vrijdag 18 december 2009 / de Volkskrant /

Recensies

Zelf de planeet redden

Drie recensie in één artikel: Dieren eten van Jonathan Safran Foer, No Impact Man van Colin Beavan en Time to eat the dog? van Robert en Brenda Vale.

Wat is duurzaamheid? Na twee weken overvloedige berichtgeving over de Klimaattop in Kopenhagen, kan het verhelderend zijn dit beladen begrip terug te brengen naar zijn oorspronkelijke betekenis. De Menominee, een Noord-Amerikaanse indianenstam, wisten feilloos wat duurzaamheid is. In 1870 inventariseerden deze houthakkers en -handelaren het aantal bomen op hun wingebied. Ze kwamen uit op 1,3 miljard ‘board feet’, een Amerikaanse maat voor onbewerkt hout. Sindsdien hebben ze bijna twee keer zoveel gekapt, terwijl de omvang van hun bossen niet af- maar juist toenam. Dat kunnen ze in de Amazone niet zeggen, waar tegen de tijd dat u dit artikel heeft gelezen, circa 150 voetbalvelden aan oerwoud voor altijd verloren is gegaan.

De Menominee zorgden ervoor dat de bron van hun welvaart in takt bleef. Alleen bomen die gemist konden worden, werden gekapt. Vele generaties Menominee konden zich zo in hun levensonderhoud voorzien. In de woorden van William McDonough en Michael Braungart, auteurs van de eco-klassieker Cradle to Cradle: Remaking the Way We Make Things (2002): ‘Je zou kunnen zeggen dat de Menominee ontdekt hadden wat de bossen hen aan productie te bieden hadden, in plaats van dat ze namen wat ze wilden.’

De huidige wereldeconomie is allesbehalve duurzaam. We plegen roofbouw op de planeet: we onttrekken veel meer grondstoffen aan de aarde dan deze kan opbrengen. Uitgedrukt in de zogeheten ecologische voetafdruk, verbruikt de wereldbevolking 1,4 wereldbollen om zich in haar behoeften te voorzien – 0,4 meer dan de Menominee zichzelf zouden toestaan. De VS gebruiken momenteel 9 wereldbollen, Nederland 4 en Bangladesh 0,6. Met de voorspelde economische en demografische groei, zal de mondiale ecologische voetafdruk in 2050 circa 2,25 wereldbol zijn. Met andere woorden: de hele wereld als een kaalgekapte Amazone.

Klimaatverandering is het meest besproken facet van de overbelasting van de aarde. In Kopenhagen hadden politici volgens Yvo de Boer, hoofd van het VN-klimaatbureau en gastheer van de ruim 190 participerende landen, de kans om het tij te keren. Maar de kansen op een klimaatakkoord dat de naderende ‘klimaatramp’ (De Boer) daadwerkelijk zal afwenden, leken vanaf het begin af aan nihil.

Deze uitkomst zal de journalist Colin Beavan niets verbazen. Hij geloofde al jaren niet meer dat politici de aarde zouden redden. Beavan is een 42-jarige, hippe New Yorker die een klein maar duur appartement bewoont in Greenwich Village. Na het schrijven van twee populair-historische boeken, besloot hij op een warme winterdag – meisjes droegen zomerse tank-topjes – niet langer de toenmalige president George Bush de schuld te geven van klimaatverandering. Hij stak de hand in eigen boezem en besloot het milieu een jaar lang niet te belasten. Dus niet ‘proberen te’ of ‘zo min mogelijk’, maar domweg niet: geen CO2, geen afval, geen vervuiling. Aan zijn voornemen werden ook zijn anderhalf jaar oude dochtertje onderworpen en zijn vrouw, een Prada-dragende ‘glam-girl fashionista’. In No Impact Man geeft Beavan een persoonlijk verslag van zijn experiment.

Beavan gaat stapsgewijs all the way. Hij begint met het afzweren van wegwerpartikelen. Dit betekent bijvoorbeeld dat Beavan niet meer zijn favoriete snack – een pizzapunt – kan kopen, omdat deze wordt opgediend op een papieren bordje. Want waarom zou je ‘dode bomen voor slechts enkele ogenblikken’ gebruiken, nu de wereld alle bomen nodig heeft om CO2 uit de lucht te halen? Al snel openbaart zich een van de leitmotiven van zijn boek: ‘Nog maar een paar weken bezig, en ik heb al het gevoel dat normaal eigenlijk volkomen krankzinnig is.’ Het redden van de planeet betekent volgens Beavan dan ook niet het aanbrengen van dakisolatie of overstappen op gerecycled printerpapier, maar ‘een cultuuromslag’ en het ‘opnieuw inrichten van ons kapitalistisch systeem’ (zonder overigens al te veel woorden te wijden aan hoe dat zou moeten).

