Friday 9 April 2021 / www.wbgl.nl/gip /

Evert Nieuwenhuis en Tom van der Lee

Groene Industriepolitiek – Bouwen aan de Groene Eeuw

Hoe zorgen we ervoor dat de zware indudstrie groen wordt en hoe versnellen we deze transitie? Slothoofdstuk van de bundel Groene Industriepolitiek - Bouwen aan de Groene Eeuw, geschreven door Evert Nieuwenhuis en Tom van der Lee. 
 
 

De belangrijkste punten van dit hoofdstuk
• In de transitie naar de Groene Eeuw speelt de basisindustrie (ook wel zware industrie) een hoofdrol, als grootverbruiker van grondstoffen en verantwoordelijke voor 25 procent van de Nederlandse uitstoot van broeikasgassen. Tegelijkertijd is de basis­ industrie onmisbaar voor de Groene Eeuw, als leverancier van cruciale pro­ducten voor de transities in de energievoorziening, mobiliteit, voedselvoor­ ziening, de zorg en gebouwde omgeving. Vergroening van de basisindustrie is dus cruciaal – zonder groene basisindustrie geen Groene Eeuw.
• Nederland heeft de plicht om het vergroenen van de industrie wereldwijd te bevorderen: als vroeg geïndustrialiseerd land hebben we een disproportionele hoeveelheid broeikasgassen uitgestoten, waar met name arme landen last van hebben. Bovendien loopt Nederland ver achter bij het be­ halen van (Europese) klimaatdoelen – een forse inhaalslag is noodzakelijk.
• Nederland is bij uitstek geschikt voor een groene basisindustrie. Zo
liggen we aan zee (gunstig voor aanvoer van energie en grondstoffen) en ontsluiten spoor­, snel­ en waterwegen een groot commercieel achterland (Noordwest ­Europa) voor de producten die de basisindustrie levert. De Noordzee biedt goede mogelijkheden om groene energie op te wekken dan wel te importeren. Bovendien heeft de huidige, fossiele basisindustrie een goede uitgangspositie voor een groene basisindustrie, onder andere door haar kennis, kunde, en kapitaal.
• De aanwezigheid in Nederland van een forse fossiele basisindustrie is het gevolg van politieke keuzes en ruim zeventig jaar overheidssteun. Nu is het tijd voor groene industriepolitiek die bouwt aan de basisindustrie voor de Groene Eeuw. Groene industriepolitiek vereist een sterke en moedige overheid die niet bang is om keuzes met verstrekkende gevolgen te maken. Goede samenwerking met de industrie, kennisinstellingen en andere betrokken partijen is essentieel, maar de overheid voert de regie.
• Groene industriepolitiek legt de rode loper uit voor groene pioniers en dwingt fossiele achterblijvers om het groene pad te kiezen. De overheid creëert een eerlijk speelveld voor groene producten en laat duurzaam­heidsnormeringen voorspelbaar en stapsgewijs oplopen. Ze verstrekt, indien nodig, subsidies voor innovaties en onrendabele toppen. Daarnaast zorgt de overheid voor de benodigde infrastructuur en geeft hierover tij­dig duidelijkheid. De industrie steekt eveneens haar nek uit, ook financi­eel. Vrijblijvende convenanten maken plaats voor een pittige CO2­-heffing, wettelijke verplichtingen (energiebesparing, afname van hernieuwbare energie) én stevige handhaving. Europees beleid is cruciaal, waaronder een Europees emissiehandelssysteem, importheffing op CO2 en richtlijnen die groene producten tot de standaard maken.

 

NB: Het artikel op deze website is niet voorzien van voetnoten met bronnen en andere informatie. Download de pdf om de gehele tekst met voetnoten te lezen. 

 

Wie vanaf de kades van Willemstad om zich heen kijkt, ziet Nederland op z’n mooist. Aan de voet van de d’Orangemolen uit 1734 zie je de oude stadswal overgaan in uiterwaarden met grazende koeien en schapen. Een lommerrijk wandelpad verdwijnt langzaam de groene verte in. Langs de dijken stromen de drie belangrijke waterwegen – het Hollandsch Diep, de Haringvliet en het Volkerak – die het Noord-Brabantse vestingstadje eeuwenlang welvaart en welzijn schonken.

Maar wie een klein beetje verder naar het oosten kijkt, ziet zware rookpluimen uit talloze schoorstenen de lucht in gaan. Na zonsondergang zorgen de verlichte pijpen voor een helwitte lichtzee en soms kleurt de lucht oranje van het affakkelen van restgassen. De rookpluimen komen van haven- en industriegebied Moerdijk, een van de grote vestigingslocaties van de Nederlandse basisindustrie. Op ruim 2.500 hectare zijn circa 400 bedrijven gevestigd, grotendeels behorend tot de basisindustrie, waarvan Shell Chemie de grootste is. Er werken circa 10 duizend mensen.

Beide uitzichten horen bij Nederland: Nederland is niet alleen het land van groene weilanden met grazende koeien, maar is ook de vestigingsplaats van een forse basisindustrie, een van de meest vervuilende economische sectoren. Die fabrieken kwamen hier niet vanzelf, maar zijn het gevolg van politieke keuzes van de afgelopen zeventig jaar om van Nederland een vestigingsland voor de fossiele industrie te maken. Uitkijkend vanaf de stadswal van Willemstad vraag je je vanzelf af: willen we dit nog in de 21ste eeuw? Past deze industrie in ons groene, maar ook kleine en dichtbevolkte land? Nu de klimaatcrisis steeds acuter wordt, grondstoffen schaarser worden en de biodiversiteit schrikbarend achteruit holt, moeten deze pilaren van de fossiele, lineaire economie niet als de sodemieter naar beneden gehaald worden, om plaats te maken voor een klimaatneutrale en circulaire basisindustrie?

Deze vraag wordt des te pregnanter als we beseffen dat de basisindustrie de sector is met de hoogste CO2-uitstoot in Nederland en de reductie van deze uitstoot al zo’n tien jaar stagneert. De fabrieken van de basisindustrie kunnen ook luchtvervuiling en gezondheidsklachten veroorzaken. Bovendien is de basisindustrie grootverbruiker van grondstoffen, terwijl het streven naar circulariteit nog in de kinderschoenen staat. De huidige, fossiel georiënteerde basisindustrie werkt momenteel als remklauw op de transitie, terwijl een groene basisindustrie juist een hefboom kan zijn voor de groene transitie.

Het simpelweg sluiten van de Nederlandse basisindustrie is geen optie

Afschaffen dan maar? In dit hoofdstuk beargumenteren wij dat het simpelweg sluiten van de Nederlandse basisindustrie geen optie is. Al was het maar omdat Nederland de plicht heeft om het vergroenen van de industrie wereldwijd te bevorderen: als vroeg geïndustrialiseerd land hebben we een disproportionele hoeveelheid broeikasgassen uitgestoten, waar met name arme landen last van hebben. Kortom: Nederland is toe aan groene industriepolitiek die bouwt aan de basisindustrie voor de Groene Eeuw.

7.1 De Groene Eeuw
Nederland staat aan de vooravond van de Groene Eeuw, het tijdsgewricht waarin onze samenleving eindelijk klimaatneutraal en circulair zal zijn. De Groene Eeuw betekent het einde van de grijze eeuw, waarin we onbekommerd broeikasgassen uitstootten en eindige grondstoffen gebruikten alsof morgen niet bestond. Dát de Groene Eeuw er gaat komen, is gelukkig geen onderwerp meer van discussie: de fossiele economie is onherroepelijk op de terugtocht door onder andere het mondiale Akkoord van Parijs, het nationale Klimaatakkoord, de Klimaatwet, de Europese Green Deal en Europese Klimaatwet. De gedeelde noemer van deze mijlpalen is dat er in 2050 (zo goed als) geen broeikasgassen worden uitgestoten. Daarnaast is er in Nederland én Europa brede consensus over de noodzaak om over te stappen op een circulaire economie waarin alle grondstoffen in kringloop worden gehouden.

