel. “Wat ik het liefst wil, carte blanche? Ik wil heel graag een democratisch gekozen assemblée. De finale status kunnen we nog wel eventjes vooruitschuiven, maar de staatsrechtelijke positie van de assemblée moeten we snel bepalen. Ik kan de Kosovaren nog dit jaar verkiezingen beloven. Momenteel is het probleem dat geen enkele Kosovo-Albanees zich ook maar een beetje toeschietelijk durft te tonen ten opzichte van Belgrado. Wie met de Serven praat, is een verrader en de volgende dag dood. Maar ze zullen wel moeten. Wat dat betreft zou het geweldig helpen als de grote hoofdsteden nu eindelijk eens zeggen: de Serven komen nooit meer terug. Dat geeft Albanese politici vrijheid van handelen.”

U praat ook met Kostunica. Wat zegt u hier over tegen hem?
Everts: “Dat ik Resolutie 1244 ga maximaliseren, met name het zelfstandig bestuur en de autonomie. Dat ik streef naar een Assemblée.”

Welke macht krijgt die?
Everts: “Ik denk aan een geleidelijke overdracht. De weg naar onafhankelijkheid kan ook stapje voor stapje bewandeld worden. Maar alles zal onder het ultieme gezag van Unmik gebeuren. Kosovo blijft onder VN-voogdij. Het doordrijven van de onafhankelijkheidswens kan tot een internationale isolatie leiden, en dan valt Kosovo weer ten prooi aan het Servische leger. De Albanezen zijn pragmatisch en wijs genoeg om in te zien dat ze niet zonder ons kunnen.”

Hoe lang kunt u de onafhankelijkheidswens voor zich uit schuiven?
Everts: “De tijd zal het leren. Wat ik wel weet, is dat er de komende vijf jaar geen sprake van is.”

Vijf jaar zou wel eens te lang kunnen zijn. In het dorpje Ljutoglava in West-Kosovo – vlak bij Naklo, waar de eenzame Servische kerk staat – worden we door Musa Gashi voor de lunch uitgenodigd. Zijn elfkoppige familie woont in een van de duizenden pas gebouwde, feloranje huizen. Alleen de begane grond van het drie verdiepingen tellende huis is bewoond; er is nog niet genoeg geld om de rest in te richten. De overige verdiepingen zijn niet meer dan kale muren, grijze cementvloeren en elektriciteitsdraden die uitsteken.

Enkele uren na de uitnodiging hebben de vrouw en dochters van Musa Gashi een ongelooflijke hoeveelheid voedsel bereid, bestaande uit wel tien gerechtjes in allerlei potjes en pannetjes. Dit is de veelgeroemde Albanese gastvrijheid. Na het eten is er koffie, gaan de sigaretten rond, is er nog meer koffie en worden nog meer sigaretten uitgedeeld. Er wordt veel gelachen en Musa zegt hij dat hij trots is dat hij ons mag ontvangen. We praten over wat de familie Gashi in de oorlog heeft meegemaakt, hoe zijn zoon omkwam, hoe zijn huis werd verwoest en hoe tijdens de vlucht in de bossen zijn voet werd geamputeerd nadat hij op een mijn was gestapt. En we komen te spreken over hoe het nu verder moet met Kosovo. “Onafhankelijkheid, wat anders?” lacht Musa. Ik opper dat de VN dat niet zal toestaan. Plotseling slaat de sfeer om. Een bedrukte stilte vult de kamer. Ik benadruk dat niet ík dat vind, maar de VN. Het mag niet baten. “Luister”, zegt Musa als hij ongemakkelijk hard in mijn bovenarm knijpt, “wij zijn dankbaar voor de bommen die jullie hebben gegooid en wij zijn dankbaar voor het Nederlandse geld waarmee ik mijn huis heb kunnen herbouwen. Maar één ding moeten jullie goed begrijpen: loop ons niet voor de voeten als het om onze onafhankelijkheid gaat. Wie niet vóór ons is, is tegen ons. En bij een volgende oorlog zal het UCK groter zijn dan ooit.”

Onafhankelijkheid is niet alleen voor Musa Gashi een sine qua non. Op marktpleinen en krantenredacties, in moskeën en internet cafés – voor Albanees Kosovo is elk alternatief onbespreekbaar. Ook voor vooraanstaande intellectuelen. Neem Flora Brovina, internationaal gelauwerd schrijfster, kinderarts en mensenrechtenactiviste.

In Hotel Grand Pristina – vroeger eigendom van militieleider Arkan – is het een drukte van belang. Brovina wordt regelmatig gestoord door bezoekers die haar de hand willen schudden. Als wij haar spreken is ze net een maand terug in Kosovo. Tijdens de oorlog werd Brovina door gemaskerde mannen in haar huis gearresteerd en naar een gevangenis in Servië gebracht wegens “samenzwering tegen de staat”. Twaalf jaar kreeg ze, maar dankzij de machtswisseling in Belgrado werd ze eerder vrijgelaten. Al ontving ze onlangs een prijs van de Verenigde Naties, blij is ze niet. “Het is ronduit schandalig dat Joegoslavië weer lid is van de VN en de OVSE terwijl honderden Albanese gijzelaars nog steeds vastzitten in Servië. Ik vind het onvergeeflijk: de internationale gemeenschap laat hen vallen als een baksteen. Vanaf nu zijn het ook de gijzelaars van de internationale gemeenschap.”

