maandag 26 april 2021 / Trouw / CC Sandor Somkuti (via Flickr)

Nederland moet actief en gericht sturen op vergroening van de zware industrie

We moeten de zware industrie niet als een vervuilende vijand zien, maar als een onmisbare partner in het bouwen van een groene toekomst, schrijft Evert Nieuwenhuis van Wetenschappelijk Bureau GroenLinks. Dit betekent dat Nederland de komende kabinetsperiode actief beleid moet voeren om de zware industrie te vergroenen. Het is tijd voor groene industriepolitiek.

Goed nieuws: Nederland staat aan de vooravond van de Groene Eeuw, het tijdsgewricht waarin we klimaatneutraal leven. Dat die Groene Eeuw er komst staat in het Klimaatakkoord van Parijs, de Nederlandse Klimaatwet en de European Green Deal. En anders zal het stijgende water ons wel overtuigen van de noodzaak.

In het bouwen van de Groene Eeuw speelt de zware industrie – denk aan staal, chemie en raffinage – een hoofdrol. Ze levert immers grondstoffen voor producten die we dagelijks gebruiken: van schoenzolen tot systeemplafonds en van accu’s tot windmolens. We kunnen niet zonder zware industrie – nu niet, maar ook niet in de Groene Eeuw.

Tegelijkertijd vormt de zware industrie een probleem. Ongeveer een kwart van alle Nederlandse CO2-uitstoot komt van de zware industrie – meer dan alle andere sectoren in Nederland. Ondertussen daalt de uitstoot van de zware industrie in Nederland al tien jaar zo goed als niet en behoort slechts een fractie (8 procent) tot de duurzaamste 10 procent van Europa, zoals recente cijfers van de Nederlandse Emissieautoriteit laten zien. Ook lokaal is er veel schade, zo blijkt uit de verontrustende gezondheidsklachten van bewoners rondom Tata Steel in IJmuiden (Trouw, 20 april 2020).

Nederland zet stappen om de zware industrie te vergroenen. Maar genoeg is dat allerminst, concludeert recent onderzoek van de OESO. De internationale organisatie pleit daarom voor een nationale “groene industriestrategie”. Ik zou een stap verder willen gaan: Nederland moet groene industriepolitiek voeren die actief en gericht stuurt op de vergroening van de Nederlandse zware industrie.

De essentie van groene industriepolitiek is eenvoudig: we leggen de rode loper uit voor groene pioniers en we dwingen fossiele achterblijvers om het groene pad te kiezen. De rode loper bestaat uit diverse maatregelen, variërend van subsidies voor onderzoek naar innovaties tot de aanleg van de benodigde infrastructuur, zoals een netwerk voor waterstof.

Maar er is ook een stok nodig. Een pittige CO2-belasting maakt groene producten relatief goedkoper en dwingt de industrie om eindelijk het laaghangend fruit van CO2-reductie te plukken dat ze – zo blijkt uit onderzoek – laat hangen omdat het financieel te weinig loont. Convenanten en vrijblijvende afspraken moeten plaatsmaken voor bindende afspraken die streng worden gehandhaafd. De industrie moet haar nek uitsteken en de nodige investeringen doen. Ze moet beseffen dat ze daar al dertig jaar te laat mee is, want zo lang weten we al dat klimaatverandering een groot probleem is.

Groene industriepolitiek vereist een moedige overheid die risico’s neemt en scherpe keuzes maakt. Ze moet – bijvoorbeeld – aan Tata Steel duidelijk maken dat het in Nederland alleen toekomst heeft als het volledig schoon en klimaatneutraal produceert. Tata moet dus stoppen met zijn HIsarna-techniek dat slechts tot een CO2-reductie van 20 procent leidt en waarbij de overige CO2 onder de Noordzeebodem verdwijnt. In plaats daarvan moet het vandaag nog inzetten op groen staal geproduceerd met groene waterstof. Het Zweeds-Finse HYBRITT-project zal al in 2026 zijn eerste groene staal produceren – kijk, dat is pas een groene koploper. Om Tata daartoe aan te zetten is, onder andere, Europees beleid nodig dat op termijn alleen de verkoop van groen staal toestaat. Tegelijkertijd moet Nederland serieus investeren in waterstofinfrastructuur om de productie van groen staal mogelijk te maken. Ook de overheid moet dus haar nek uitsteken.

De afgelopen 75 jaar heeft Nederland de fossiele industrie actief gestimuleerd, variërend van handelsmissies die vlak na de Tweede Wereldoorlog Amerikaanse bedrijven met succes overhaalden om hier te investeren tot de bizar lage energiebelastingen voor de zware industrie van vandaag. Nederland wilde graag veel zware industrie en voerde daarom fossiele industriepolitiek. Nu is het tijd om de Groene Eeuw te bouwen. En dus is het dus tijd voor groene industriepolitiek.

De auteur werkt als project- en onderzoeksleider bij Wetenschappelijk Bureau GroenLinks en is samensteller van het rapport Groene industriepolitiek – Bouwen aan de Groene Eeuw. Meer informatie op www.wbgl.nl/gip