In de transitie naar de Groene Eeuw speelt de basisindustrie een hoofdrol. De basisindustrie is immers grootverbruiker van grondstoffen en verantwoordelijk voor het grootste aandeel (circa 25 procent) in de Nederlandse uitstoot van broeikasgassen (zie hoofdstuk 1 Fors en fossiel – de Nederlandse basisindustrie in vogelvlucht). Met het sluiten van de basisindustrie zou Nederland gemakkelijk zijn klimaatdoelen halen, maar dan zou ook de productie verschuiven naar landen met een minstens zo grote CO2- en grondstoffenvoetafdruk. We exporteren dan onze problemen, in plaats van ons aandeel te nemen in de wereldwijde vergroening van de basisindustrie. Daarnaast kunnen we de kennis en het kapitaal van de huidige industrie inzetten voor de groene transitie. Een groene industrie is bovendien een vliegwiel van nieuwe groene producten die nodig zijn voor de transities in de energievoorziening, mobiliteit, voedselvoorziening, de zorg en gebouwde omgeving. Kortom, het vergroenen van de basisindustrie is dus cruciaal om te kunnen bouwen aan de Groene Eeuw.

In de transitie naar de Groene Eeuw speelt de basisindustrie een hoofdrol

Gelukkig zetten zowel de regering als de sector stappen om de Nederlandse basisindustrie te verduurzamen. Zo beschreef toenmalig minister Eric Wiebes (Economische Zaken en Klimaat, VVD) in de Visie verduurzaming basisindustrie 2050 namens kabinet Rutte III hoe hij de toekomst ziet van de Nederlandse basisindustrie: in 2050 moet deze zo goed als klimaatneutraal en circulair produceren. Deze transitie is volgens Wiebes niet alleen een opgave, maar ook een kans. Nederland heeft ‘de ambitie en de kans om dé (Europese) vestigingsplaats te zijn voor duurzame (basis)industrie. (...)’. Gaan we deze kans tijdig verzilveren? ‘De keuze is aan ons’, luidt de optimistische ondertitel.

Het is even wennen, maar zelden schreef een VVD-minister van Economische Zaken een visie die zo dicht bij het gedachtegoed van GroenLinks ligt. Dit is goed nieuws, dit is waar wij en vele anderen decennia voor hebben gestreden. Evengoed zijn er belangrijke verschillen tussen ons gedachtegoed en dat van Wiebes: economische kansen vormen het uitgangspunt, en niet het afwenden van de klimaatcrisis; circulariteit krijgt te weinig aandacht en waarom moet Nederland nu weer een economische ‘koploper’ worden in plaats van gewoon een gezond en gelukkig land te willen zijn? Maar laten we de hoofdboodschap omarmen: Nederland streeft naar een groene basisindustrie. Hulde.

Zelden schreef een VVD-minister een visie die zo dicht bij het gedachtegoed van GroenLinks ligt

De vraag die zich nu aandient is: hoe dan? En met het oog op de zich snel ontwikkelende klimaatcrisis en grondstoffenschaarste: hoe versnellen we de transitie naar een groene basisindustrie? Met andere woorden: welke groene industriepolitiek heeft Nederland nodig?


In dit hoofdstuk schetsen we de contouren van een groene industriepolitiek. Achtereenvolgens bespreken we de volgende vragen:

  • Wat zijn onze uitgangspunten voor groene industriepolitiek?
  • Is een groene basisindustrie mogelijk en zo ja, hoe ziet die er dan uit
  • Moet die groene basisindustrie in Nederland gevestigd zijn?
  • Welke rol moet de overheid spelen?
  • Welk beleid is er op hoofdlijnen nodig?
  • Wat als klimaatbeleid basisindustrie wegjaagt?


7.2 Brede welvaart als uitgangspunt
Voor we tot een bespreking van deze vragen overgaan, beschrijven we eerst onze uitgangspunten voor een groene industriepolitiek. Voor ons als GroenLinks'ers moet brede welvaart leidend zijn. Dit betekent dat we streven naar een vorm van welvaart ‘hier en nu’ die niet langer ten koste gaat van welvaart voor mensen in andere landen (‘elders’) en voor volgende generaties (‘later’). Voor een definitie van brede welvaart verwijzen we naar de Monitor Brede Welvaart & Sustainable Development Goals 2020 van het Centraal Bureau voor de Statistiek, dat acht thema’s in ogenschouw neemt als onderdeel van brede welvaart: welzijn, materiële welvaart, gezondheid, arbeid en vrije tijd, wonen, samenleving, veiligheid en milieu. Als we brede welvaart nastreven, is het bruto binnenlands product (bbp), de nu gangbare maatstaf voor welvaart, dus niet langer allesbepalend.

Het streven naar brede welvaart betekent dat we anders en minder moeten consumeren. Minder vraag naar industriële (eind)producten levert immers direct besparing op van grondstoffen en CO2-uitstoot (ook buiten Nederland, aangezien veel grondstoffen geïmporteerd worden). De overgang naar een circulaire economie is dan ook essentieel. De transformatie naar een circulaire economie, en hoe de overheid deze kan vormgeven en versnellen, is onderwerp van een recent verschenen publicatie van Wetenschappelijk Bureau GroenLinks, Circulair samenleven in 2050 – op zoek naar brede welvaart in een circulaire economie, waarnaar wij hier verwijzen.

Financiële stimulering van de fossiele basisindustrie is een subsidie voor het verleden

Tussen woord en daad
Het streven naar brede welvaart ligt voor de hand – de eerste zin van de Miljoenennota 2020 is eraan gewijd, daarna wordt het begrip diverse keren herhaald –, maar in de praktijk is dit nog geen uitgemaakte zaak. In de eerdergenoemde kabinetsvisie op de verduurzaming van de basisindustrie staat uiteindelijk het vergroten van het verdienvermogen, de concurrentiepositie van Nederland en het bbp centraal. Zoals hoofdstuk 3 Klimaat, best belangrijk – huidig beleid in Nederland en Europa om de basisindustrie te vergroenen van dit rapport laat zien, opereert het ministerie van Economische zaken en Klimaat vooral als ministerie van Economisch zaken met het ministerie van Klimaat als dependance. Nog altijd wordt het gebruik en de productie van kolen, gas en olie financieel gestimuleerd met een bedrag van circa 4 tot 8 miljard euro (in 2020), terwijl de rijksuitgaven voor klimaatbeleid nog geen 4 miljard euro bedragen. Dit is absurd: de financiële stimulering van de fossiele basisindustrie is een subsidie voor het verleden in plaats van de toekomst en moet daarom zo snel mogelijk worden afgebouwd.

Ook al staat in de Miljoenennota het streven naar brede welvaart centraal, in de praktijk prevaleren economische waarden en gevestigde belangen

Ook in het huidige beleid dat de industrie moet vergroenen staat brede welvaart niet centraal. Matthijs Janssen, Marko Hekkert en Koen Frenken betogen in hoofdstuk 4 Missie schone schoorstenen – missiegedreven innovatiebeleid, een nieuw perspectief op vernieuwing en vergroening dat het huidige innovatiebeleid dat ook de basisindustrie moet verduurzamen, een opvallend grote rol toebedeelt aan Topsectoren (samenwerkingsverbanden tussen bedrijfsleven, universiteiten, onderzoekscentra en overheid met als doel deze sectoren internationaal concurrerender te maken) terwijl zij ‘doorgaans minder goed zijn om vanuit een (breder) maatschappelijk afwegingskader te bepalen wat een missie ten goede komt.’ In hoofdstuk 6 Industriebeleid voorbij de polder – inzichten van de transitiekunde beschrijven Derk Loorbach en Gijs Diercks hoe het huidige ‘industriebeleid zich vooral richt op technologische oplossingen voor het verduurzamen van de bestaande industrie’ en dat deze focus ‘extreem problematisch is: het leidt tot aanhoudende investeringen in wat op lange termijn niet vol te houden is en stelt daarmee ook het inzetten op de volgende generatie industriële activiteiten uit.’ Kortom, ook al staat in de Miljoenennota het streven naar brede welvaart centraal, in de praktijk gaan economische waarden en gevestigde belangen voor.

Afruil
Groene industriepolitiek richt zich niet op de vraag hoe we zoveel mogelijk basisindustrie in Nederland behouden die zoveel mogelijk economische voorsprong voor de ‘BV Nederland’ oplevert. Groene industriepolitiek stelt een andere vraag: welk soort basisindustrie draagt het meest bij aan de brede welvaart van Nederland en de wereld, nu en in de toekomst? Daarmee is de kous nog niet af, want aan elke keuze kleven nadelen. Zo heeft groene basisindustrie ruimte nodig, vraagt zij veel duurzame stroom die ergens opgewekt moet worden en blijven de fabrieken een mooi uitzicht vanaf de kades van een oud vestingstadje bederven.