Voor de machtswisseling in Belgrado, nog geen half jaar geleden, ging er een gezegde rond in Kosovo: “Als we onafhankelijk zijn, krijgt Milosevic ons eerste standbeeld.” Want met zijn brute optreden in Kosovo heeft niemand de onafhankelijkheid dichterbij gebracht dan Milosevic. De komst van Kostunica en Djindjic is voor de Kosovo-Albanezen dan ook slecht nieuws: het Westen en de Kosovo-Albanezen hebben niet langer een gezamenlijke vijand.

Het Westen dringt nu meer en meer aan op verzoening met de Serven. Eist die zelfs. Brovina: “Toen ik vrijkwam, was het eerste wat ik op de Kosovaarse televisie zei: "We moeten nooit vergeten wat er is gebeurd, maar we moeten sterk genoeg zijn om te vergeven." Daar sta ik nog steeds achter, maar het valt me heel zwaar ernaar te leven. Laat er geen misverstand over bestaan: ik ben tegen elke vorm van geweld tegen de Serven. Ik vind het afschuwelijk en de Albanezen moeten zich toleranter opstellen. Maar geen enkele Serf heeft mij ooit om vergiffenis gevraagd of zelfs berouw getoond. Kostunica maakt geen aanstalten Servische misdadigers te berechten. Hoe kan ik dan aan verzoening denken? Het is een westers idee-fixe dat er snel verzoening moet komen. Ten koste van onze gevoelens.”

Tijdens ons urenlange gesprek spreekt de gracieuze Brovina steeds beheerst en schijnbaar onbewogen. Nu beginnen haar vingers zenuwachtig aan een pakje sigaretten te frummelen, verheft ze haar stem en wacht ze niet langer op de vertaler. Ze zegt: “Ik vecht voor vrede in Kosovo en dat betekent een onafhankelijk Kosovo. Albanezen vechten al een eeuwigheid voor een eigen staat. Ik juich het niet toe, maar velen zullen de wapens weer oppakken. Desnoods tegen Unmik en Kfor. Was het ooit denkbaar dat na de Tweede Wereldoorlog het Duitse gezag in Nederland hersteld zou worden? Waarom vragen jullie dat van ons?”

Ik leg haar de uitspraak van Daan Everts voor dat de komende vijf jaar geen sprake kan zijn van onafhankelijkheid. Brovina, bedeesd: “Misschien is hij toch geen vriend van het Albanese volk.”

Zullen de Albanezen zich met geweld keren tegen Unmik en Kfor? Het zou een nachtmerrie voor de Balkan zijn. Maar boven diezelfde Balkan schittert een somber gesternte.

Zo’n dertig procent van buurland Macedonië is Albanees en voelt zich onderdrukt door de Slavische meerderheid. De laatste weken gromt een gewapende Albanese guerrilla steeds luider. Kfor heeft checkpoints op een steenworp afstand met de grens en Navo-chef Robertson stuurde vorige week militaire en politieke adviseurs naar hoofdstad Skopje. Het (Slavische) Macedonische leger had in diezelfde week voor het eerst vuurgevechten met een etnisch-Albanees “Nationaal Bevrijdingsleger”. Hoe zullen de Kosovaarse Albanezen reageren als Kfor wordt meegesleurd in de strijd tegen hun Macedonische bloedbroeders?

Ondertussen laait de strijd in Zuid-Servië op. Het separatistische Albanese guerrilla leger UCPMB – niet veel anders dan het oude UCK – vecht er voor annexatie van de Presevo-vallei bij Kosovo. De tactiek is die van voorganger UCK: de vijand provoceren tot een brute tegenreactie waar de bevolking onder lijdt, en zo de internationale gemeenschap tot ingrijpen bewegen. Cynisch genoeg zijn er aanwijzingen dat de Albanezen in de Presevo-vallei het UCPMB helemaal niet steunen. Maar de gewapende strijd voor een onafhankelijk Kosovo wordt zo wel nieuw leven ingeblazen.

In tegenstelling tot wat veel media beweren, treedt Kfor al maanden op tegen het UCPMB. Daarbij worden partijen wapens in beslag genomen en strijders gearresteerd. Wat gebeurt er als het UCPMB besluit om te gaan terugvechten? Kfor deed vorige week een enorme concessie aan Belgrado door de gedemilitariseerde zone kleiner te maken, waardoor Servische troepen het opstandige gebied verder in kunnen trekken. Het lijkt haast ondenkbaar, maar Servië en Kfor gedragen zich in de strijd tegen de Albanese separatisten als bondgenoten.

De dag dat de tijdbom onder Kosovo ontploft, is de dag dat Kfor verandert van een bevrijdingsleger in een bezettingsleger. En dat het spiksplinternieuwe kerkje in Naklo niet meer dan een ruïne zal zijn.