In volgende fases van zijn experiment verbant Beavan toiletpapier (hij weigert aan journalisten te vertellen hoe hij dan zijn billen veegt) en vervangt hij bijvoorbeeld deodorant door biologisch afbreekbare alternatieven als bakzout. Taxi’s en de metro worden verboden en de lift verruilt hij voor het trappenhuis – een behoorlijke opgave in New York: op een dag beklimt hij meer traptreden dan het Empire State Building telt. Echt radicaal wordt het No Impact-project als de stroom wordt afgesloten en hij besluit dat voedsel in een straal van 250 mijl van zijn huis gekweekt moet zijn. Koffie gaat in de ban en zelfs zout mag niet worden gekocht.

De grote les van Beavans experiment is dat zijn planeetvriendelijke levensstijl hem een rijker en bevredigender leven oplevert. Er wordt gezamenlijk gekookt, de echtgenoten praten weer over Echt Belangrijke Dingen, vrienden komen af en aan om het raadspelletje Hints te spelen en op zomerse avonden luiert het gezin op de grasvelden van het Hudson River park. En ja, de seks is beter dan ooit. Ironisch genoeg leven ze het ideale gezinsleven dat wij in de door Beavan verfoeide tv-commercials voorgespiegeld krijgen.

Beavan schreef een onderhoudend boek over een intrigerend experiment, maar uiteindelijk zakt hij door het ijs. De No Impact Man wil het milieu volledig ontzien, alsof hij op een zwevend tapijt van organisch katoen door de wereld kan trekken. Hij had een voorbeeld aan de Menominee moeten nemen – waar hij overigens ook naar verwijst – en niet meer van de aarde moeten nemen dan deze kan geven. Het milieu belasten is niet erg, overbelasten wel. Door zo extreem ver te gaan in zijn wil de planeet te redden, wordt zijn experiment kunstmatig. Zo nu en dan bekruipt de lezer de gedachte dat hij – al dan niet voor de goede zaak – met een gimmick op zoek is naar publiciteit (zijn project wordt op internet veel besproken en de Beavans zijn onderwerp van een documentaire) of op z’n minst een goed onderwerp voor een nieuw boek. Daarnaast ontbeert Beavan een goede pen en brille. Hij citeert te veel zoetsappige wijsheden van Boeddhistische monniken en hij verliest zich in nietszeggende zinnen als ‘we moeten geen lijnen tussen ons trekken, maar om ons heen’, waarmee hij bedoelt dat mensen meer moeten samen werken.

Wie niet zover wil gaan als de No Impact Man, maar toch met goed fatsoen zijn (klein)kinderen in de ogen wil kijken, kan te rade gaan bij Time to eat the dog? The real guide to sustainable living van het Nieuw-Zeelandse echtpaar Robert en Brenda Vale. Er zijn tal van dergelijke duurzaamheidsgidsen op de markt, maar deze onderscheidt zich door zijn omvang en diepgang. Zo goed als elk aspect van het dagelijks leven wordt door de Vales ontleed, voorzien van doorwrochte berekeningen en beoordeeld op duurzaamheid. Van de juiste manier om compost te maken (wel of geen wormen toevoegen?), de vraag in hoeverre het spelen van tennis het milieu belast (waarbij ook de productie van tennisballen wordt betrokken) of een natuurvriendelijke uitvaart (begraven of cremeren, en in welke kist?) – tot in kleinere details dan u waarschijnlijk lief is, wordt de duurzaamste keuze voor u berekend.

Laten we er een probleem uitlichten: mogen we nog wel een hond hebben? Volgens de Vales heeft een gemiddelde hond de ecologische pootafdruk van 0,27 hectare, wat gelijk staat aan die van 2,4 katten en 1059 goudvissen. Een hond eet in een jaar 32,9 kilo kip en 95,3 kilo aan granen. Een land als Italië zou 23 procent van zijn landbouwgrond moeten reserveren om zonder import de eigen honden en katten te voeden. De 172,5 miljoen honden in de tien landen met de meeste honden, hebben voor hun voedselvoorziening een landbouwareaal nodig ter grootte van – schrik niet – Nieuw-Zeeland. Vroeger belastten huisdieren het milieu zo goed als niet: honden aten de etensresten van mensen en katten voedden zich met muizen en ratten. Is het zover gekomen dat natuurbeschermers ervoor pleiten om we onze hond op te eten? De auteurs van Time to eat the dog? plaatsen wijselijk een vraagteken in de titel van hun boek. Evengoed staat ons vertroetelde huisdier volgens de Vales symbool voor onze veel te ver doorgeschoten consumentistische levenswijze.

Er zijn offers nodig om een duurzame toekomst veilig te stellen, en het niet vervangen van uw overleden hond kan daar een van zijn. Zonder dergelijke aanpassingen van onze levensstijl, schrijven de Vales somber, kunnen grondstoffen zo schaars worden dat een gezin uiteindelijk alsnog de hond moet opeten om vlees op tafel te hebben. ‘Linksom of rechtsom, het is wellicht geen goede tijd om hond te zijn.’