Daartegenover staat dat de basisindustrie kan bijdragen aan brede welvaart. De basisindustrie maakt grondstoffen voor medicijnen bijvoorbeeld, of staal en composieten voor windturbines. In de basisindustrie worden inkomens verdiend. Een gezonde, diverse basisindustrie heeft een geopolitiek voordeel omdat ze ons minder afhankelijk maakt van – bijvoorbeeld – China.

Tussen deze voor- en nadelen moeten keuzes gemaakt worden (‘afruil’, in jargon) en bij groene industriepolitiek staat het streven naar maximale, brede welvaart altijd centraal. In dit hoofdstuk maken wij een aantal van die keuzes en beargumenteren deze (met name in paragraaf 7.5 Heeft Nederland een groene basisindustrie nodig?).

7.3 Het is hoog tijd voor stevige industriepolitiek
De Groene Eeuw is een breuk met de fossiele eeuw. De verduurzaming van de basisindustrie vereist dan ook een majeure transitie: zo goed als alle fabrieken die er nu staan, zijn afhankelijk van fossiele grondstoffen en energiebronnen. Dit moet allemaal anders en dat heeft ingrijpende gevolgen voor onder andere infrastructuur (gasleidingen worden waterstofleidingen, bijvoorbeeld) maar ook banen en opleidingen (er zal meer en/of andere hoogwaardige technologische kennis nodig zijn). Dit is dus hét moment om ons af te vragen wat voor basisindustrie Nederland nodig heeft – los van het feit dat de komende tien jaar beslissend zijn om catastrofale opwarming van de aarde te voorkomen.

De huidige fossiele basisindustrie is het product van industriepolitiek

Het is belangrijk om te beseffen dat de huidige fossiele basisindustrie in Nederland het product is van industriepolitiek (zie casus I Geschiedenis van Nederlandse industriebeleid na 1945). Belangrijke determinanten waren de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog, waarin economische groei, het bevorderen van de export en werkgelegenheid centraal stonden. De vondst van enorme hoeveelheden aardgas in onze bodem zorgde voor een relatief grote chemische industrie met aardgas als belangrijke energiebron en grondstof.

Net zoals stevige industriepolitiek na de Tweede Wereldoorlog leidde tot een forse fossiele basisindustrie in Nederland, is bij de ombouw naar en opbouw van een bloeiende, groene basisindustrie stevige industriepolitiek nodig. Daar is ook politieke ruimte voor, nu we aan het einde komen van het tijdperk waarin neoliberalisme hoogtij vierde en we bovendien onmiskenbaar in een klimaatcrisis belanden. Een actieve, gerichte, missiegedreven industriepolitiek is onontbeerlijk. Zoals we in paragraaf 7.6 uitvoeriger bespreken, moet de overheid sturend optreden, een eerlijk speelveld voor groene producten creëren en steeds hogere normeringen voor duurzaamheid hanteren. In plaats van in te zetten op vrijblijvende convenanten, moet ze kiezen voor een pittige CO2-heffing, wettelijke verplichtingen (onder andere voor energiebesparing en inkoop van hernieuwbare energie) én stevige handhaving. Handhaving die ook doorbijt als het moet, met dwangsommen en sancties.

De jaren twintig van deze eeuw vormen een beslissend decennium voor de toekomst van de Nederlandse basisindustrie

Bovendien zijn er goede redenen om niet alleen de groene industriële transitie te versnellen, maar ook voorop te lopen in het realiseren ervan. Nederland is – vanwege haar koloniale verleden, geografische ligging en opgebouwde vermogen – in staat geweest om tot de vroegst geïndustrialiseerde landen ter wereld te behoren. Onze historische uitstoot van broeikasgassen is dan ook zowel absoluut als relatief zeer hoog. Nederland heeft, kortom, een extra verantwoordelijkheid om zijn basisindustrie zo snel mogelijk te vergroenen.

De jaren twintig van deze eeuw vormen een beslissend decennium voor de toekomst van de Nederlandse basisindustrie. Dit is hét moment om ons hardop af te vragen wat voor soort basisindustrie we willen en welke plaats deze in onze samenleving inneemt. Wij zeggen: Nederland heeft een basisindustrie nodig die groen is en die maximaal bijdraagt aan brede welvaart.

7.4 Is een groene basisindustrie mogelijk?
Wie de zware rookwolken ziet opstijgen uit de schoorstenen van Moerdijk, Pernis, Botlek, Geleen, Delfzijl, Terneuzen, IJmuiden of andere plaatsen waar de Nederlandse basisindustrie is gevestigd, en wie de scheeps- en treinladingen met fossiele en andere eindige grondstoffen (zoals olie, kolen en ijzererts) op weg naar de fabrieken ziet passeren, vraagt zich al snel af: is het überhaupt mogelijk om deze intens fossiele en lineaire manier van produceren klimaatneutraal en circulair te maken?

Ja, een klimaatneutrale en circulaire basisindustrie is technisch gezien mogelijk. Deze stelling wordt (uitvoerig) onderbouwd in hoofdstuk 2 Groene koplopers aan de Noordzee – schets van een klimaatneutrale en circulaire industrie in 2050. Hieronder vatten we dit hoofdstuk (zeer) kort samen:

  • De raffinagesector (met fossiele brandstoffen als benzine en diesel als belangrijke producten) zal zo goed als verdwijnen. Evengoed kan deze sector zich toeleggen op synthetische grond- en brandstoffen, zoals synkerosine voor de luchtvaart.
  • Voor de organische basischemie zijn er diverse manieren om klimaatneutraal en circulair te worden. Zo kunnen basismoleculen gemaakt worden van afgevangen CO2, kunnen synthetische of biogene grondstoffen gebruikt worden en zijn er tal van opties om de (eind)producten in te zamelen en weer als grondstof te gebruiken (recyling). De energie die nodig is voor het productieproces, bijvoorbeeld om de krakers en fornuizen te verhitten, kan geleverd worden door elektriciteit en groene waterstof.
  • Ook kunstmestproductie kan klimaatneutraal en circulair worden, waarbij groene waterstof een hoofdrol speelt. Een circulaire landbouw, waarin kunstmest niet nodig is, maakt idealiter de kunstmestproductie overbodig, maar deze zal in Nederland, Europa en de rest van de wereld nog een tijd op zich laten wachten.
  • Staal kan geproduceerd worden met waterstof, waarbij nagenoeg geen CO2 vrijkomt. Diverse staalbedrijven in de wereld experimenteren hiermee, waarbij het Zweedse SSAB koploper is (zie casus III Groen staal uit Zweden).281 Alleen volledige recycling maakt staalproductie volledig circulair, en dit moet dus het uiteindelijke doel zijn van groene industriepolitiek. Tot die tijd heeft een op waterstof gebaseerde staalproductie, met een zo groot mogelijke rol voor gerecycled staal, de groenste toekomst.

 

Voor alle opties om de basisindustrie te verduurzamen geldt dat er aanzienlijke hoeveelheden duurzaam opgewekte energie nodig zijn. De toegenomen vraag komt enerzijds omdat fossiele energiebronnen vervangen worden door duurzame bronnen en anderzijds omdat de inzet van duurzame bronnen meer energie kan vragen dan de inzet van fossiele bronnen (de productie van waterstof kost veel meer energie dan het gebruik van aardgas, bijvoorbeeld). De benodigde duurzame energie kan deels in Nederland opgewekt worden, maar het is ook denkbaar dat deze geïmporteerd moet worden (in 2021 zal Wetenschappelijk Bureau GroenLinks een rapport uitbrengen over de voors en tegens van de import van waterstof). Hoe dan ook zal de toenemende vraag naar duurzame energie grote gevolgen hebben voor de Nederlandse en Europese energiehuishouding. Deze opgave is evenwel geen onderwerp van dit rapport.

7.5 Heeft Nederland een groene basisindustrie nodig?
Goed, een groene basisindustrie is dus technisch gezien mogelijk. Gelukkig maar, want de Nederlandse basisindustrie produceert basismaterialen waarop onze samenleving is gebouwd: van de muren van je huis tot je schoenzool en van de behuizing van je laptop tot het chassis van je elektrische auto. Maar moet dat allemaal in Nederland geproduceerd worden? En heeft Nederland wel de juiste locatiefactoren voor een groene basisindustrie?

Liever niet hier, toch?
Er zijn goede redenen om te pleiten voor geen of weinig basisindustrie in Nederland, ook al is die klimaatneutraal en circulair. Zo neemt de basisindustrie veel plaats in terwijl we in dit land al moeten woekeren met de ruimte. Willen we naast Schiphol, de Rotterdamse en Amsterdamse haven en een uitgestrekt snel- wegennetwerk dat ‘Nederland Distributieland’ faciliteert ook de basisindustrie alle ruimte geven? De natuur staat al zwaar onder druk in dit land.

Ook economisch gezien kun je je afvragen of Nederland moet inzetten op basisindustrie. Onze industriële clusters produceren bulkgoederen en basismaterialen (zoals staal, chemische basisproducten en kunstmest, zie hoofdstuk 1 Fors en fossiel – de Nederlandse basisindustrie in vogelvlucht) die moeten concurreren op een wereldmarkt met flinterdunne marges. Op sommige mondiale markten, zoals die voor staal, is er overproductie. Is het niet logischer om ons te richten op de productie van kennis en diensten, in plaats van op productie van goederen?

De afgelopen decennia heeft veel maakindustrie (denk aan textielfabrieken of de scheepsbouw) ons land verlaten met een soortgelijke argumentatie (waarbij met name arbeidskosten een rol speelden). Waarom niet ook een vergelijkbare exit voor de basisindustrie? Is het niet slimmer om te pleiten voor een diensteneconomie die veel minder vervuilt?

Het macro-economisch belang van de basisindustrie moet niet overschat worden: circa 2,3 procent van het bbp staat op conto van de basisindustrie. Ruim 2 procent is niet weinig maar de Nederlandse economie stort niet in als de fabriekspoorten van Shell, Dow Chemical, Tata Steel en andere industriële concerns sluiten. Daarnaast vloeien veel van de winsten naar het buitenland (tien van de twaalf grootste industriële bedrijven hebben een overzees hoofdkantoor; zie hoofdstuk 1 Fors en fossiel – de Nederlandse basisindustrie in vogelvlucht). Ze komen dus niet of nauwelijks ten goede van de Nederlandse samenleving (sterker: Tata Steel betaalde nooit winstbelasting in Nederland).

Tata Steel heeft in Nederland nooit winstbelasting betaald

Maar de mensen die daar werken dan? Lokaal kan de werkgelegenheid die de basisindustrie oplevert van groot belang zijn. Bij Dow Chemical in Terneuzen werken bijvoorbeeld ruim 3.500 mensen, op Chemelot in Geleen ruim achtduizend en bij Tata Steel in IJmuiden negenduizend. Hoewel het verliezen van een baan een persoonlijk drama kan betekenen, zullen de verloren banen in de fossiele basisindustrie gemakkelijk gecompenseerd worden door nieuwe banen; deels in de groene industrie, deels daarbuiten, temeer daar een groot tekort is aan technische banen (die juist in de fossiele basisindustrie te vinden zijn).

Groene basisindustrie hoort in Nederland
Kortom, in de afruil tussen baten en lasten die het streven naar brede welvaart met zich meebrengt, zou je ervoor kunnen pleiten om de fossiele basisindustrie in Nederland te laten versterven en geen groene basisindustrie op te bouwen. En toch zou dat onverstandig zijn. Er zijn meerdere redenen waarom Nederland moet streven naar een groene basisindustrie binnen zijn landsgrenzen.

We moeten op z’n minst proberen om de bestaande industrie te vergroenen

Ten eerste huisvest Nederland relatief veel basisindustrie die de mogelijkheid heeft om te vergroenen (zie hoofdstuk 2 Groene koplopers aan de Noordzee – schets van een klimaatneutrale en circulaire industrie in 2050). Een aantal locatiefactoren – infrastructuur, kennis, menselijk kapitaal, ligging aan enerzijds de Noordzee en anderzijds een groot commercieel achterland – zijn gunstig. Het zou zonde zijn om deze gunstige factoren te negeren en niet op z’n minst te proberen de bestaande industrie in Nederland (grotendeels) te vergroenen.
Daarnaast vraagt een circulaire economie om een (deels) lokale economie en dus een (deels) lokale basisindustrie. In een circulaire economie worden kringlopen gesloten en kan wat voorheen als ‘afval’ gold, dienstdoen als grondstof voor nieuwe producten. Zo wordt in een circulaire basisindustrie de grondstof ijzererts vervangen door schroot. Om te voorkomen dat we ons schroot de wereld over slepen
om elders tot ijzer te laten versmelten – wat ook tot een aanzienlijke ecologische voetafdruk kan leiden, zeker als de recycling plaatsvindt in landen met een zwakke milieuwetgeving – is het verstandiger om een staalfabriek te hebben in de buurt van de bron van het schroot, oftewel de markten waar dat staal geconsumeerd wordt. Een Europese staalindustrie, waarvan een Nederlandse fabriek onderdeel kan zijn, draagt dus bij aan een circulaire samenleving.

Ook voor andere industriële productieketens geldt dat fysieke nabijheid een voorwaarde kan zijn om stappen te zetten naar meer circulariteit in de basisindustrie. Zoals uit hoofdstuk 2 Groene koplopers aan de Noordzee – schets van een klimaatneutrale en circulaire industrie in 2050 blijkt, kunnen (bijvoorbeeld) de reststromen van hoogovens waarin staal gemaakt wordt, als grondstof dienen voor de chemische basisindustrie. Etheen (ook wel ethyleen) is een belangrijke bouwsteen in de organische chemie. Nu wordt etheen vooral verkregen door het ‘kraken’ van nafta, afkomstig uit de raffinage van aardolie. Etheen is echter ook te produceren met de CO en CO2 die vrijkomt bij de productie van bijvoorbeeld staal en kunstmest, met behulp van water en groene stroom. Die CO en CO2 moet van de staalfabriek vervoerd worden naar de chemische installaties die er etheen van maken en hoe dichter ze bij elkaar liggen, hoe makkelijker dat gaat. Kortom: kringlopen in een ‘symbiotische industrie’ laten zich makkelijker sluiten als ze lokaal zijn.

Een groene basisindustrie biedt geopolitieke voordelen

Een groene basisindustrie biedt ook geopolitieke voordelen. Internationale handelsoorlogen liggen nog altijd op de loer, ook al zetelt er gelukkig weer een internationaal georiënteerde president in het Amerikaanse Witte Huis. Het is dan ook strategisch en geopolitiek verstandig om cruciale productiefaciliteiten te behouden binnen de Europese Unie. Denk aan de bestrijding van de coronapandemie: velen vroegen zich verbaasd af waarom Nederland en andere Europese landen zelf geen mondkapjes produceerden en ze uit China moesten importeren.

Een diverse economie – dus een economie die diverse sectoren kent, zoals landbouw, zakelijke dienstverlening én basisindustrie – is weerbaarder tegen economische tegenslag, omdat niet elke sector even hard geraakt wordt tijdens een economische schok. Daarnaast biedt een diverse economie ook meer mogelijkheden voor inclusiviteit: niet iedereen heeft de eigenschappen om te floreren in een hoogwaardige diensteneconomie; veel mensen werken liever met hun handen dan de hele dag achter een bureau te zitten.

Bovendien wordt van een groene industriepolitiek niet alleen Nederland, maar ook de rest van de wereld groener. Als Nederland erin slaagt om een vruchtbare proeftuin te creëren voor groene basisindustrie – wat, zoals in paragraaf 7.7 duidelijk zal worden, de kern van groene industriepolitiek moet zijn – kunnen we groene koplopers ontwikkelen die in heel de wereld kunnen helpen om de groene transitie vorm te geven.

Van groene industriepolitiek wordt ook de rest van de wereld groener

Nederland heeft de plicht om hieraan bij te dragen. Zoals in paragraaf 7.2 al benoemd, is Nederland één van de vroegst geïndustrialiseerde en één van de rijkste OESO-landen. Met relatief weinig inwoners heeft het zowel historisch als actueel een disproportioneel grote CO2-voetafdruk. Wij zijn het verplicht aan de rest van de wereldbevolking én aan de komende generaties om snel en voortvarend de uitstoot van broeikasgassen drastisch te reduceren en te bouwen aan een circulaire samenleving. Er ligt nog een lange weg voor ons, want vergeleken met andere Europese lidstaten loopt Nederland ver achter – we hebben nog niet eens aansluiting bij het peloton gevonden, laat staan dat we de kopgroep in het vizier hebben. Demarrage, nu!