Waarom eten we eigenlijk geen honden?, vraagt Jonathan Safran Foer, auteur van de publiekslievelingen Alles is verlicht (2002) en Extreem luid en ongelooflijk dichtbij (2005), zich schertsend af. ‘Honden zijn in ruime mate aanwezig, gezond voor je, makkelijk te bereiden en lekker, en ze opeten is veel verstandiger dan al dat gedoe van verwerking tot eiwitvlokken in het voer voor andere dieren die we consumeren (zoals bijvoorbeeld gebeurt met asielhonden, red.).’

De vegetariër Foer wil ons geen hondenbiefstuk aanpraten, maar laten zien hoe inconsequent en kortzichtig we zijn als het gaat om ons voedsel. Want honden zijn onze huisvrienden, en die eet je dus niet op. Een politieagent komt langs als een buurman zijn hond lijkt te verwaarlozen, maar kijkt je vreemd aan als je zegt dat even verderop tienduizenden varkens elke vorm van welzijn wordt ontzegd in de race naar het goedkoopste hamlapje. Foer: ‘De keuze voor een bepaald soort voedsel wordt door allerlei factoren bepaald, maar de rede (en zelfs het bewustzijn) staat doorgaans niet hoog op die lijst.’

In Dieren eten vraagt Foer zich af of hij zijn pasgeboren zoon vlees kan laten eten. Hij gaat drie laar lang op onderzoek uit en zo goed als alle aspecten van het eten van dieren worden in zijn prisma belicht. Foer is dan weer verhalenverteller, dan weer filosoof, dan weer cultuur-socioloog, dan weer journalist op reportage of een feiten zoekende inspecteur. Hij citeert Franz Kafka en Jacques Derrida, spit stapels onderzoeksrapporten door, bezoekt ‘s nachts met een dierenactivist een kalkoenhouder, spreekt industriële veehouders, gunt monologen aan een industriële boer, een vegetarische slachtveehoudster en een veganistische architecte van slachthuizen. Hij speelt met schrijfstijlen en vormgeving, schrijft vaak prachtig en soms topzwaar (‘we voeren oorlog, of eigenlijk hebben we een oorlog laten voeren, tegen alle dieren die we eten’). Maar bovenal is Dieren eten ontluisterend – verplichte kost voor elke omnivoor.

Het meest intrigerende aspect van dit boek: niets is nieuw. Wie weet nog niet dat de bio-industrie voor dieren een hel op aarde is? Waarom eten we – u, ik – dan toch dat vlees? En gruwelijk is het: varkenssnuiten die voor de lol worden afgesneden, kippen die stelselmatig hun meest gevoelige orgaan – de snavel – moeten missen omdat ze onder zoveel stress leven dat ze elkaar aanvallen, koeien die levend worden gevild, kuikens die boven zoveel stront leven dat ze blaren krijgen van de ammoniakdampen, kalkoenen die zover zijn doorgefokt dat ze ook zonder het slachthuis nooit de leeftijd kunnen bereiken om te paren – et cetera, et cetera. Foer: ‘De bio-industrie behandelt levende dieren als dode.’

Mochten deze taferelen u de lust tot het eten van (industrieel) vlees niet ontnemen, dan misschien wel de belasting van het milieu. Omnivoren zorgen voor zeven keer zoveel broeikasgassen als vegetariërs. Voor een kilo vlees is circa zes kilo granen nodig. Veeteelt is verantwoordelijk voor achttien procent van de uitstoot van broeikasgassen, dat is veertig procent meer dan de gehele transportsector (auto’s, vrachtwagens, schepen, vliegtuigen) bij elkaar. Volgens de Verenigde Naties is het fokken van dieren (al dan niet voor de bio-industrie) ‘een van de drie belangrijkste oorzaken van de meest bedreigende milieuproblemen, op elke schaal, lokaal tot wereldwijd.’ Foer: ‘Iemand die regelmatig producten uit de bio-industrie eet, kan zichzelf niet milieubewust noemen zonder het woord van zijn echte betekenis te ontdoen.’

Hoe worden wij Menominees, die niet meer van de aarde nemen dan deze kan geven? Mondiale afspraken, zoals die van Kopenhagen, zijn onontbeerlijk. Maar politici zijn bange wezens en durven u niet te dwingen om op een andere manier te gaan leven. Uiteindelijk zult u toch echt zelf de planeet moeten redden.

Recensie / review

Dieren eten
Jonathan Safran Foer
Vertaald door Otto Biersma en Onno Voorhoeve
AMBO | Manteau, 2009
334 blz
€19,95
ISBN 9789026321672

No Impact Man: The Adventures of a Guilty Liberal Who Attempts to Save the Planet, and the Discoveries He Makes about Himself and Our Way of Life
Colin Beavan
Farrar, Straus and Giroux, 2009
274 blz
€22,99
ISBN 9780374222888

Time to eat the dog? The real guide to sustainable living
Robert en Brenda Vale
Thames & Hudson, 2009
384 blz
€20,99
ISBN 9780500287903