Gunstige locatiefactoren
Een belangrijk economisch argument voor de ontwikkeling van een groene basisindustrie in Nederland is dat ons land daar een gunstige ligging voor heeft. Dat was vroeger zo, en dat zal in de toekomst ook zo zijn. We liggen aan zee (handig voor aanvoer van grondstoffen, die ook in een circulaire economie internationaal getransporteerd worden) en er is een groot achterland (met name het Ruhrgebied in Duitsland) voor onze basisproducten dat ontsloten wordt door rivieren en snelwegen. Nederland is in zekere zin ‘de delta van Noordwest-Europa’ en daarmee een gunstige locatie voor basisindustrie.

Zoals de aanwezigheid van aardgas een belangrijke stimulans was voor de ontwikkeling van een grote fossiele basisindustrie, is de Noordzee een gunstige locatiefactor voor de ontwikkeling van een groene basisindustrie. Waterstof en elektrificatie zullen in de toekomst een grote rol spelen en dat vraagt veel groene stroom. Op de Noordzee kan deze efficiënt en in de nabijheid van grote afnemers opgewekt worden. De Noordzee biedt niet genoeg ruimte om alle benodigde duurzame energie op te wekken, maar ook voor de import van waterstof, bijvoorbeeld uit gebieden waar dit gemakkelijker opgewekt kan worden, zoals de Zuid-Europa, de Sahara en het Midden-Oosten, beschikt Nederland over havens waar de geïmporteerde waterstof overgeslagen kan worden. Daarnaast heeft Nederland geschikte infrastructuur voor het binnenlands vervoer van waterstof. Een erfenis van onze aardgaswinning is een uitgebreid stelsel van gasleidingen dat relatief eenvoudig omgebouwd kan worden naar een netwerk van waterstofleidingen. Dit geldt ook voor CCS, waarvoor (lege) gas- en olievelden in de Noordzee met aanverwante pijpleidingen gebruikt kunnen worden. Wij zijn geen groot voorstander van de onderzeese opslag van CO2 uit fossiele brandstoffen, maar zien het wel als een nuttig maar tijdelijk transitie-instrument.

Nederland heeft een gunstige ligging voor groene basisindustrie

Gunstige locatiefactoren benutten en voortbouwen op ervaring zijn bewezen succesfactoren in het ombouwen naar en opbouwen van nieuwe industriële activiteiten, zoals casus II Het Deense windwonder laat zien (in Denemarken waait het veel en relatief hard en er is van oudsher veel technische kennis over windenergie). Bovendien heeft een standvastige Deense overheid decennialang de totstandkoming van de Deense windmolenindustrie actief en effectief gestimuleerd. Wat moet de rol van de Nederlandse overheid zijn in de transitie naar een groene basisindustrie?

7.6 De rol van de overheid
De verduurzaming van de basisindustrie vereist een majeure verbouwing van Nederland, zoals besproken in paragraaf 7.2 en 7.3. Fabrieken en infrastructuur moeten worden aangepast, kennis ontwikkeld, ervaringen gedeeld, vertrouwen opgebouwd, vergunningen verleend, omscholing en draagvlak gecreëerd, om maar een paar aspecten te noemen. De enorme opgave om de basisindustrie te vergroenen leent zich goed om aan te pakken met wat de invloedrijke econome Mariana Mazzucato ‘missies’ noemt (zie ook hoofdstuk 4 Missie schone schoorstenen – missiegedreven innovatiebeleid, een nieuw perspectief op vernieuwing en vergroening). Maatschappelijk missies vereisen sterke en duidelijke regie op de korte én lange termijn en er is maar een geschikte regisseur die alle betrokken actoren zo goed mogelijk kan laten samenwerken: de overheid.

De belangen zijn imponerend, de bedragen gigantisch, de projecten langdurig en de risico’s navenant groot – maar de overheid moet hier niet voor terugdeinzen

De overheid moet het roer dan ook stevig in handen nemen. De belangen zijn imponerend, de bedragen gigantisch, de projecten langdurig en de risico’s navenant groot. Maar de overheid moet hier niet voor terugdeinzen. Ze moet risico’s durven nemen en niet bang zijn om fouten te maken. Want fouten – zoals verkeerde investeringen of innovatieprogramma’s die wel kennis maar geen concrete oplossingen opleveren – zullen onmiskenbaar worden gemaakt, maar een veel grotere fout is om niets te doen en af te wachten tot ‘de markt’ het oplost. Politici moeten daar open en eerlijk over zijn en durven te zeggen: ‘Geachte burger, we gaan nu veel belastinggeld investeren in een techniek waarvan we niet zeker weten of het een succes wordt. Wat we wel weten is dat als we niets doen, de Nederlandse basisindustrie deze Groene Eeuw niet zal overleven. Bovendien dragen we niets bij aan de ontwikkeling van een groene basisindustrie hier of elders in de wereld, terwijl we de afgelopen honderd jaar wel disproportioneel veel hebben bijgedragen aan klimaatverandering. En die groene eeuw moet en zal er komen, want het ijs smelt.’

Laten we de rol van de overheid concreet maken. Stel dat een chemieconcern op het Limburgse cluster Chemelot – overigens gevestigd bovenop een oude staatsmijn, over transitie gesproken – wil experimenteren met het elektrificeren van bepaalde productieprocessen. Dit vereist een hoogspanningskabel met toebehoren, hetgeen forse investeringen met zich meebrengt en waarvan de aanleg jaren kan duren. Netbeheerder TenneT wil die kabel best leggen, maar alleen onder de voorwaarde dat er voor langere tijd voldoende stroom wordt afgenomen. Het bedrijf op Chemelot kan dit niet garanderen, omdat het om een experiment gaat dat kan mislukken. Daarnaast biedt de Rijksoverheid subsidie voor dit soort experimenten, maar alleen als het bedrijf kan aantonen dat de randvoorwaarden op orde zijn, zoals voldoende aanvoer van elektriciteit (zie ook hoofdstuk 3 Klimaat, best belangrijk – huidig beleid in Nederland en Europa om de basisindustrie te vergroenen). Om deze patstelling te doorbreken, moet de Rijksoverheid regie voeren en risico nemen, bijvoorbeeld door garant te staan voor de kosten van de hoogspanningskabel. Als het experiment een negatieve uitkomst heeft (wat waardevolle kennis oplevert, omdat we dan weten wat niet werkt en we een ander pad moeten inslaan), vergoedt de regering een deel van de kosten van de hoogspanningskabel aan staatsdeelneming TenneT. De overheid wordt zo een actieve partner in cruciale pilotprojecten (hier komen we op terug in paragraaf 7.7).

Die sterke, sturende rol vereist ook een grotere, betere overheid

Die sterke, sturende rol vereist ook een grotere, betere overheid. De afgelopen decennia streefden opeenvolgende kabinetten naar een zo klein mogelijke overheid die zich alleen op de meest essentiële taken richt. De betrokken ministeries (zoals Economische Zaken en Klimaat) ontberen nu de capaciteiten en technische kennis om goed ingevoerd de juiste besluiten te nemen. De belangrijkste tegenspelers, met name bedrijven, hebben deze kennis wel in huis, wat tot een kennis-asymmetrie leidt (zie hoofdstuk 4 Missie schone schoorstenen – missiegedreven innovatiebeleid, een nieuw perspectief op vernieuwing en vergroening). Hierdoor kunnen besluiten genomen worden die niet het algemeen belang dienen, maar specifieke bedrijfsbelangen (zie hoofdstuk 6 Industriebeleid voorbij de polder – inzichten van de transitiekunde). Er moet meer geld beschikbaar zijn voor externe kennisontwikkeling (bijvoorbeeld bij kennisinstituten als universiteiten en TNO) en bij de ministeries moet daarvoor voldoende ‘absorptiecapaciteit’ zijn, om te begrijpen wat er speelt en een goede gespreks- en samenwerkingspartner te zijn. Daarom moet de overheid kundig personeel minder laten rouleren en meer beta’s in dienst nemen, ook in de hogere managementechelons.

Een sterke hand van de overheid die de industrie stuurt en vormgeeft, is Nederland niet vreemd. Zoals beschreven in paragraaf 7.2, leidde een krachtige, naoorlogse industriepolitiek tot een bloeiende fossiele basisindustrie in Nederland. Ook decennia later maakte de overheid scherpe keuzes die tot industriële systeemtransformaties leidden. Zo gebruikte de kunstmestindustrie tot begin jaren zestig van de vorige eeuw vooral kolen als brandstof. Na de vondst van aardgas in Slochteren dirigeerde de overheid deze sector (net als andere delen van het chemisch cluster) met wortel en stok naar een overstap op aardgas. In een paar jaar tijd werden enorme industriële installaties voor immense bedragen omgebouwd om over te kunnen stappen op wat toen als de brandstof van de toekomst werd beschouwd: aardgas.296 Waarom zou de Nederlandse overheid niet andermaal de basisindustrie de juiste richting op kunnen sturen, nu de lage landen aan de Noordzee – en de rest van de wereld – bedreigd worden door een stijging van de zeespiegel en ander klimaatonheil?

Maar... welke overheid?
Goed, de overheid speelt een hoofdrol in de transitie naar een groene basisindustrie. Maar welke overheden? En hoe vervullen ze hun specifieke rol? De Nederlandse basisindustrie is onderdeel van lange internationale ketens en opereert op internationale markten. De Europese Unie is daarom het juiste niveau om de basis van groene industriepolitiek te leggen (in paragraaf 7.7 gaan we hier nader op in).
Maar Europa is zeker niet de enige relevante bestuurslaag. Zoals hoofdstuk 5 Van buurthuis tot global headquarters – hoe polycentrisch sturen een groene industrie mogelijk kan maken laat zien, zijn er nog vele andere overheden maar ook (maatschappelijke) organisaties en bedrijven betrokken bij de groene transitie van de basisindustrie, met elk hun eigen dynamiek, belangen en specifieke eigenschappen. Elke situatie vereist maatwerk en het is daarom lastig om algemene uitspraken over hun rol te doen. Wel is duidelijk dat samenwerking tussen betrokken partijen cruciaal is. Dit vereist vertrouwen, dat niet vanzelf ontstaat, maar door gezamenlijk aan de slag te gaan. De overheid moet het voortouw voor die samenwerking nemen en zorgen voor een open, voorspelbaar en transparant proces. Om industriële actoren in verschillende clusters gezamenlijk te kunnen laten leren, is het raadzaam om safehouses in te stellen waar informatie gedeeld wordt ten behoeve van de transitie (zie paragraaf 5.4).

Een goede samenwerking tussen overheid en industrie is essentieel

Een goede samenwerking tussen overheid en industrie is essentieel: er is een wederzijdse afhankelijkheid. De industrie heeft cruciale kennis in huis over het verduurzamen van haar productieprocessen. Vaak hebben de internationale moederbedrijven toegang tot kapitaal dat hard nodig is om te vergroenen. Tegelijkertijd moet de overheid ervoor waken om te veel te redeneren vanuit de bestaande situatie. Gevestigde belangen mogen de transitie niet in de weg staan of vertragen. Een voorbeeld: raffinagebedrijf XYZ experimenteert met synthetische kerosine voor klimaatneutrale luchtvaart, wat een stap in de groene richting is. Maar het bedrijf zal ook zo lang mogelijk geld willen verdienen aan de raffinage van fossiele kerosine, omdat het veel geld heeft geïnvesteerd in de huidige installaties. Dat laatste belang (fossiele installaties blijven gebruiken) mag niet de overhand hebben. Niet de bestaande situatie en belangen, maar het doel en algemeen belang moet centraal staan: een groene, toekomstbestendige industrie (zie ook hoofdstuk 6 Industriebeleid voorbij de polder – inzichten van de transitiekunde voor een bespreking van deze problemen en mogelijke oplossingen).

7.7 Het beleid op hoofdlijnen: wortel en stok
Uit welke beleidsmaatregelen bestaat groene industriepolitiek? De overheid moet, kort gezegd, de aloude wortel en stok ter hand nemen. De kern van groene industriepolitiek is het stimuleren van een toekomstbestendige en dus klimaatneutrale en circulaire basisindustrie (wortel) en het ontmoedigen van fossiele en lineaire (stok). Met andere woorden: voor groene pioniers leggen we de rode loper uit en fossiele achterblijvers dwingen we om het groene pad te kiezen. We maken hierbij geen onderscheid tussen bedrijven. Internationale reuzen die al meer dan honderd jaar de fossiele economie domineren, zoals Shell of Dow Chemical, kunnen net zo goed als pionier gestimuleerd worden als frisse, groene start-ups die met autofabrikant Tesla als lichtend voorbeeld een markt willen openbreken en transformeren.

De stok
Eerst de stok. CO2-uitstoot moet duurder worden en uiteindelijk worden verboden. Europa heeft een – in potentie – krachtig instrument om CO2-uitstoot te beprijzen en te beperken: het emissiehandelssysteem (EU-ETS, zie ook hoofdstuk 3 Klimaat, best belangrijk – huidig beleid in Nederland en Europa om de basisindustrie te vergroenen). Het ETS kent een plafond van uit te stoten broeikasgassen dat jaarlijks daalt. In 2030 moeten 43 procent minder broeikasgassen uitgestoten worden ten opzichte van 2005. Uiteindelijk gaat het plafond naar nul: er mag geen CO2 meer worden uitgestoten en er is dus geen toekomst voor CO2-uitstoters.

Helaas werkt het ETS nog niet goed genoeg. De CO2-prijs stijgt te langzaam en het plafond daalt te langzaam (er is evenwel uitzicht op een hogere prijs en een snellere daling van de uitstoot, nu de EU haar reductiedoel wil aanscherpen naar min 55 procent in 2030). Daarnaast heeft de basisindustrie veel gratis rechten gekregen en betaalt ze relatief weinig voor CO2-uitstoot dankzij allerlei vrijstellingen – de prikkel om te vergroenen is nog niet sterk genoeg.

Er is noodzaak én ruimte voor een Nederlandse CO2-belasting bovenop de ETS. De Nederlandse basisindustrie loopt achter, zoals we eerder beschreven (demarrage!), en we hebben veel tijd verloren met het falende beleid van convenanten als het Energieakkoord, waardoor nu een stevige inhaalactie noodzakelijk is. Sterker: we willen dat de Nederlandse basisindustrie groene koploper wordt. Daarnaast is de CO2-heffing een manier om te bereiken dat de rekening voor het klimaatbeleid niet alleen bij burgers terechtkomt. Aan een nationale heffing kleven nadelen, zoals de mogelijkheid dat sommige bedrijven Nederland verlaten, maar die zijn minder belangrijk dan de voordelen: het stimuleren van vergroening. In paragraaf 7.8 gaan we hier uitgebreider op in.

CO2-uitstoot duurder maken (een generieke maatregel) is een belangrijke stap, maar niet voldoende om de basisindustrie te vergroenen. De kans bestaat dat fabrikanten de CO2-belasting doorberekenen en producten gewoon duurder worden (of onverkocht blijven vanwege de flinterdunne marges op deze bulkgoederen dan wel onder de kostprijs worden verkocht, wat bedrijfseconomisch niet houdbaar is). Specifieke norm- en regelgeving leidt sneller tot systemische veranderingen. Als in Europa vanaf – zeg – 2030 geen auto’s met verbrandingsmotoren meer verkocht worden, betekent dat niet alleen de definitieve doorbraak van de elektrische auto, maar ook de nekslag voor raffinage: de belangrijkste afzetmarkt verdwijnt. Dit soort normeringen moeten ook voor andere producten worden ingesteld (meer hierover in de volgende subparagraaf).

Specifieke norm- en regelgeving zorgt er ook voor dat niemand zijn kop in het zand kan steken. Met generieke CO2-regelgeving (zoals een heffing) kunnen bedrijven denken: ‘Dat geldt vooral voor andere bedrijven en niet voor ons. Voor ons is nul CO2-uitstoot immers heel lastig en duur, dus voor ons wordt vast een uitzondering gemaakt. En anders kopen we gewoon CO2-rechten op.’ Hierdoor kunnen bedrijven de transitie naar de Groene Eeuw uitstellen, wat desastreus is voor het klimaat én uiteindelijk voor hun eigen levensvatbaarheid.

Andersoortige normeringen zijn ook noodzakelijk. Denk aan wettelijke verplichtingen tot energiebesparing, het plaatsen van zonnepanelen op grote daken en afname van hernieuwbare energie en groene waterstof. Als het gaat om energiebesparing heeft de Nederlandse basisindustrie nog wat goed te maken. Volgens een onderzoek, uitgevoerd in opdracht van industriële brancheverenigingen FME en VEMW en medegefinancierd door het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, kan de Nederlandse basisindustrie met gemak 3 Mton CO2 besparen. Niet met technieken die nog ontwikkeld moeten worden, maar met maatregelen die nu al technisch mogelijk én rendabel zijn. Door deze energiebesparingsmaatregelen niet door te voeren, overtreedt de basisindustrie wettelijke verplichtingen, wat eens te meer onderschrijft dat strenge handhaving, die ook als het moet doorbijt met dwangsommen en sancties, noodzakelijk is. Het laaghangend fruit van 3 Mton dat de basisindustrie niet plukt, staat gelijk aan 1,6 procent van de totale uitstoot in Nederland – meer dan het komende decennium bespaard kan worden met elektrisch autorijden. Absurd: terwijl Nederland zich in allerlei bochten wringt om elektrisch rijden mogelijk maken, laat de basisindustrie een even grote hoeveelheid te besparen Mton CO2 liggen.

Tot slot is een nauwgezette afstemming noodzakelijk tussen het aanbod van hernieuwbare energie en de vraagontwikkeling van de industrietransitie. Deze afstemming vereist coördinatie en regie, zodat de basisindustrie de voornoemde hefboom kan zijn van de groene transitie. Ook het MEE-convenant werd een mislukking. Er werd een besparing van 2 procent afgesproken, maar tien jaar later was nog geen 1,1 procent bereikt, hetgeen nauwelijks meer is dan de zogeheten ‘autonome besparing’ die zonder extra beleid wordt bereikt. 

Kader 7.1 De klimaatparadox: vergroening is zowel kostbaar als goedkoop

Is het vergroenen van de basisindustrie kostbaar? Ja en nee: het hangt er maar net vanaf door wiens ogen je kijkt. Voor fabrikanten aan het begin van de waardeketen kunnen de meerkosten van circulaire en klimaatneutrale producten aanzienlijk hoger zijn (20 tot 80 procent), terwijl deze voor consumenten nauwelijks merkbaar hoeven te zijn (een prijsstijging van minder dan 1 procent). Hoe kan dit?
Neem auto’s. Een nieuwe auto kost gemiddeld 25 duizend euro. In die auto zit circa een ton staal, waarvan de productieprijs ongeveer 600 euro is. Groen staal, geproduceerd met waterstof, is met 750 euro per ton een kwart duurder. Voor de staalproducent is dit een groot verschil waarmee hij zich uit de markt zou kunnen prijzen. Maar voor de consument die de auto koopt, maakt het niet weinig uit: de auto wordt 150 euro duurder, oftewel 0,6 procent van de aanschafprijs.
Hetzelfde principe geldt voor een plastic frisdrankfles, die doorgaans 3 cent kost om te produceren. De consument betaalt voor een fles frisdrank in de winkel pak ‘m beet 2 euro. Stel dat een klimaatneutrale en circulaire fles 50 procent duurder wordt (de fles kost dan 4,5 cent), dan moet de consument slechts anderhalve cent oftewel 0,7 procent extra betalen voor zijn fles frisdrank.
Het verduurzamen van de basisindustrie is dus op macroniveau allerminst kostbaar: een duurzame staal-, cement- en plasticproductie in Europa zou volgens onderzoek slechts 0,2 procent van het Europese bbp zou bedragen. Hoe kunnen we dit principe gebruiken om de verduurzaming van de basisindustrie te versnellen? Door groene eisen aan producten te stellen. Stel dat Europa alleen nog auto’s van groen staal en flesjes van circulair en duurzaam plastic zou toelaten (ook voor import), dan worden fabrikanten gedwongen om hun productieprocessen aan te passen en kunnen ze de kosten doorberekenen zonder hun concurrentiepositie te verzwakken.


De wortel
Dergelijke specifieke norm- en regelgeving zijn ook een wortel: ze geven de basisindustrie duidelijkheid én ze creëren markten. Bij een aangekondigd verbod op verbrandingsmotoren (zoals onder andere in Oostenrijk, Canada, Zweden en Denemarken)302 hebben autofabrikanten zekerheid over welk type auto ze moeten ontwikkelen en ze weten zeker dat er een markt is voor deze producten. Ze kunnen nu met een gerust hart hun fossiele verleden achter zich laten en meebouwen aan de groene eeuw.

Voor alle CO2-intensieve (eind)producten moeten dergelijke normeringen stap voor stap strenger worden. Neem staal: van conservenblik tot heipaal moet wettelijk vastgelegd worden dat ze op termijn alleen van groen staal gemaakt mogen worden (zie ook kader 7.1). Dit betekent dat bij de productie geen CO2 mag vrijkomen. Zoals gezegd moeten dit soort normeringen en uitfaseringen ook ingesteld worden voor andere producten, zoals de belangrijkste producten van de chemie (waaronder ethyleen, propyleen, benzeen, tolueen, xyleen en butadieen). Voor de raffinagesector kan het produceren van synthetische kerosine als wenkend perspectief dienen. Een oplopende bijmengverplichting voor vertrekkende vliegtuigen vanaf Schiphol en andere grote Europese luchthavens creëert daarvoor een markt. De huidige kerosinepijpleiding tussen Rotterdam en Schiphol wordt dan gevuld met klimaatvriendelijke kerosine.

Synthetische kerosine als wenkend perspectief voor de raffinagesector

Dergelijke normering en verboden gaan niet van de ene op de andere dag in – dat is praktisch onmogelijk – maar wel met snel oplopende normen (een verhoging van 25 procentpunt per vijf jaar, bijvoorbeeld). Fabrikanten weten waar ze aan toe zijn en dat ze moeten investeren in verduurzaming van hun productiemethoden. Een helder, realistisch maar ook dwingend tijdpad schept zo zekerheid en creëert afzetmarkten.

Het is cruciaal dat deze normen op Europees niveau worden vastgesteld. De Nederlandse markt is te klein om van invloed te zijn en bovendien exporteert de Nederlandse basisindustrie het grootste gedeelte van haar productie. Dit betekent dat we ook in Europa voor krachtig industriebeleid moeten pleiten, bijvoorbeeld voor uitbreiding en aanscherping van de Ecodesignrichtlijn, die ecologische eisen stellen aan producten die in alle lidstaten worden verkocht. Hier hoort ook een vurig pleidooi bij voor het carbon border adjustment mechanism dat in de Europese Green Deal is aangekondigd.303 Dit is een CO2-heffing op minder klimaatvriendelijke producten die worden geïmporteerd. Hierdoor ontstaat mondiaal een gelijk speelveld en worden Europese groene pioniers beschermd. Bovendien dwingt een CO2-importheffing ook fabrieken buiten Europa die aan ‘s werelds grootste consumentenmarkt willen leveren (de EU) om serieus werk te maken van vermindering van CO2-uitstoot.

Duidelijkheid en voorspelbaarheid zijn cruciale randvoorwaarden

Wellicht de belangrijkste wortel die de overheid kan bieden, is koers kiezen en daaraan vasthouden (zie ook casus II Het Deense windwonder). Duidelijkheid en voorspelbaarheid zijn cruciale randvoorwaarden voor effectieve groene industriepolitiek. Dit geldt met name voor de basisindustrie, waarin grote investeringen voor de lange termijn worden gedaan: een nafta-kraker kost tientallen miljoenen euro’s en gaat circa dertig jaar mee. Om fabrieken te verleiden voor een elektrische kraker te kiezen, is zekerheid nodig over de termijn waarop een hoogspanningskabel te verwachten is en of deze voldoende capaciteit biedt. Dit geldt ook over de beschikbaarheid van waterstof en de benodigde infrastructuur. Het Rijk moet zo snel mogelijk duidelijk maken dat waterstof cruciaal is voor een groene basisindustrie. Ze doet dat niet alleen met woorden, maar ook met daden, bijvoorbeeld door voldoende budgetten vrij te maken voor onderzoek, innovatiesubsidies en pilotprojecten. Een goed voorbeeld van hoe duidelijkheid en voorspelbaarheid tot systemische verandering kan leiden, is de opwek van windenergie op zee. Na jaren van gezwalk en gesteggel hakte het Rijk de knoop door en koos het voor grootschalige windparken op zee. Het Rijk legde de infrastructuur aan en marktpartijen de windparken. Niet lang daarna gingen de eerste heipalen de zeebodem in (inmiddels zelfs zonder subsidie). Eenzelfde strategie moet het Rijk kiezen voor de elektrificatie van de basisindustrie: geef zo snel mogelijk aan waar en wanneer de benodigde hoogspanningskabels komen, zodat industriële sites als Terneuzen, Moerdijk of Geleen weten waar ze aan toe zijn.

Niet alleen generiek, ook specifiek
De groene industriële transitie vereist maatwerk. Iedere sector, cluster en fabriek heeft specifieke opties om klimaatneutraal te worden (zie ook paragraaf 2.5 en 7.4). Naast generiek beleid – zoals een CO2-heffing – is er dus ook specifiek stimuleringsbeleid nodig.

Subsidieregelingen als de SDE++ voldoen in beginsel aan dat doel (zie hoofdstuk 3 Klimaat, best belangrijk – huidig beleid in Nederland en Europa om de basisindustrie te vergroenen voor een bespreking van SDE++ en andere subsidies), maar zouden een sterker sturend effect kunnen hebben als ze anders vormgegeven worden. De huidige opzet van SDE++ bevordert concurrentie tussen reductie- en transitietechnieken met als doel CO2-reductie zo kostenefficiënt mogelijk te realiseren. Op de korte termijn is dat verstandig (de meeste reductie voor het minste geld), maar deze koopmansmentaliteit heeft op de lange termijn nadelen: het succes van de ene techniek kan een barrière zijn voor een andere techniek die op de lange termijn tot meer CO2-reductie leidt. Overheidsgeld dat nu bijvoorbeeld besteed wordt aan CCS – omdat dit op de korte termijn een relatief goedkope manier is om CO2 te reduceren – gaat niet naar duurdere maar meer transformerende technieken als waterstofelektrolyse en biogene grondstoffen voor de chemie. Het vergroenen van de basisindustrie vereist subsidies die technieken met een meer transformatief potentieel – die nu vaak nog te duur zijn – ook stimuleert. Meer subsidies die onrendabele toppen financieren van relatief dure, maar onmisbare technieken als waterstofelektrolyse, zijn dan ook hard nodig. Het Rijk moet, kort gezegd, meer ballen tonen en niet alleen als een koopman vergroening stimuleren, maar ook als een visionair met lef.

Deze koopmansmentaliteit is op de lange termijn een barrière

De Nederlandse basisindustrie is hoofdzakelijk geconcentreerd in vijf clusters (Noord-Nederland, het Noordzeekanaalgebied, Rotterdam-Moerdijk, Zeeland en Chemelot). Dit vereist ook maatwerk en cluster-specifiek beleid. De overheid moet per cluster de knelpunten en oplossingen inventariseren. Zoals het voorbeeld in paragraaf 7.6 over het elektrificeren van productieprocessen in Chemelot laat zien, kan een dergelijke sturende rol de vergroening van de basisindustrie versnellen.

Zoals in paragraaf 2.5 en 2.6 wordt besproken, zijn pilotprojecten cruciaal om te weten te komen welke routes naar een groene basisindustrie kansrijk zijn. De komende jaren zullen ongetwijfeld vele pilotprojecten het licht zien. Een actieve rol van de overheid is cruciaal om de ontwikkeling ervan te versnellen en in goede banen te leiden. De overheid moet een programma opstellen waarin voor elk cluster de benodigde pilots worden vastgesteld. Ze neemt zowel financieel als praktisch deel in deze programma’s. Als mede-eigenaar zal ze maximaal betrokken zijn bij de coördinatie en het oplossen van knelpunten (bijvoorbeeld bij vergunningstrajecten). Het delen van informatie met andere clusters en betrokken partijen versnelt de transitie; de overheid moet daarop toezien en deelname van de overheid kan dat bevorderen. Het tijdspad van het pilotprogramma moet erop gericht zijn dat uiterlijk 2025 de eerste succesvolle pilots kunnen worden opgeschaald.

7.8 Vluchtende bedrijven en het weglekken van CO2
De kern van groene industriepolitiek is het stimuleren van een toekomstbestendige en dus klimaatneutrale en circulaire basisindustrie (wortel) en het ontmoedigen van fossiele en lineaire bedrijvigheid (stok). Maar jagen we daarmee de basisindustrie niet het land uit? Zo ja, dan wordt Nederland groener, maar de rest de wereld grijzer als die bedrijven investeren in of zelfs verhuizen naar landen met een fossielvriendelijkere overheid. Nederland heeft het nakijken, want wij moeten het vervolgens doen zonder de bedrijven die we zo hard nodig hebben om een groene basisindustrie op te bouwen, luidt een veel gehoorde redenering.

Nationale CO2-belasting zal de basisindustrie sterker maken

De verplaatsing van CO2-intensieve bedrijvigheid naar het buitenland (carbon leakage, in jargon) is onderwerp van verhitte discussies. Wij denken dat het risico daarop beperkt is. Alle lidstaten van de Europese Unie hebben immers ingestemd met het aangescherpte Europese doel van 55 procent reductie van broeikasgassen in 2030, dus in grote delen van Europa zal de basisindustrie gedwongen worden minder CO2 uit te stoten. Daarnaast heeft ook de rest van de wereld het Akkoord van Parijs getekend. Ook daar zal de basisindustrie uiteindelijk klimaatneutraal moeten worden. Landen die bedrijven verwelkomen die vluchten voor beleid dat klimaatverandering serieus neemt, importeren dus eigenlijk probleemgevallen waarvoor ze later alsnog een oplossing moeten vinden. De Europese importheffing op CO2 (zie paragraaf 7.7), onderdeel van de Europese Green Deal, zal weglek tegengaan. Deze maatregel maakt de basisindustrie duidelijk dat ‘vluchten’ geen zin heeft: wie op ‘s werelds grootste consumentenmarkt (de Europese Unie) goederen wil verkopen, ontkomt er niet aan om klimaatneutraal te gaan produceren.

Een nationale CO2-belasting zal de Nederlandse basisindustrie uiteindelijk sterker maken. Door de achterstand in reductie-uitstoot van de Nederlandse basisindustrie en de te hoge vrijstellingen voor grootverbruikers is er ruimte én noodzaak voor een aanvullende CO2-beprijzing. Niet voor niets pleitte De Nederlandsche Bank voor een CO2-taks van 50 euro per ton (als startpunt) en wees ze op de risico’s voor Nederland als we te lang aarzelen en straks schoksgewijs een inhaalrace op uitstootreductie moeten inzetten. De Nederlandse basisindustrie heeft extra prikkels nodig om niet hopeloos achterop te raken.

Daarnaast is er een moreel aspect. Het vermeende risico dat basisindustrie zich verplaatst naar het buitenland moet ons er niet van weerhouden om de vergroening van de basisindustrie in Nederland en Europa aan te jagen. Dat zou ook raar zijn: we zouden ons laten gijzelen door fossiele achterblijvers en zwakkere wet- en regelgeving in andere landen zou de standaard worden voor ons klimaatbeleid. Dat is niet vooruitkijken, maar blijven hangen in de grijze eeuw.

Belangrijker is om van Nederland een aantrekkelijke vestigingsplaats te maken voor basisindustrie die wél toekomst heeft

Industrie die zich onder druk van CO2-wetgeving verplaatst, is niet de industrie die in de groene eeuw toekomst heeft, juist omdat ze CO2-intensief is. Maar als basisindustrie vertrekt door strenger klimaatbeleid, missen we dan niet de bedrijven (en hun kapitaal en kennis) die we nodig hebben voor ombouw en opbouw van een groene basisindustrie? Dat zou jammer zijn, maar gelukkig hoeft dat niet. Groene industriepolitiek biedt immers ook de wortel om te investeren in toekomstbestendige, groene basisindustrie. Belangrijker dan ons te richten op mogelijke weglek van CO2, is het ontwikkelen van een krachtige, groene industriepolitiek waarmee Nederland een aantrekkelijke vestigingsplaats wordt voor basisindustrie die wél toekomst heeft.